Katwijkse reddingsboot na 7 jaar weer op zee (1948)

Leidsch Dagblad 31-05-1948

De Katwijkse roeireddingsboot is Zaterdagmiddag voor een oefentocht de branding doorgetrokken. Eerlijk gezegd was dit wel weer eens nodig, want de laatste tocht vond in ….  1941 plaats, toen midden in een duistere nacht zee gekozen moest worden op last van de Duitsers, die meenden dat er iets in zee dreef wat daar niet thuis hoorde. Na dien was gedurende jaren ’t strand verboden gebied, ook voor de boot en bemanning, en na de bevrijding was aanvankelijk het mijngevaar te groot, om zonder dringende noodzaak oefentochten te gaan ondernemen. Maar geoefend personeel moet er toch zijn, voor als de nood eens aan de man komt, en die oefening had de bemanning nu al zeven jaar ontbeerd, afgezien nog van het feit dat enige roeiers door nieuwelingen vervangen zijn. Zaterdag is het er dan eindelijk van gekomen, en na zeven jaren koos de boot het zilte nat.

Als van ouds werd de boot op het wagenstel met paarden over het strand gereden, in tegenwoordigheid van de heer W. Taat als vertegenwoordiger van de Noord Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij. De nieuwe walschipper, die de havenmeester Guyt vervangen heeft, werd geïnstrueerd in het gebruik van de lijnen, waarna de boot in een mui te water werd gelaten en met 12 roeiers bemand. Onder de leiding van de ervaren schipper C. Jonker werd door de overigens nogal rustige branding geroeid, en na drie kwartier werd rechtsomkeert strandwaarts getrokken. Al het materiaal had tijdens de tocht van een goede conditie blijk gegeven, behoudens dat de zeven-jarige rust de boot zelve niet geheel lek-vrij had gelaten. Het boothuis bij de Oude Kerk, daterend van 1871, zal door een modern botenhuis worden vervangen, waarschijnlijk in de omgeving van de Vuurbaak. Tevens zal dan de roeireddingsboot vervangen worden door een motorstrandreddingsboot, die reeds op stapel is gezet.

Deze eerste oefentocht zal door meerdere gevolgd worden, waardoor tevens een in vroeger jaren op hoge prijs gestelde attractie voor de badgasten in ere zal zijn hersteld.

Logger bij Katwijk vergaan (1935)

Nieuwe Leidsche Courant  28-10-1935

De bemanning van een Poolsche logger maakt bange uren door

Stroopers waarschuwen de redders, die de bemanning veilig aan land brengen

In den nacht van Zaterdag op Zondag te ongeveer drie uur, bevond de logger gemerkt G.D.Y. 132 van de Poolsche reederij  Mewa, hier te lande vertegenwoordigd door de firma Arie van der Toorn te Scheveningen, zich ter hoogte van de Wassenaarsche slag, tegenover de kust. De motorlogger, groot 150 ton was jongstleden Maandagavond vanuit Scheveningen uitgevaren en had de geheele week, bijna zonder dat de bemanning zich rust gunde onder de Engelsche kust gevischt en wel met een dusdanig succes, dat men met 32 last, ongeveer 540 ton hating, de terugtocht naar Scheveningen aanvaardde, waar men Zaterdagnacht hoopte aan te komen. Dit is echter niet gelukt. Er stond Zaterdagavond laar een zeer hooge en woeste zee. Het weer, de zware lucht en het slechte vuur-zicht, waren oorzaak, dat niet behoorlijk de Scheveningsche haven binnengeloopen kon worden.

Een afgematte bemanning

Hierbij kwam nog, dat de bemanning oververmoeid was. Dit is ook vermoedelijk de oorzaak geweest, dat men zich geen voldoende rekenschap had gegeven waar men zich precies bevond. Toen men er toe overging te looden om de juiste plaats te bepalen, was het reeds te laat. Ter hoogte van de Wassenaarsche slag stiet de logger tot twee keer toe op een zandbank. Men had er geen erg in gehad, reeds zoo dicht bij de kust te zijn.

Men zond noodseinen uit. Het schip raak te wel los, doch kon de vrije zee niet meer bereiken. De Westenwind deed deze pogingen falen. De logger zat tusschen twee banken en men dreef zoo steeds meer Noordwaarts, zonder een uitgang in de tweede bank te vinden, waardoor het schip weer in volle zee zou kunnen komen.

Twee stroopers als redders

Twee stroopers, die met een lichtbak op het strand waren, zagen de noodseinen en waarschuwden de reeder C. den Dulk te Katwijk, die zich op zijn beurt onmiddellijk in verbinding stelde met den schipper van de reddingboot, den rechercheur van politie te Katwijk, C. Jonker. Tien minuten nadat deze de waarschuwing ontving was hij met de uit twaalf koppen bestaande bemanning van de reddingboot op het strand. De zich in gevaar bevindende logger was inmiddels tisschen de zandbank en de kust verder afgedreven in de richting van Katwijk aan Zee; nu en dan zat hij weer vast, maar even ten Noorden van het Uitwateringskanaal kwam de logger geheel vast te liggen, evenwijdig met de kust. Te ongeveer kwart voor vijf ging de reddingboot ter hoogte van De Brittenstraat onder bevel van schipper Jonker in zee.

De reddingboot kwam na een kwartier varen door de wilde branding bij den logger aan. Aanvankelijk kwam men aan den verkeerde kant, aan bakboordzijde, langszij, doch even later gelukte het langs stuurboordzijde te komen, om hier de bemanning er af te halen.

Acht mannen gered

De schipper en nog vijf leden der bemanning wilden echter aan boord van den logger blijven; acht mannen lieten zich langs een lijn in de reddingboot zakken. Kort daarna waren zij veilig aan wal. Toen de stranding gebeurde, was het vloed en reeds dadelijk sloegen de hooge golven over het geheele schip.

Het schip zakte intusschen hoe langer hoe dieper in het zand; de inventaris van het schip, stukken van luiken enz. werden weggeslagen en door den sterken westenwind op het strand geworpen, waar de voorwerpen werden geborgen. Van alle kanten sloegen de golven over het schip heen, zoodat het ook voor de overgebleven bemanning niet meer mogelijk was op het schip te blijven.

Inmiddels waren op het strand verschenen de bestuursleden van de Noord-Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij, de heeren W. Taat, mr W.J. Woldringh van der Hoop, tevens burgemeester van Katwijk en de heer H. Th. De Booy, Uit Amsterdam, secretaris van de Noord-Zuid-hollandsche Redding-Maatschappij, benevens de heeren W. en J. van der Toorn, leden van de firma Arie van der Toorn.

Heel de bemanning in veiligheid

Te ongeveer half elf ging de reddingboot ten tweede male zee in en werden de kapitein en de overige leden van de bemanning in veiligheid gebracht. Bij dezen tweeden tocht ging ook de heer W. van der Toorn mee naar het schip in nood.

De bemanning van den logger bestond uit veertien koppen, namelijk uit: Klaar Klein, schipper; E. Bronsveld, monteur; Job Overduyn, lichtmatroos; Leen Korving, Arie Pronk, Maarten Spaans, allen matrozen en wonende te Scheveningen, bovendien de Poolsche matrozen Paul Litthammel, albert Detlaff, Clements Feltner, Anton Tomtszik en Janusz Sujecki. Deze Poolsche zeelieden zijn drie jaar geleden naar ons land gekomen om alhier de zeemanskunst te leeren.

Bange uren in de branding

De bemanning werd in hotel “ Het Zwaantje” te Katwijk ondergebracht.

