De bom “Sch 200” (1897)

Leidsch Dagblad 03-12-1897 Katwijk 1 dec.

Woensdagmorgen om 10 uren ongeveer een K.M. ten Zuiden van Katwijk. De reddingsboot werd te water gebracht, doch daar aan boord van de bom geen leven te bespeuren was, keerde zij spoedig terug. Na den middag is men aan boord van het vaartuig gekomen om de lading en het overschot van den inventaris te bergen. Omtrent het lot der bemanning is nog niets met zekerheid bekend; volgens het gerucht zou de bom door een sloep zijn aangevaren, waarop vier mannen zouden zijn overgesprongen.

Tweemaster gestrand (1877)

Leidsch Dagblad 24-11-1877

Te Katwijk aan Zee is heden middag een kofschip, tweemaster, gestrand, geladen met p. m. 60 last haver, met bestemming Groningen naar Londen. De bemanning, bestaande uit drie personen, is door de Katwijksche reddingsboot aan wal gebragt.. Nog voor die van Katwijk was ook de reddingsboot van Noordwijk in zee gestoken om de redding te beproeven.

Twee jongens in problemen (1875)

Leidsch Dagblad 15-09-1875

Te Katwijk had hedenmiddag een voorzeker niet alledaagsch voorval plaats. Twee jongens  uit het weeshuis aldaar, na zich vooral geheel te hebben ontkleed, ,,vermaakten” zich met langs het strand te baden, toen zij opeens lust schenen te krijgen zich wat verder zee in te wagen. Zij begaven zich daartoe in een sloep, die zij vervolgens meer van het strand trachtten te verwijderen. In den beginne gelukte hun dit niet zonder moeite, totdat eindelijk een oostenwind hun evenwel wat al te veel in hunne plannen te hulp kwamen de sloep als ’t ware pijlsnel van het strand deed verdwijnen. Een der jongens, nog bijtijds het gevaar bespeurende waarin zij verkeerden, sprong oogenblikkelijk over boord en bereikte na veel inspanning het strand. De andere scheen minder tegenwoordigheid van geest gehad te hebben; althans hij verdween met de sloep hoe langer hoe meer uit het zicht. In een oogenblik was, zooals men trouwens begrijpen kan, door dit ongewone schouwspel geheel Katwijk op de been, terwijl de reddingboot dadelijk werd in zee gelaten en een ander vaartuig de zeilen heesch. Te zamen ging men nu op de ontdekkingsreis uit, totdat eindelijk de bemanning  der reddingboot bemerkte dat het andere vaartuig de sloep, die met het bloote oog bijna niet meer was te herkennen, meer en meer naderde, en ten laatste het geluk had den jongen van een bijna zekeren dood te redden en tot niet geringe blijdschap der aan het strand verzamelde toeschouwers behouden op het droge te brengen, waarna hij met zijn nog tijdig aan het gevaar ontsnapten lotgenoot onder behoorlijk toezicht naar het gesticht te Katwijk-binnen werd vervoerd

Brik gestrand (1875)

Leidsch Dagblad 02-01-1875

Aan de N.R.Ct. meldt de oud-gezagvoerder A. Schaap uit Katwijk het volgende: Men heeft in de laatste tijden veel gehoord van het blijven, verlaten en stranden van Noordsche schepen met hout geladen. Doch Zaterdag, 19 dezer, is hier waarlijk eene curiositeit van dien aard gebeurd, die eenig in zijn soort is. toen zag men hier even na den middag een brik naderen; de wind was
Noorden en NNO, frissche bramzeilskoelte, het had de fok bij en dichtgereefd voormarszeil en voorstenge stagzeil, groot ondermarszeil en gereefd bovenmarszeil en stuurde recht op den wal aan, terwijl de zeevarenden belangstellend redeneerden wat de reden zou kunnen zijn waarom dat vaartuig met deze gelegenheid, met ruimen wind, naar land stuurde; als het aan eenig ding gebrek had zou ten minste een vlag of een vlag in sjouw (met touwtjes bij elkaar gebonden)  toonen maar niets van dat alles; men zag het volk achterop bij elkaar staan kijken. Inmiddels werd de reddingboot van de Zuid-Hollandsche reddingsmaatschappij in zee gebracht, onder het bestuur van den heer Arie Van Duyn, vroeger kapitein in de Oost-Indische vaart, thans reeder alhier. Toen de boot buiten de branding was, was de brik dicht bij de buitenbank genaderd en hield toen naar de reddingboot, die al spoedig op zijde van haar was, waarna de ra’s bakboord werden aangebrast en zijn koers om de West gesteld, waarover wij ons verblijdden, tegen elkaar zeggende: zij zal nu spoedig op de ruimte zijn. Maar wat gebeurde? Even daarna werd de kluiver geheschen, de ra’s weer vierkant gebrast en het schip, afhoudende, stuurde recht op den wal aan; nu konden wij niet meer gissen; het duurde dan ook niet lang og het stootte even op de buitenbank en bleef vervolgens op de tweede bank zitten, en even daarna viel de groote mast met zeil en treil overboord, welke door den fokkemast gevolgd werd; eenige van de menigte toeschouwers hadden gezien dat er aan de masten gekapt werd, anders was het ook niet mogelijk dat door het stooten de masten zoo spoedig zouden overboord gevallen zijn. maar beschouwden wij dit als moedwil om de mogelijkheid te benemen om het schip dien nacht weer af te brengen. Intusschen kwam de reddingboot, die steeds bij de brik gebleven was, naar land (de equipage wilde het schip nog niet verlaten) en vertelde de heer Van Duyn met verontwaardiging dat hij bij het aan boord komen den kapitein gevraagd had of hij een loods wilde hebben, hetgeen geweigerd werd; op de vraag van den heer Van Duyn of hij het schip dan binnen wilde brengen werd ook weigerend geantwoord, maar wees hij, dat hij naar het strand wilde, dat toen dadelijk werd ten uitvoer gebracht. Later is de reddingboot weer naar het schip gegaan, die toen de equipage, alsook een dame, die men zeide dat de kapiteinsdochter was, allen behouden aan land heeft gebracht. Des nachts met hoog water hebben manschappen die nog op strand waren de brik over de tweede bank gehaald en staat deze nu met laag water geheel droog; het schijnt nog een nieuw vaartuig te zijn, Mariguinha heeten; men zegt dat het vijf jaren oud is, alles ziet er even flink en goed uit.

Noordsche brik gestrand (1874)

Leidsch Dagblad 23-12-1874

Uit Katwijk aan Zee wordt ons gemeld dat door de Noordsche brik “Marguina” is gestrand. De reddingsboot der Noord- en Zuid-Hollandse reddingsmaatschappij, bestuurd door den heer A. van Duin, was reeds des namiddags te twee uren in zee en mocht er te vier uren in slagen alle schepelingen, onder wie de dochter van den kapitein, te redden. Het schip is over de 3de bank heen geslagen en zit thans op de tweede bank vast. Men hoopt de lading, welke uit hout schijnt te bestaan, te kunnen redden.

Kofschip Eendragt (1856)

Rotterdamsche Courant 20 November 1856.

-De Nederlandsche kof de Eendragt, kapt. Van Dalen, v. Newcastle n. Groningen, is den 15 dezer bij Katwijk gestrand en verbrijzeld, doch hetvolk met de reddingboot gered.

Leydse Courant 21 november 1856,

KATWIJK AAN ZEE, 17 November.
Eergisteren is hier het kofschip de Eendragt gestrand, gevoerd door Kapitein G. van Dalen, vertrokken van New-Castle den 7den dezer, bestemd naar Groningen en geladen met fijne steenkolen. Deze bodem in de hevige branding komende, is de reddingboot dadelijk onder het beleid van den kloekmoedigen Koopvaardij-Kapitein W. van der Plas, in zee gebragt met behulp van eenige wakkere visscherlieden ter dezer plaatse, en wel met dat gelukkig gevolg, dat de bemanning van het vaartuig, die in doodsgevaar verkeerde, behouden aan wal is gebragt.
Weinige oogenblikken na de redding was het kofschip verbrijzeld, van den inventaris heeft men nog het een en ander kunnen redden, doch van de lading niets.