De mannen deelden mede, zeer angstige oogenblikken te hebben doorgemaakt, meer dan eens vreesden ze, dat hun laatste uur was geslagen. De schipper kon maar niet begrijpen, hoe het ongeluk was geschied, daar hij meende de noodige instructies wet te hebben gegeven; allen waren het er echter over eens, dat het slechte vuurzicht als de directe aanleiding moest worden beschouwd. Had men tijdig gelood, dan had dit ongeluk, volgens deskundigen, niet behoeven te gebeuren; dat men dit niet meeft gedaan, kan ook zijn oorzaak vinden in het feit, dat de bemanning veel te lang in touw is geweest en daardoor oververmoeid is geraakt. Te ongeveer elf uur is de geheele bemanning per autobus naar Scheveningen vertrokken.

Alles verloren

Tijdens de samenkomst in het Zwaantje heeft de heer De Booy, secretaris van den Noord-Zuid-Hollansche Redding-Maatschappij deze gelegenheid aangegrepen, om de heeren C. Jonker, schipper en C. Vlieland en G. van Rijn, roeiers van de Katwijksche reddingboot te huldigen voor het feit, dat zij gedurende vijfentwintig jaar ten deze in functie zijn geweest.

De waarde van den logger wordt op ongeveer 24.000 gulden geschat, de gevangen visch vertegenwoordigde een waarde van ongeveer 3800 gulden, terwijl vrijwel alle bezittingen van de bemanning verloren gingen. Het schip was door de reederij zelf verzekerd; de bezittingen van de bemanning echter niet en behalve deze door henzelf te lijden schade gaat verloren het winstaandeel, dat de bemanning van deze goede vangst zou hebben ontvangen.

De logger is in het drijfzand weggezakt en wordt als verloren beschouwd. De twee masten zijn alleen zichtbaar. Het schip is met een staalkabel verbonden met een groot anker, dat op het strand gelegd is. Ruim dertig jaar is het geleden, dat een schip voor de Katwijksche kust verloren is gegaan; wel zijn er in den loop der jaren scheepjes aldaar gestrand, doch het was steeds mogelijk deze met den vloed weer vlot te krijgen.

Reddingboot Katwijk redt 14 man van een logger (1935)

Reddingboot Katwijk redt 14 man van een logger

Den 27sten October strandde de onder Poolsche vlag varende motorlogger ‘Mewax’, op 100 meter bezuiden paal 86, juist benoorden de uitwatering van de Rijn te Katwijk aan Zee. De noodseinen van de logger, die reeds ter hoogte van het Wassenaarseslag te dicht bij den wal tussen de banken was geraakt, werden opgemerkt door een paar stropers, die bij paal 90 ‘bezig’ waren. De stropers lieten onmiddelijk hun ‘werkzaamheden’ in den steek en waarschuwden den schipper C. Jonker van de roeireddingboot van station Katwijk aan Zee.

C. Jonker is tevens politieagent te Katwijk aan Zee en het zal wel de eerste keer geweest zijn, dat hij door stropers gewaarschuwd werd…. Onmiddelijk werd de bemanning bij elkaar geroepen en een half uur later ging de boot in zee. Er stond een stevige WZW wind en flinke rollers op de banken. De reddingboot werd door de Katwijkers met krachtige slag door de branding geroeid en hoewel het niet meeviel in het pikkendonker, kwam de boot aan SB langszij den logger, 9 man waaronder 5 Polen gingen direct over. De Scheveningse schipper kon er echter niet toe komen zijn schip te verlaten en 4 Scheveningers wilden hun schipper niet in de steek laten, dus bleven ook aan boord.

De logger sloeg echter langzamerhand vol water en kwam direct dieper te liggen. Ten 10 uur ging de reddingboot er nogmaals heen en haalde de overgebleven mannen van boord.

’s Middags woei het krachtig uit het WZW, de zeeen sloegen over de logger heen, zodat reeds spoedig alleen de masten nog boven water uitstaken. Het was dus wel zeer goed dat de reddingboot de gehele bemanning van boord had gehaald.

De logger kwam van de haringvisscherij bij de Doggersbank terug met 544 kantjes haring. Voor schipper en bemanning was het dus wel een zeer hard gelag dezen rijken buit, waarvoor zij 5 etmalen in touw waren geweest, niet in behouden haven te kunnen brengen. De pogingen om den logger vlot te brengen zijn tot nog toe niet geslaagd. Voor station Katwijk was het een grote voldoening dat de redding zo goed slaagde.

De laatste 25 jaar was station Katwijk slechts enkele malen in actie geweest en dan nog voor niet zeer belangrijke gevallen. Toch werd er steeds bijzonder goed en degelijk geoefend. Het commissielid W. Taat ging dan meestal mede als voorman. Ook bij deze redding vervulde hij die functie.

Voor schipper Jonker, de roeiers van Rijn en Vlieland, die reeds 25 jaar deel uit maakten van de bemanning was dit hun eerste redding. Voorts zater er in de boot als roeiers; J. Zwitser, C. van der Plas, J.Hoek, P. Rovers, van den Oever, B. Vis, A. Jonker, Kr. taat, voorman W. taat.

Uit de gedenkschriften van een ouden visscherman

UIT DE GEDENKSCHRIFTEN VAN EEN OUDEN VISSCHERSMAN

Leidsch Dagblad 21-12-1929 t/m 15-03-1930

Hoe Willem van der Plas de wereld rondtrok

Inleiding
Eenige maanden geleden wijdden wij eenige woorden aan de nagedachtenis van wijlen Willen van der Plas, die 17 Mei j.l. te Katwijk aan Zee overleed.
Wie kende hem niet, dezen bijna negentig jaar krassen oudenman die men tot zijn laatste levensdagen toe, bij goed weer, nog iederen dag tijdens zijn wandelingen en ritjes langs de boulevard kon aantreffen.
Zijn geheele verschijning, maar bovenal de typische ringbaard en de bolhoed, teekenden onmiddellijk den oude zeerob. En inderdaad Van der Plas was nog een der weinige overgeblevenen van de oude garde ! Zoowel als zee man en landbewoner had Willem een leven achter zich dat buitengewoon rijk was aan ervaringen! De tijd waarin hij ,,op zijn best” was, viel n.l. samen met den tijd waarin zoowel op zee als aan de kust, meer merkwaardige gebeurtenissen voorvielen dan tegenwoordig. Het aantal schepen dat tegenwoordig aan onze kust strandt, is gering, vergeleken met de ontelbare strandingen in den tijd der zeilschepen. Het najaar van 1928, thans nog versch in ons geheugen als een jaar van buitengewoon veel schipbreuken, zou in den ouden tijd wellicht niet eens opgevallen zijn. Er waren dus ook veel meer avontuurlijke reddingen!
Onder de oude kustbewoners waren mannen van durf en uithoudingsvermogen waarop ons volk trotsch kon zijn. Helden misschien nog grooter dan zij, die aangegrepen en meegesleept door de oorlogsdrift der massa, vooruitspringen naar de loopgraven van den vijand, al dreigt het doodsgevaar. Het najaar van 1928 heeft echter getoond, dat dit ras gelukkig lang niet uitgestorven is !
Voor den strijd tegen de zee is velerlei moed noodig: moed, die voortspruit uit eigen persoonlijkheid, moed die bestand is tegen eenzaamheid en verlatenheid in nacht en storm. En deze moed mag zelfs onder die neerdrukkende omstandigheden niet verflauwen.
Zoo ongeveer werd onlangs een reddingsverhaal ingeleid en men vervolgt: ,,Wat zou er van den krijgsmansmoed van vele overblijven, als de strijder moederziel alleen bij nacht en ontij, tot op de huid doorweekt door sneeuw en regen, er op uit zou moeten trekken, zonder het prikkelende van den gezamenlijken aanval, zonder opwindende krijgsmuziek ? En juist dit wordt van onze redders gevraagd.
In tijden, wanneer mensch en dier zich huiverend en angstig in woning of schuilhoek verbergen moeten zijn met luttel medestrijders of zelfs geheel alleen den strijd aanbinden met den vijand zonder genade, wagen zij zich tusschen de klauwen van het verslindende monster, dat niet let op leven en dood van zijn prooi, maar alles tracht te vermorzelen wat in zijn bereik komt.
Dàt vergt eerst heldenmoed !
Hulde den mannen, die dit aandurven !
Nimmer klonken de noodschoten in den zwarten stormnacht, zonder dat een poging gewaagd werd, om de in nood verkeerende medeschepselen te redden. Nooit voerde de stormwind rafels van hulpgeroep naar het strand, zonder dat daar helden bereid waren, hun leven te wagen in een verschrikkelen strijd tegen de woedende elementen.
Wij denken onwillekeurig aan de bemanning van de IJmuider reddingboot die na een mislukte, haast bovenmenschelijke poging, om bij het wrak van de ,,Salento” te komen, gedreven door het besef dat iedere minuut langer uitblijven van hulp, verlies van menschenlevens kon beteekenen, nog een tweede poging ondernam waarbij de boot werd omgeworpen hetgeen twee der inzittenden het leven heeft gekost.
,,En dit zij Uw roem, Nederland, dat zulke mannen in tijden van nood steeds aan Uw kusten te vinden waren”.

De naam van Dorus Rijkers is in de laatste jaren beroemd geworden. En zoo dikwijls is deze naam genoemd en geroemd, dat wij daardoor haast dien van Willem van der Plas zouden vergeten.
Willen van der Plas dan, was oud-visscherman en schipper van een bom, oud-koopvaardijmatroos en stuurman en behalve dat nog oud-ankerzetter en gepensioneerde van de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij.
Hij was de oudste zoon van Huig van der plas, in leven bomschipper, en woonde indertijd bij het eind van het Waaigat aan den Boulevard, waar toen nog steeds duinen lagen. Daar de vader altijd op zee was en de zoon in de onmiddellijke nabijheid van het water opgroeide, spreekt het haast vanzelf, dat ook de jongens uit dit gezin reeds vroeg het ruime sop kozen. Dat de zeelucht hun, evenals zoovele Katwijkers, geen kwaad heeft gedaan, blijkt wel uit het feit, dat nog meerdere broers en zusters van Willem in het land der levenden zijn. Het is een echte visschersfamilie, waarin het beroep van vader op zoon overging. Het goede geheugen van onzen held Van der plas stelt ons nu in staat menig voorval in den geest opnieuw te beleven.
Hij heeft n.l. op zijn ouden dag nog zijn ervaringen te boek gesteld om deze voor het nageslacht te bewaren. Meer dan eens heeft hij dezelfde ervaringen verschillende malen beschreven. Dit vond zijn oorzaak in het feit, dat een of andere belangstellende, wien het voorrecht ten deel gevallen was de kroniek te mogen bestudeeren daarvan wel eens te lang gebruik maakte. Werd het dan twijfelachtig of de eigenaar zijn geschrift wel ooit terug zou zien, dan begon hij maar alvast met een nieuwe beschrijving.
Het viel niet mee al zijn verhalen behoorlijk te ontcijferen. Men moet niet vergeten, dat het meest volledige verhaal in 1926 –’27 geschreven werd, dus toen de schrijver 86 jaar oud was. Bovendien ging Willem slechts tot zijn negende jaar op de lagere school. Dit verhinderde hem evenwel niet tot aan zijn dood getrouw de courant en veel andere lectuur te lezen, waardoor hij geheel op de hoogte van zijn tijd is gebleven, en zijn geest levendig wist te houden.
Iemand die niet op de hoogte is van de vele bijzonderheden, die zich op de zeevaart en speciaal op de vaart met de bommen vroeger konden voordoen, zal niet veel begrijpen van hetgeen v. .d. Plas ons in zijn apart taaltje verhaalde. Verschillende aanvullingen, soms een algeheele omvorming waren noodig om een en ander voor den leek te verduidelijken. Slechts af en toe zal iets van Willem’s typische stijl ongewijzigd worden opgenomen.