Druid of Greenock (1855)

Leydse Courant 05 Januarij 1855,

Scheepstijdingen.
Rotterdam 4 jan. Gisteren is bij Katwijk gestrand het schip Druid, te Greenock te huis behoordende, op reis van Sunderland nar St. Thomas ; het is willens op het strand gezet, daar het zwaar lek zijnde in zinkende staat verkeerde. De stuurman en 3 matrozen, waaronder 2 zwarten, zijn gered, de overige allen verongelukt en het schip verbrijzeld.

Leydse Courant 08 januarij 1855,

 -Het te Katwijk (zie ons vorig nommer) gestrande schip was de Druid of Greenock, Kapitein L. Boyle, het was reeds 6 dagen in zee geweest en had een lek bekomen; het was bemand met 14 koppen en bestemd naar de West; de lading bestond in steenkolen. De geredden zijn, de 1ste en 2de stuurman, de timmerman en de zeilmaker. Reeds zijn 2 lijken alhier aangespoeld en dagelijks komen nog steenkolen, hout enz. aan.

Kofschip Hendrika (1852)

Rotterdamsche Courant 09 December 1852,

-Maandag morgen strandde te Katwijk het kofscheepje Hendrika, kapitein van Deest, van Amterdam naar Nantes, beladen met beenzwart. De equipage, bestaande uit vier man, is door de reddingsboot onder leiding van den heer D. Guyt gered.

Algemeen Handelslad 09 December 1852,

KATWIJK AAN ZEE, 6 dec. Heden ochtend ten 10 ure is hier gestrand het kofschip Hendrika van Veendam, , kapt. R.S. van Deest, komende van Amsterdam en bestemd Nantes, geladen meet beenzwart. De equipage is met veel krachtsinspanning gered. Van de zeelieden, die zich bij deze gelegenheid in de reddingboot begeven hebben, verdient loffelijke melding te worden gemaakt, doch inzonderheid van twee mannen te paard, G. Hoek en j. Barnhoorn, die, in weerwil van het onstuimige element en eigen levensgevaar, alle pogingen hebben aangewend om de schipbreukelingen behouden aan het strand te brengen.

Verhaal (1852)

Tussen de regels door van dit rapport kan men lezen, dat enige naijver bestond tusschen Katwijk aan Zee en Noordwijk aan Zee. Hier zijn meer voorbeelden van te vinden. Toen op 2 Januari 1855 het driemastschip The Druid of Greenock strande benoorden Katwijk aan Zee, slaagden de reddingboten van Katwijk en Noordwijk er niet in door de branding te komen. Enkele moedige Katwijkers begaven zich te paard in de branding en brachten vier van de veertien opvarende in schijndode toestand op het strand. Twee doktoren zagen hun lang aangehouden pogingen om de geredden bij te bren­gen met kunstmatige ademhaling met succes bekroond. De Druid was echter op Noordwijks grondgebied gestrand en de burgemeester van Katwijk kreeg van zijn Noordwijkse collega bericht, dat proces verbaal was opgemaakt tegen Katwijkse ingezetene, op grond van hun “misdragingen” ( zeer waarschijnlijk het ten eigen bate bergen van strandgoederen! ).

 Typerend voor de verhouding tusschen de zo dicht bij elkaar gelegen kustplaatsen is ook, dat in Januari 1856, toen even benoorden Noordwijk aan Zee de Engelse bark Cornelia was gestrand en de Noordwijkse reddingboot, na een misluk­te poging, wegens averij de strijd opgaf, de beheerder van het redding­station Noordwijk aan Zee niet de hulp inriep van zijn Katwijkse collega, maar wel van het op veel grotere afstand gelegen reddingstation Zandvoort! Deze boot hoefde echter niets te doen want een Katwijker bomschuit slaag­de er in de 16 schipbreukelingen van boord te halen.