Hij begint zijn verhaal als volgt:
Willem van der Plas ouwd 86 jaar hij neemt de pen op om zijn toestand te beschrijfen wat hij ondergaan heeft en ook onderVonden heeft van zijn jonge jaare op de zee. Ik was 9 jaar ouwd toen moest ik de zee al op omdat er geen verDienste ware want toen ware er Bomme, daar moest de kost met verdient worde de eene tijd goed en de andere tijd slecht.
,, Het was toen een schralen tijd hier,” schrijft hij verder. ,,De dagloonen waren zóó laag, dat een knecht 3 gulden per week verdiende, en een landman moest in den goeden tijd hard werken om 6 gulden per week te kunnen halen. Het menschdom van tegenwoordig kent dien tijd niet meer.”
Gelijk heeft de man. En het is alleszins begrijpelijk wanneer hij, denkend aan de ontberingen uit zijne jeugd, en slechts vragend naar het praktisch nut der dingen, tevens zich verwondert over het feit, dat alles ,,in hoogmoed schijnt te verkeeren.”
Het contrast tusschen de toestanden van tegenwoordig en die van 1840 à 1850 wordt nog geaccentueerd door het verschil in de strengheid van de winters.
Wanneer Willem ons vertelt dat de winters ongeveer in het midden der vorige eeuw strenger waren dan de tegenwoordige (hij schreef 1926 –’27), dan wordt hij door de meteorologen in het gelijk gesteld. De statistieken leeren dat ons klimaat zich toen kenmerkte door een periode van strenge winters.
,, In het jaar 1845 hadden wij winter, zegt hij, maar nu is de winter zomer en de zomer winter.”
En inderdaad, vóór 1928 had Willem gelijk met deze ontboezeming. In het eerste decennium dezer eeuw moesten de amsterdamsche ijsbrekers haast nog ieder jaar eenige weken dienst doen om open water te houden en had men weken lang echt zomer. Vóór 1928 waren de ijsbrekers nog in geen jaren gebruikt en sprongen de eigenaars van strand-kiosken en andere badseizoen-menschen uit hun vel wanneer het eens een week, zegge één week, in den zomer goed weer was.
Waarschijnlijk heeft Willem echter het laatste jaar van zijn leven nog dikwijls aan dien ,,goeden ouden tijd” teruggedacht. Van juiste middelen tot kamerverwarming, zooals wij die nu kennen, was toen blijkbaar nog geen sprake. Zelfs een open vuurhaard scheen in vele woningen nog een ongekende weelde. Althans het verhaal luidt:
,,Daar was geen vierhaard in de wooning al leen maar een ijszere plaat met een roster in de midde en daar ging dan de turf op en als dat an was dan schoof inelk (iedereen) naderbij en zat te ver warme vóór verBrande en achter Bevrieze maar toen was er ook vermaak in de winter schaaze rijde was het leefe van ouwd en jong.”
En het wil v. d. Plas dan voorkomen wanneer hij zijn courant leest, – alsof de winters nog slechts op andere landen heerschen. ..doch,” zegt hij, ,,ik zal er maar met eindigen want die tijd komt niet meer.”
Neen, die tijd komt zeker niet meer, doch de strenge winters ? wij zullen het – na 1928 – dienen af te wachten. Want velen toch meenen, dat de periode van ontgletschering (m.a.w. de periode van zachte winters) welke wij tot voor kort beleefden – evenals vroegere dergelijke periodes, weer door een periode van be-gletschering (m.a.w. door een van strenger wordende winters) zal worden gevolgd.
Nadat Willem nog zijn bezorgdheid heeft geuit over de onstandvastigheid van ons tegenwoordig klimaat, waarin orkanen, cyclonen, sneeuwstormen en aardbevingen maar al te veel heerschen, spreekt hij over de visscherij van vroeger.
Hij verhaalt dan den tijd te hebben gekend waarin de hoekers hier hun visch aan den wal kwamen brengen. Doch dan moest men van den wal de opvarenden te hulp komen alvorens geland kon worden.
Wanneer dat gebeurd was, stonden de wagens al klaar. De visch werd dan vervolgens naar Rotterdam gebracht. Daarna ging het op naar Vlaardingen of Maassluis al naar gelang het Vlaardingsche of Maassluissche hoekers waren. Daar werd dan het aas gehaald waarop de hoekers te Katwijk lagen te wachten.
,,Hoekers” dat waren tamelijk zwaar gebouwde schepen met twee masten en vierkante zeilen, die ook wel voor de koopvaardij gebruikt werden. Het werk ,,De grootvisscherij op de Noordzee” door A. Hoogendijk Jzn., uitgegeven in 1893, meldt dat reeds in 1728 hoekers werden gebouwd en dat de laatste dezer schepen in 1866 van stapel is geloopen, die, evenals reeds in 1728, gebouwd was op de werf ,,’s Lands Welvaren” te Vlaardingen. Deze werf is opgericht in 1628 en bestaat nu nog.
Hetzelfde werk verhaalt dat in het jaar 1866 op diezelfde werf de eerste logger in Holland werd gebouwd. Reeder was de heer Maas , die één jaar tevoren hier ook de eerste logger uit Frankrijk, nieuw gebouwd te Boulogne, had ingevoerd. De heer Hoogendijk, zelf indertijd een der meest vooraanstaande reeders, schrijft hiervan: ,,het schip was van elegante constructie en bleek reeds het eerste jaar zeer geschikt te zijn voor de haringvisscherij.”
Het fransche loggerschip had drie masten twee groote strijkende masten en een kleine achtermast. De masten waren voorzien van emmerzeilen, zooals ook wel in reddingsloepen worden gebruikt, doch werden spoedig door de tegenwoordige gaffelzeilen vervangen. Doch ook dit tuig bleef niet lang in zwang en maakte plaats voor het, thans nog algemeen gebruikelijke, kottertuig. Nog vele loggers werden, echter intusschen voorzien van het alleroudste loggertuig, zijnde drie masten. Zelfs schijnen de sloepen, die sedert een paar jaar van de Noordzee verdwenen zijn, toen korten tijd de neiging gehad te hebben om hun sierlijk tuig met de twee lange masten, te verwisselen tegen het bovengenoemde oudste loggertuig. Ze werden dan sloeploggers genoemd.
Vischschaarschte bestond in het midden der vorige eeuw nog nergens in de Noordzee.
Van der Plas zegt dat de bommen op schol, tong, tarbot en griet uit gingen en op wat verder nog in het net kwam. Wanneer er 50 à 60 manden visch aan boord waren werd besloten deze aan de markt te brengen. Men kreeg dan voor een mand schol van een rijksdaalder tot 54 stuivers en voor een mand groote schol waarvoor blijkbaar toen nog minder koopers gevonden werden, 17 à 18 stuivers.
Wat de opbrengst der z.g. zwartvisch (tarbot, tongen enz.) betrof: de 80 stuks tongen en tarbot brachten gemiddeld ongeveer 25 à 30 gulden op.
Slechts een klein deel der aangevoerde visch kon in verschen toestand worden verhandeld hoofdzakelijk door de bekende Katwijksche vischvrouwen met de nu nagenoeg verdwenen ,, ben” op het hoofd.
Het grootste gedeelte werd gezouten en gedroogd, evenals zulks nu nog in Noorwegen geschiedt. In het zuidelijk deel van het dorp vond men toen een aantal vischdrogerijen en de vrouwen hierin werkzaam, zijn bij de oudste Katwijkers nog als de snijdsters bekend. De export der gedroogde visch vond voornamelijk naar België plaats en er zijn nog enkele dorpsgenooten die in hun jonge jaren, al zeilende, met het binnenschip de lading naar de Vlaamsch ,,stedekens” brachten.
Ook zijn af en toe nog wel eens bommen voor handelsdoeleinden gebruikt.
Van der Plas begint dan met de beschrijving van koopvaardij-reizen.
,,Vroeger had je zeilschepen van Amsterdam, Rotterdam, Groningen, wildervank, Veendam, Purmerend enz. Van Oost-Friesland voer toen een duizendtal kleine schepen die in ’t voorjaar allen klaargemaakt werden om hunne onderscheidene reizen aan te vangen”.
De eerste reis van v. d. Plas op de koopvaardij, was met kapitein Arie Ouwehand op het kofschip ,,De Hoop”. Dat was in het jaar 1857. Willem was dus toen 17 jaar oud. Doch op dezen leeftijd waarop tegenwoordig niet zelden jongelui voor ’t eerst voor plaatsing bij de koopvaardij in aanmerking komen en in negen van de tien gevallen, dan ook voor ’t eerst het ruime sop kiezen, had Willem reeds acht jaar practische ervaring bij de visscherij opgedaan en was alleszins bij de visscherij opgedaan en was alleszins bekwaam om als matroos dienst te doen. De lading bestond uit stukgoederen, bestemd voor Madeira. Na een voorspoedige uitreis werd daar gelost en er werd Madeira-wijn geladen voor Hamburg en kopenhagen. Vanuit Noorwegen werd weer vertrokken naar Memel om een lading hennep voor Rotterdam.
Deze reis duurde zes maanden en verliep zonder bijzondere gebeurtenissen. Willem maakte ook de volgende reis mee. Hij schrijft:
,,ik bleef aan boord op hetzelfde schip, toen wierde wij weer Bevracht met stukgoed voor lisseBon portiegal, daar ge Koome en gelost en Bevracht voor Amsterdam met een lading zouwt, wij hadden een voorspoedige rijs zonder om standigheden goed vol Bracht, dat was de tweede rijs met hetzelfde schip de hoop.”
Na de tweede reis met kapitein Arie Ouwehand, monsterde v. d. Plas af, omdat het schip moest opliggen, zooals in dien tijd (in het bijzonder voor de kleinere schepen) ‘s winters gebruikelijk was. Doch de kapitein krijgt een ander schip dat des winters niet wordt opgelegd. Een brik die geballast naar Oost-Indië moet vertrekken.
Van der Plas zegt:
,,Daar ben ik toen met mee gegaan, ik verdiende 20 gulde per maandt. Ge Ballast naar Betaviéa om een laading koffij daar ge kome alles wel met schip en in kompazie (bemanning) toen hepbe wij de ballast gelost die Ballast moest op een andere plaas neer ge Worpe worde niet ver van Betaféa. Zoo wat een mijl van de ree.
Op de ree gekoome en anker laate valle toen kwaame de andere dag de prauwtjes met de lading koffij dus het ging alles gouw toen klaar gekoomen en uit ge Klaart toen was het anker hiefe en zijle in top en zoo zijnne wij vertrokke toen waare wij 8 en halfe maandt van holland naar oostindie de rijs volBracht.”
Dan blijft onze zeevaarder weer meer bij huis en vaart rond op een bom waarop hij het echter maar een half jaar volhoudr. Dan kan hij met kapitein Zwanenburg mee naar Oost-Indië op de ,,Kinderdijk”. Hij gaat dan eerst ,,naar siels in engeland om koolen voor Seriebon.” (cheribon aan de noordkust van Java). In ,,Seriebon” werd gelost en wederom zuiker en koffij geladen.
Na de uitklaring was het ,, anker hiefe en zijle in top.” Den volgende dag was het goed weer, verhaalt Willem, maar toch zou dit de dag worden waarop hij twee menschen van een verschrikkelijken dood zou redden.
Immers later op den dag, aldus zijn verhaal, kwam een kano in ’t zicht met twee passagiers. Het waren Maleiers die met hun ranke vaartuigje een geweldig eind van de kust afgedreven waren. Afgemat en geen weg wetend, werden zij door de bemanning van de ,,kinderdijk” aan boord genomen en later te Batavia aan land gebracht. Want, zegt Willem, wij gingen de Straat Soenda uit. (Af!)
Het komt meer voor dat prauwen de zee in drijven. Ze zijn meestal slechts van een enkel en daarbij uiterst primitief voortbewegingsmiddel voorzien. Raakt deze defect, of werken verschillende noodlottige omstandigheden samen zóó dat de opvarenden geen land meer kunnen bereiken niet te overzien. Zulk een tocht eindigt dan meestal met den dood.
Wij konden in het najaar van 1927 nog lezen dat bij de Amerikaansche kust een kleine visschersboot werd opgepikt, deze den gehelen Stillen Oceaan was overgedreven. Aan boord werd een groote hoeveelheid menschenbeenderen gevonden en bij nader onderzoek bleek, dat de twee, in jammerlijken toestand verkeerende overlevenden zeven andere opvarenden hadden moeten opeten.
Na dus de twee menschenlevens voor een vreeselijk lot bespaard te hebben, zette de ..Kinderdijk” onder kapitein Zwanenburg haar reis naar het vaderland voort. ,,Elke dag prachtig weer tot Holland toe”, zegt v. d. Plas en vervolgt:
,,Na elf maanden reis loopen wij in de maand Februari het Kanaal uit en komen ter hoogte van Egmond aan Zee. Daar komt de loods aan boord en verwelkomt een ieder. Maar tot den kapitein zegt hij: ,,Kapitein het zal niet gaan om het Nieuwediep aan te doen”. (IJmuiden en het Noordzeekanaal bestonden nog niet). ,,Want daar is op ’t oogenblik zooveel ijs dat er geen schip in of uit kan.”
Toen was goeden raad duur. De sleepboot kon niet komen en op en neer varen viel met zoo’n groot zeilschip niet mee. De kapitein was althans niet op z’n gemak. Bovendien was het nog een dampige lucht en daarom werd ten laatste maar besloten om het toch maar te wagen de haven op te zoeken. Doch nauwelijks was men goed en wel in den mond der haven, of het schip zat al vast in het ijs. Toch ging het met horten en stooten gedurende eenigen tijd nog langzaam verder, totdat er eindelijk geen beweging meer in te krijgen was. Het schip lag toen nog een eind van den kant af en dit was begrijpelikerwijze voor de opvarenden, na elf maanden afwezigheid van den vaderlandschen bodem en met een sterk verlangen in het hart naar de bloedverwanten, die zoo dichtbij waren, alles behalve prettig. Doch er lagen toen juist in de haven zeven of acht Katwijksche bommen (z.g. kantvaarders) en de opvarenden hiervan kwamen spoedig hun plaats genooten te hulp. Het ijs werd stuk gehakt en intusschen aan boord de ankerketting klaargemaakt. Hierop werd een zware tros gestoken ,,en zoodoende kwamen wij aan de kant, maar door de hulpzaame hand van de Katwijkers, zoo zijnne we Behoude binne ge Koome dus die rijs is weer vol Bracht.”
De vijfde reis was weer met de ,, Kinderdijk”, nu onder kapitein Verdoes, ook een Katwijker.
Het gaat dan van ,,rotterdam naar siels daar Koolen gelaaden voor Zinkepoer (Singapore) in engels indieje. De uitreis ging voorspoedig en men was spoedig gelost. Doch toen begon het tegen te loopen. De ,,Kinderdijk” moest een tijdje worden opgelegd omdat er ,,niets te doen” was. Je kon daar wel vracht krijgen maar twintig gulden het last en dat was wel wat weinig. Dan maar liever wat gewacht.”
Doch daar komt op een oogenblik het bericht: ,,U kunt rijst laden voor Batavia.”
Dat gedaan en te Batavia leeg gekomen waarna er weer een vracht rijst te halen was te Rangoon voor amsterdam.
Van Batavia werd in ballast naar de Groot Oost vertrokken welke reis veertig dagen duurde.
Wat duidelijk de vooruitgang is snelheid van het vervoer doet uitkomen is het feit dat Willem veertig dagen er over deed om met de ,,Kinderdijk” van Batavia naar de rijsthaven Rangoon te zeilen. Met een stoomschip van tegenwoordig kan dit traject toch zeker in vijf dagen worden afgelegd. En met het modernste vervoermiddel de vliegmachine doet men het in één dag! Willem zal deze reis wel gemaakt hebben in den wintertijd met vaste Noordwestenwinden. In deze streken heerschen n.l. de moesons met het ééne halfjaar standvastige Zuidwesten-winden. Wanneer wij nu weten, dat de koersen van Batavia naar Rangoon van Noord- tot Noordwest zijn, dan wordt het begrijpelijk dat er met een zeilschip slechts ongeveer 40 mijl per etmaal afgelegd kon worden wegens den voortdurenden tegenwind.
Met een zeilschip kon onder gunstige omstandigheden ook nog wel iets gepresteerd worden. De clipper ,,Speculator” groot 747 ton, gebouwd in 1864 te Yarmouth waarvan een gedeelte van het journaal is bewaard gebleven, liep den 1en December 1864 op een reis van Yarmouth naar Montevideo (in 45 dagen) 226 mijl per etmaal, alle zeilen bij zettende. En op de volgende reis van montevideo naar Ceylon (in 56 dagen) met gereefde marszeilen zelfs eens 291 mijlen per etmaal. Tal van stoomschepen halen tegenwoordig de 10 mijl per uur niet en loopen dus minder dan 240 mijl per etmaal.
Het clipperschip ,,Lightning”, toen het grootste schip ter wereld, liep zijn eerste reis onder commando van den befaamden capt. Forbes in één etmaal 436 mijlen. Dit  was in 1854 en pas 30 jaar later werd deze snelheid voor het eerst door een stommer bereikt.
De ,,James Baines”, eveneens een clipper heeft in 1856 gedurende één uur 21 mijl geloopen. Dit is volgens ir. Karl Radunz in zijn ,,Hunderd Jahre Dampfschiffahrt” de grootste snelheid die ooit door een zeilschip is bereikt.
Het verkeer over zee van alle tijden heeft de volkeren dichter bij elkaar gebracht en het gevoel van het van elkander afhankelijk zijn, versterkt. Vooral de tegenwoordige schepen maken het reizen tot een genot en het zal niet meer kunnen worden ontkend. Dat het snellere verkeer de volken ook geestelijk dichter bij elkander heeft gebracht. De pioniers der groote snelheden hadden dit doel nu direct niet. Wij konden onlangs lezen dat de ..Mendora” – een voor de Argentijnsche regeering in Engeland gebouwde kluiser kruiser – 40 mijl per uur loopt en het snelste schip van de wereld is. De Italiaansche regeering liet 3 kruisers met 37 mijls vaart de Atlantische Oceaan oversteken. De snelste passagierschepen loopen minstens nog 10 mijl per uur minder.
Nadat de ,,Kinderdijk” eindelijk op de rivier Iráwadi waaraan Rangoon ligt is aangekomen, en Van der Plas en zijn medeopvarenden er ,,ter plaasse de Ballast hebben uit ge gooit”, wordt rijst geladen. Dat ging toen in dien tijd reeds gauw, zegt Willem, maar toch ziet hij nog kans om de wal op te gaan om alles eens goed te bekijken en nog opgetogen over al het schoons, laat hij er op volgen; ,,maar het was de moeite waard om alles te bezien”. Waarschijnlijk is Willem daar ook onder de bekoring geweest van de prachtige tempels met vergulde daken die reeds op grooten afstand zulk een schitterende aanblik bieden. Nadat met schip en lading alles weer zeewaardig is gemaakt, wordt de Kinderdijk uitgeklaard, zeilt de rivier af en komt op volle zee.
Als er eindelijk veertig dagen verloopen zijn, komt er een eiland in ’t zicht. Wij hadden een mooie bries en het eiland kwam ,,vliegens op”. Spoedig zeilden wij het open, d.w.z. het bleken twee eilanden te zijn, waar tusschen de zee zichtbaar werd. Het was avond en mooi weer toen wij er tusschen vaarden. Zoowat halverwege wordt het ineens bladstil.
,,Ik stong zelf an het roer en het schip draaide als een tol in de ronde, want er liep een harde stroom tusschen die ijlanden. We waren dicht aan de klippen. Toen was goeden raad duur. De kapitein wist er niets anders op dan te verordineeren van ,,anker klaar maken” en ketting aan dek. Het eiland werd door rovers bewoond, door menscheneters, dus zag het er slecht voor de opvarenden van de ,,Kinderdijk” uit. Maar gelukkig komt er een briesje uit het land. ,,Dat heeft ons behoud geweest, zegt Willem, anders hadden ze ons daar opgegeten. Zulke omstandigheden heb ik meegemaakt”.
De naam van de eilanden wordt niet vermeld, vermoedelijk behoorende tot de Maskareenen. Het was zeker in dien tijd niet raadzaam het op een ontmoeting met de bewoners van de onbekende gebieden rond Afrika te laten aankomen! Het is trouwens nog slechts enkele jaren geleden, dat de kustbewoners de vuurtorens, die de Italiaansche regeering bij Kaap Guardefui liet bouwen, weer even hard afbraken als deze gebouwd waren. Immers, door die vuurtorens zouden er geen schepen meer stranden en viel er niets meer te plunderen. Tegenwoordig zijn de vuurtorens daar omgeven door vervaarlijk uitziende prikkeldraadversperring.
De reis wordt voortgezet, doch we zijn nog op geen stukken na behouden binnen. Er kan nog van alles gebeuren. Zoo komen we op de hoogte van de Wester eilanden (de bij den zeeman algemeen bekende naam voor de Azoren). Het was in den nacht van Zaterdag op Zondag en we zeilden met een goeje wind.
Daar worden we om 12 uren uitgepord. Er scheen een orkaan los te zullen breken. De kapitein was nog in zijn hut, maar schreeuwde, dat er klein zeil gemaakt moest worden. Terwijl we in de aardedonker in de mast de zeilen dichtbonden, was het al stormweer geworden. Er woeien reeds zeilen kapot.
We liepen nog met den wind van achteren in. Doch de kapitein aan dek gekomen, verordineert: ,,Bijdraaien!” Maar daar haalt het schip over dat het helemaal onder water gaat. Ik was bij de fokkemast; ik greep het want; ik vloog het want in tot aan de eerste ra. Daar zat ik nog in het water. Als ik dat mondeling moet vertellen wat mij dien nacht is overkomen, dan staat het huilen mij nader dan het lachen. Alles vloog de lucht in. Geen stukje doek bleef er aan de raas, niettegenstaande de zeilen haast allen nieuw waren. Het schip dat leek wel een werak te zijn, Zegt Willem, we lagen voor top en takel in de zee. Gelukkig werd niemand van onze inkompazie (equipage) vermist.
,,Gelukkig de Goede God had nog geen BeHagen in ons anders had ik dit niet kunnen schrijfen, want wij waare toch niet beter als onze Buurman die ver moedelijk een halfe mijl van ons was die het niet (meer) heeft kunne vertelle. Zoo gaat het nu met de zee man zoo ziet zijn schip de lucht dan weer de af grond nadere hun hart geeft zucht op zucht hun Bloed verstijft in de Aadere”.
Na deze lyrische ontboezeming dient nog een enkel woord ter opheldering van ,,de buurman” waarover Van der Plas het heeft, gegeven. Hieronder verstaat men bij de zeevaart een schip, dat, in dezelfde richting varende,, een langen tijd in de nabijheid blijft en dus dezelfde weersomstandigheden meemaakt als het eigen schip.
Zaterdags en ook nog tijdens den storm zondagsnachts, had men van de ,,Kinderdijk” een schip genaamd ,,De IJzere Amsterdammer” goed kunnen waarnemen. Dit kwam ook van Rangoon evenals de ,,kinderdijk” en was eveneens met rijst geladen. Na den storm heeft men echter ,,De IJzere Amsterdammer” niet meer gezien en later op den dag dreven de volkskisten langs de ..Kinderdijk”. Iedere opvarende had toen n.l. nog een kist waarin de uitrusting werd geborgen.
De ,,Kinderdijk” zette haar reis voort.
Echter ,,driemaal is scheeprecht” zegt men aan boord en nog een emotievol evenement zou moeten worden doorleefd. Het liet niet lang op zich wachten…
Van der Plas verteld: We komen in het Kanaal met goeden wind (daar zal wegens de overwegend heerschende Westenwinden tegenwind wel tot de uitzonderingen hebben behoord) en loopen met een flinke vaart ,,het Nauw” uit. Het is een stijve bries en ik loop aan bakboord op en neer. Zóó donker is het dat geen hand voor de oogen is te zien.
Daar zie ik plotseling iets vaags voor den boeg schemeren, een schok en een schurend geluid, nog eenig geschreeuw van menschelijke stemmen, en alles is weer ’t oude.
Nog wel is door ons bijgedraaid en een paar maal door den wind gestoken, doch met een schip met ra-zeilen, in de donker en met een stijve bries doen we niet veel in zoo’n geval.
Zeer waarschijnlijk hebben hier eenige visscherlieden, vermoedelijk Franschen, hun onvoorzichtigheid om zonder licht te varen, met hun leven moeten betalen.
De reis wordt voortgezet en we kunnen ons voorstellen dat na een reis met zooveel wederwaardigheden, de hoop zeer groot was dat nu het laatste stukje maar zonder ongevallen mocht verloopen. Hierbij kwam nog het verlangen naar het op handen zijnde wederzien der naaste familieleden, hetwelk met ieder der laatste af te leggen mijlen schijnt toe te nemen.
Ze komen dien dag nog voor Egmond, maar als ze door het overnemen der loods en dergelijke, reeds zooveel naar de lij zijn afgedreven dat ze nog juist bij den wind het zeegat aan kunnen zeilen, dan gaat de wind krimpen (d.w.z. werd van Z.-W. zooals hij eerst was Zuid of Z.Z.O.) en zijn ze benedengaats. Nu voorspelt een krimpende wind in den regel niet veel goeds en vermoedelijk zal in deze oogenblikken op de ,,kinderdijk” nu niet bepaald een vroolijke stemming hebben geheerscht. Doch het weer schijnt handzaam gebleven te zijn, althans den volgenden dag zijn we in gedachten met onze Willem in het Nieuwediep binnengekomen.
,,die rijs is zoo ver vol Bracht ge lukkig dus de Heere die heeft ons wel ge spaart die rijs af ge mongstert thuis ge koomen en alles wel be vonde.”

,,De 7e reis die ik ga ondernemen is met het schip ,,De Kroonprins der Nederlanden”. Een driemaster onder kapitein Zetteler. Ik monsterde aan voor een reis naar Indië voor 28 gulden in een maand. De reis was eerst naar Cardief om steenkoolen voor suur Baije. We hadden een voorspoedige reis met goed weer in 120 dagen te ,,ZuurBaije”. Daar gelost en bevracht voor rotterdam met ,,koffij, zuiker, indiego, arak en rijst.” Wij lagen daar zoowat drie maanden eer wij alles geladen hadden. Toen dat gebeurt was en wij alles weer zeewaardig gemaakt hadden en waren uitgeklaard toen gingen we de andere dag (o gemoedelijken ouden tijd!) weg naar ,,Betafia”. Daar moesten wij een passagier met vrouw en 10 kinderen ,,in neemen”. Toen dat afgeloopen was met een gunstige wind naar zee en voorbij Javahoofd uitgevaren.
,,Toen wierd ik be last van de Kapitein, Willem je moet mijn heer en me vrouw op passe en de kindere ik sloeg dat niet af want ik kreeg vrijje wachte…”
D.w.z. Willem behoefde gedurende zijn wacht aan dek nu geen dienst te doen.
Het was een zendeling met zijn gezin, goede menschen zegt W. Ik heb ze nageloopen de heele thuisreis die niet voorspoedig was wegens windstilte.
Met goed weer werd de reis voortgezet steeds gebruik makende van de passaat. Als je de passaat uit ben krijg je de Morierie (Mauritius), dat is daar niet gunstig.
Inderdaad is het daar niet erg pluis af en toe. We zijn hier n.l. in een cycloongebied. De Mauritius-cyclonen zijn berucht om hun hevigheid.
Toen wij daar op die hoogte waren, zegt Van der Plas, heerschte er een orkaan. De kapitein verordineerde klein zeil maken alvorens de orkaan ons had bereikt, want als je er eenmaal in bent is het onmogelijk de zeilen vast te maken. Maar gelukkig, we waren aan den buitenkant, wat evenwel niet verhinderde, dat we drie dagen dichtgereefd hebben gelegen en dat:
,,de zee en de windt die leeken wel stof uit de lucht te zijn; het water dat stoof over het schip heen of het een klip was daar kon niets uitgevoerd worde (vanwege de hooge zee en den fellen storm); toen het ging Be daare toen wier de de zijle Bij gezet en zoo zijne wij ge lukkig die post pezeert en zoo zijne we op sinteleena gekoomen daar moeste wij water haale en verversing…”
Dat was in den ,,goeden ouden tijd” wel noodig, want de drinkwatervoorziening was toen in meer dan een opzicht ongezond. Op de meeste schepen lagen de vaten, waarvan er een of twee voorzien waren van het tradioneele aakertje om te drinken in de brandende zon aan dek vastgesjord. Daar werd dan het half warme water uitgeschept hetwelk, wanneer de reis eenigszins lang duurde voor ’t gebruik eerst nog moest gefiltreerd worden, ten einde het te zuiveren van de vele larven, die er in voorkwamen. Een verversching was in den tijd van boonen, erwten, gort en kaak (of scheepsbeschuit) die ook veelal vanwege levende uithoorigheden voor het gebruik eerst uitgeklopt moest worden.
St. Helena was dan ook een station, waar dikwijls verlangend naar uitgezien werd, niettegenstaande de aardappelen, die er gevictualeerd werden den Hollander weinig oorzaak tot watertanden gaven.
Onze Willem en de zijnen hebben er een nacht doorgebracht, zegt hij, waarmee hij vermoedelijk bedoelt, dat ze er ongeveer een etmaal hebben gelegen. Wanneer het alleen de nacht was geweest, had hij althans bij deze gelegenheid niet kunnen verhalen als volgt:
,,Zoo hep ik Sinteleena gezien, het is een mooi ijland, uw kan er alles krijgen en na polie ons Graf, daar hij gestorfe is, dat is aan de Buijte kant van sinteleena, 300 trappe hoog, dus ik hep alles goed opgenoomen.”
Zooals gezegd, de passagier had 10 kinderen. Voor hen moest Willem wasschen, hetgeen wegens waterschaarschte met zout water moest geschieden. ’t Werd hoe langer hoe goorder zegt W. en zelfs onze vrouwen zouden hem onder zulke omstandigheden niets hebben kunnen verwijten. Ook dit was een reden waarom verlangend naar St. Helena werd uitgezien.