In November 1857 rapporteerde de Burgemeester van Noordwijk aan Zee aan het bestuur der N.Z.H.R.M., dat de reddingboot van Katwijk ( in strijd met de instructies van de N.Z.H.R.M. ) een loods had gebracht naar een in nood verkerend schip. De rivaliteit tusschen Katwijkers en Noordwijkers bereikte echter een hoogtepunt na de stranding van het Groninger kofschip Reval op 23 November 1877 tusschen Katwijk aan Zee en Noordwijk aan Zee. Zowel de Noordwijkers als Katwijkers togen er op uit met hun reddingboot. Vergezeld door talrijke “belangstellende” dorpsgenoten arriveerden de

twee karavanen, bestaande uit reddingboot op wagen, voortgetrokken door acht paarden, vrijwel tegelijkertijd bij de strandingplaats. Beide reddingploegen betwisten elkaar de eer wie de redding zou mogen verrichten; het werd een slaande ruzie, waarbij zelfs de riemen te pas kwamen. De plaatselijke reddingcommissie van Noordwijk aan Zee gaf navolgende lezing van het gebeurde: De reddingboot van Katwijk aan Zee is, in strijd met de bepaling van art.6 der instructie, vervoerd geworden naar het strand van deze gemeente, niettegenstaande onze boot reeds op de plaats aanwezig was. Op alle mogelijke manieren heeft de bevolking van Katwijk het in zee gaan van onze boot verhinderd om zodoende de bemanning van de Katwijker boot in de gelegenheid te stellen de redding te bewerkstelligen. Dit alles is gedaan met het kennelijk doel om de schipbreukelingen mee te nemen naar Katwijk en de Kapitein te bewegen het schip onder beheer te stellen van ingezetenen dier gemeente en zodoende de voordelen aan rijden bergloon verbonden te doen strekken ten baten van Katwijkse bevolking.

Het schip is werkelijk gekomen onder beheer van den Subsituut strandvonder van Katwijk, die, naar ons oordeel, op onrechtmatige wijze misbruik heeft gemaakt van zijn positie en om wiens handelingen ik mij ook heb be­klaagd bij den Heer Commissaris des Konings in dit gewest.

De plaatselijke reddingcommissie van Katwijk gaf een enigzins afwijkende lezing in haar brief van 1 December 1877: Omstreeks half twaalf v.m. van den 23 sten November was het kofschip Reval ong. een halve mijl van de Kust verwijderd in het n.w. voor Katwijk met storm en een woeste zee, regt op onze kust aanhoudende, waarop wij onze reddingmiddelen in gereed­heid brachten en naar het strand transporteerden. Toen een kwartier later het ontredderde vaartuig met een klein stukje zeil en stagzeiltje de bui­tenbank naderde, werd het scheepje door de zee geheel op zijn zijde ge­worpen, zo dat het voor een ogenblik geheel onzichtbaar was en men algemeen dacht dat alles verloren was, doch weldra zag men het weer te voor­schijn komen, doch geheel reddeloos, aan de zee overgegeven en door storm en stroom naar noordoostelijke afdrijven ( de wind was toen w.n.w. ) tot het eindelijk van tijd tot tijd als het ware onder de zee bedolven stran­de: naar gissing 10 min. op Noordwijks grondgebied. Natuurlijk zijn wij

met de reddingmiddelen langs het strand ( in gespannen verwachting tusschen hoop en vrees of er nog levend wezen op had kunnen blijven ) het geteis­terde vaartuig gevolgd, op drie a vier honderd meter afstand en men zag toen de Noordwijkse reddingboot in zee gaan; zij slaagde er niet in de Reval te “bereiken: wij waren toen op ong. 200 m genaderd.