Op Ancencion stond aan de kust een groote stoomdistilleerderij, die de bevolking van water voorzag. Het is een onvruchtbaar droog eiland, ,,rood van droogte” volgens Willem.
Kwamen de zeilschepen onder de linie in de buurt van de zware regens, dan werd water opgevongen met behulp van een zonntent, of zelfs het water dat op de kampanje viel. Het eerste liet men daar van wegloopen, omdat het te vuil was. Daarna werden de okshoofden gevuld. Op de Amerikaansche schepen kreeg men rantsoen. Daar distilleerde men ook zeewater door voortdurend een ketel op het fornuis in de kombuis te laten staan.
Van der Plas zelf verhaalt als volgt:
,,We gaan nu onze reis voortzetten in de passaat. Alle zeilen gaan in top tot datte wij komen bij ,,aszenzion” ook een ijland daar hepBe wij ons laate ,,rippeteere” (rapporteeren). Zoo gaat de zeeman verlangend worden naar zijn bestemming. Maar we moeten nog een ,,slegt staazieon” (station) aan doen: de Westereilanden (Azoren). Doch als we komen op de hoogte van die eilanden is het goed weer dat zoo blijft tot in het Engelsche kanaal. Daar krijgen we een Oostenwind wat voor een zeilschip op de thuisreis aldaar niet opschieten of achteruitwaaien beteekende. Doch het duurde gelukkig niet lang; zoowat twee dagen. Toen kregen we een goeden wind en kon de reis worden voortgezet naar Brouwershaven. Daargekomen moesten wij nog twee lichters lossen.
Toen kwam de sleepboot die ons eerst tot Hellevoetsluis bracht een andere sleepboot bracht ons naar Rotterdam en dan eindigt Willem: ,,gelukkig die rijs is door Gods goedhijd weer volBragt veertien en een halfe maand aan Boord ge weest en thuis alles wel Bevonde.”
Toen dien tijd was het niet makkelijk binnen te komen als je te diep lag, zegt Van der Plas. Meestal ging je dan anders Hellevoet in en zoo naar Rotterdam wat is dat al niet veranderd. Nu is het geen zeevaren bij vroeger; toen kon je op de Noordzee blijven met stormweer. (De zeilschepen moesten n.l. verscheidene malen buitengaats blijven bij een opkomende storm. Ze waren dan niet zoo handig te manoeuvreeren op de zeegaten, of konden geen loods meer krijgen). Dat was toen zeevaren; ,,toen moest uw een vènt weeze, maar nu, wat is het nu?
Wij moeten erkennen dat bij alle ervaringen en het zich door vele moeilijkheden heenslaan der oude zeilschip-gasten vergeleken, de moeiten en ervaringen der ,,stoomschip-zeelieden” slechts kinderspel zijn.
Het snelle scheepvaartverkeer stelt andere eischen aan den zeeman dan ’n halve eeuw geleden, toen gehardheid, kalme durf en andere karakter eigenschappen nog op de eerste plaats stonden.
Alleen bij de winter-visscherij op de Noordzee en bij de zee-sleepvaart wordt nog min of meer denzelfden geest aangetroffen als voorheen bij de zeilvaart. Zoolang dit nog het geval is, zullen de Hollandsche zeesleepers nog op de eerste plaats blijven staan en uitgekozen worden, wanneer er een buitengewoon lastig karwijtje te verrichten valt, zooals verleden jaar bij het sleepen van het kolossale Engelsche Marinedok naar Singapore. Tenzij de organisatie niet met haar tijd weet mee te gaan. Want, zooals onlangs een sleepboot-kapitein verklaarde, de Duitsche sleepvaart is tegenwoordig al beter georganiseerd.


Wij gaan weer met van der Plas scheep op ’t zelfde schip: de ,,Kroonprins der Nederlanden”. Voorloopig is het doel van de reis geballast naar Indië (BE Tafiea: Batavia)
 Men begint met van Rotterdam (alwaar Willem, zooals wij later zullen zien persoonlijk zijn eerste redding verricht) naar Hellevoetsluis te gaan. Er is een goede wind.
Die goede wind blijft behouden tot aan Madeira en daarna tot aan de linie. (Vermoedelijk heeft het schip Madeira aangedaan). Dan krijgen wij, wat Willem noemt: ,,vie ava Bele” winden. Wie kan echter tot aan zijn negentigste jaar het woord ,,variabele” winden op de klank af onthouden? Hij vervolgt: ,,Dat valt daar niet mee, dan de wind hier vandaan en dan weer daar vandaan. Dat duurde zoowat acht à tien dagen eer dat wij een vasten wind kregen. Elke dag vegen (veel dekwasschen tegen het uitschijnen) dat je er onder ,,bezwijkt.”
Hoewel het woord ,,variabele winden” hier wel van toepassing is, verstaat men thans in de Maritieme Meteorologie onder het gebied de variabele winden alles wat een grootere breedte dan plm. 35gr. heeft. De afstand Hellevoetsluis – Madeira was dus in het gebied der variabele winden afgelegd; daarna kregen wij de z.g. Noord-Oost-passaat, standvastige N.O. winden, en bij de linie de equatoriale stilte gordel ook wel de ,,doldrums” genoemd.
Voor den zeeman uit den zeiltijd waren ze een echte verschrikking. De windstilte maakte, dat het schip soms weken lang de reis niet vervolgen kon, waarbij de hitte van het zeewater en de atmosfeer, maar bovenal het groote vochtigheidsgehalte van de lucht den opvarenden het leven ondragelijk maakte. Vandaar dat Willem onder het ,,vegen” haast bezwijkt.
De zware regenbuien met omloopende winden vormden de lichtzijden. Niet alleen dat de geslonken watervoorraad aan boord daardoor kon worden aangevuld maar tevens gaven de windstooten, die ze soms vergezelden, de eenige kans dit oord der verschrikking te ontvlieden.
Wij, die in gedachten de reis met de ,,Kroonprins der Nederlanden” meemaken, krijgen dus na 8 à 10 dagen een vaste wind.
Helaas is deze vaste wind tevens tegenwind, n.l. de Z.-O.-passaat en wij kunnen hoogstens Z.Z.W. koersen, waardoor wij meer de Amerikaansche dan de Afrikaansche kust naderen.
Van der Plas verhaalt: ,,Toen in dien tijd in 1800 en 68, dan ging je zoo zachtjes aan om de Zuid tot op 38 graden dan krijg je stroom (de z.g. Westenwind-drift zettende om de Oost) en ga je over de andere kant (d.w.z. met de zeilen over S.B.) voor de wind af. 1)
De zee is dan eerst hoog maar wordt van lieverlede beter evenals het weer.
Dan ben je bij Kaap de Goede Hoop rond en zoo zeil je dan voort totdat je komt op de hoogte van Sint Paulus en (Nieuw-) Amsterdam). Je ziet het wel niet maar de vogels maken je indachtig. Wij komen zoo zachtjes aan (toen ging alles nog zachtjes aan) naar Javahoofd. Zoo gaat de reis naar Indië.
(1) Hier heerschen n.l. bijna voortdurend tamelijk felle Westelijke winden.