Zodra wij bemerkten, dat de boot van Noordwijk aan lij van het wrak tegen het strand was geworpen en van daar met geen mogelijkheid het wrak kon bereiken, hebben wij de boot van Katwijk onmiddelijk in zee gebracht met het gezegende gevolg de drie schipbreukelingen te redden. Ziedaar Mijne Heren U de feiten naar waarheid medegedeeld, met gerustheid en vertrouwende toepassing aan UEd. overlatend of hier overtreding van art.6 onzer volgens regelen en bepalingen heeft plaats gehad. Mogen wij met bescheidenheid ons gevoelen in deze openbaren dan is het onmogelijk om in dusdanige omstandigheden art.6 letterlijk te handhaven: daartoe zou ons de mond ontbreken.  het ook niet lijnrecht in strijd zijn met ons doel en streven, waarvan tI het beweegrad is liefde tot de evenmenseh? Het bevreemd ons dan ook zeer dat de Commissie van Noordwijk tot zodanig een partijdige gevolgtrekking zich laat vervoeren.

Een objectief beoordelaar zal zeker het optreden van de Katwijker reddingbootbemanning goedkeuren; indien er menschenlevens op het spel staan is het natuurlijk onjuist zich aan de grenslijn tusschen twee reddingstations te storen. Intusschen is de ontstemming van de Noordwijkers, die zich een aardige “buit” zagen ontgaan, zeer begrijpelijk. Tijdens het onderzoek van deze kwestie ( die eerst nadat heel wat olie gestort was op de golven van herentwist, tenslotte in der minne geschikt ), bleek, dat het vooral de Katwijkse bevolking was geweest, die de Noordwijkse boot het in zee gaan heeft trachten te verhinderen. Slechts enkele dankbetuigingen van geredde schip- breukelingen zijn in het archief bewaard gebleven. Een ervan, een brief een dankbare gezagvoerder aan de bemanning van de Katwijkse reddingboot, Dezember 1852 moge hier volgen:

De onder Getekende Gezagvoerder van de te Katwijk aan Zee op de Voormid­dag van den 6de Dezember 1800 twee en vijftig Gestrande kofschip Hendrina tuys behorende te Veendam komende van Amsterdam beladen met beenzwart en bestemd naar Nantes verklaaren bij deze Aan de bestuurder der Katwijkse Reddingboot D.F. Guyt en Zijn Bootslieden hun de hoogste Dank en te Vreedenheyt bij het Redden van mij En mijn equipage bestaande Uit vier man. Doordrongen Uit erkentelijkheid Stelle wij haar Dit Getuigschrift ter hand overtuigd zijnde van de Gevaare die daarbij ver Gezeld waren.

Katwijk aan Zee, den 7de Dezember 1852 Gezagvoerder R.J.van Diest.

Kofschip Vier Zusters gestrand (1845)

Algemeen Handelsblad 25 december 1845,

KATWIJK AAN ZEE, 23 Dec. Heden morgen ten elf ure is bezuiden dit dorp gestrand, de kof de Vier Gezusters, kapt. J. Hk. De Jong, komende van Amsterdam, bestemd naar Londen, geladen met kaas en mosterdzaad, de ekwipage is gered, men hoopt de lading te lossen.

Nieuwe Rotterdamsche Courant 25 december 1845,

KATWIJK, 23 December. Het schip de 4 Zusters, kapt. De jong, van Amsterdam naar Londen, is den morgen bezuiden dit dop gestrand, doch de ekwipaadje gered; men hoopt de lading te kunnen bergen.

Nieuwe Rotterdamsche Courant 27 december 1845,

Het schip Vier Zusters, kapitein J. Klasen de Jonge, met boter en kaas van Amsterdam naar Londen, is, volgens brief van Scheveningen van den 23 dezer, dien dag bij Katwijk gestrand, doch het volk gered; men was bezig zoo veel mogelijk van schip en lading te bergen.