Ditmaal heeft ‘t 120 dagen geduurd, dat is niet voorspoedig. Wij komen op Betafiea dan gaat de kapitein van boord en komt de andere dag terug met orders, terwijl hij meteen de brieven heeft meegebracht. Die ,,Briefe” waren toen in dien tijd 38 dagen onderweg. Zóó is alles veranderd dat het nu nog niet gauw genoeg gaat met de ,,Boote” nu nemen ze al vliegeniers; wat zal de tijd nog baren ? Nu we gaane Ballast losse en dan Koffij en Zuiker laden voor Rotterdam. Daar gaan zoo’n twee maanden mee heen alvorens we goed en wel volgekomen zijn. Toen vertrokken naar straat Balie om water. Als we klaar zijn, komt de loods aan boord en wordt er verordineert zeilen los en anker hieuwen. Het was gansch stil en de zeilen hingen als vaatdoeken aan de raas. Toen het anker er uit was zakte het schip achteruit op een nabij gelegen klip. Het was gelukkig laag water. Het anker werd uitgeworpen en toen het water is gaan wassen, kwam het schip vlot. Daarna gingen wij anker hieuwen maar het anker zat onder een klip maar we hieuwden zoo lang, dat de pomparmen (het ouderwetsche ankerspil werd met behulp van deze ,,armen” voortbewogen) niet meer heen of weer konden. Toen zijn die pomp-armen naar den walgebracht om gerepareerd te worden. Die hebben wel twee en twintig dagen weggeweest en het anker hebben we laten zitten. Het was 1869 toen we het verloren en waarschijnlijk zit het er nog”.
Toen die ,,pomparme” in orde waren, zijn we vertrokken straat Balie uit. Aldoor goed weer gehad, zelfs bij de Westereilanden (Azoren), tot Holland toe. Dat heb je veel in den zomer. We kwamen binnen in Hellevoetsluis na 130 dagen reis. Daarna opgesleept naar Rotterdam. Op deze reis was Willem behalve matroos ook ,,koeije Boer”, d.w.z. hij moest de koe die aan boord was, oppassen. Daartoe had hij, terwijl hij binnen was van een boer uit zijn woonplaats het melken geleerd. Hij kreeg voor dit extra karweitje f. 2 per maand meer. Als een rijk man, begaf hij zich dus na zijn afmonstering naar Katwijk, waar hij al de zijnen gezond aantrof.
Nu blijft hij voorlopig van gezelligheid en huiselijkheid genieten, om drie maanden later, wanneer moeder de vrouw misschien de bodem der spaarpot weer ,,zachtjes aan” begint te zien, opnieuw naar Rotterdam om ,,een huur” te gaan. Hij monsterde voor de toen geldende f. 28.- per maand op het schip ,,Henriette Gerardina Suzanna”, kapitein Dam. Het was geladen met stukgoed w.o. ook ,,jenever en kojak” bestemd voor Batavia en ,,zuurbaje (Soerabaja).
Willem ging eerst nog voor twee dagen naar huis en toen weer naar boord. Mijn vrouw ging meen, zegt hij. Toen we twee dagen in Rotterdam geweest waren gingen wij dien dag weg van Rotterdam naar Hellevoetsluis en den volgende dag naar zee met een goeden wind. Zoo vervolgens kregen we het ,,Engelse kanaal en daarna het groote water” anders genaamt ,,Atlantieze Oostzieaan”. We hadden een ,,inkompazie” aan boord dat niet veel bijzonders was. Het waren meest buitenlanders. Ik zal er in het kort mededeelen, zegt Van der Plas, zij konnen niet van de lading afblijven. Het was drinken en klinken tegen elkaar en toch scheen dat maar goed te gaan. Maar eens op een zekere keer toen hadden ze te veel op, want de zeilmaker die zat dronken zeilen te maken. Toen was het uit. Maar het duurde niet lang of er werd weer ,,okkazie” gezocht, zoodat zij er weer toe konden komen, om dat de krijgen.
We komen te Batavia en lossen daar ongeveer de helft; de rest wordt te Soerabaja gebracht. Als we daar gelost hebben neemt de kapitein een lading suiker aan naar ,,Kallievornie, zoogenaamt ,,Zant fan sis ko (San Fransisco). Wij komen klaar, d.w.z. we zijn geladen en de kapitein gaat naar land om uit te klaren. Alles in orde en de andere dag gaan wij weg. Dan ga je zoo door Indië heen en zoo door de molukken toen in dien tijd verder de Japanse zee (lees: zee bezuiden Japan, Stille Oceaan) in, maar daar is ’t niet erg pluis. Allemaal kleine eilandjes passeer je en zoo van lieverlede krijg je ,,Kallievornie.”
Wij komen daar op Zaterdag na 60 dagen reis gehad te hebben. Het is een mooie stad; je ligt daar in een dok aan de baai. (San Fransisco)
Toen ging dien avond alle tien man weg (deserteerden) met pak en zak, omdat je daar veel geld verdienen kon. Je kreeg in dien tijd 120 gulden per maand. Nu, dat bekoorde den mensch, zegt Willem (die er 28 had) en dan bekent hij, dat hij zelf ook nog ernstig plannen heeft gehad om weg te gaan, toen het schip nog gelost moest worden.
Zoo ging dat in 1869, wat zal het nu al veranderd zijn ! Om kort te gaan: ik bleef toch maar aan boord en met mij nog twee duitschers. Het schip komt leeg en dan blijven we nog twee dagen voor de kant liggen en dan gaan we naar de ree voor anker. Wij bleven daar zoowat  een dag of tien en intusschen loopen die twee duitsers ook weg, zoodat ik nog alleen over ben.
Toen neemt de kapitein een vracht ,,sederhouwt” aan van de kust van ,,Mekzieko”; en meteen een ander in kompazie. ,,Uw kan wel Be grijpe dat dat niet veel was, want daar was wel volk toen dien tijd maar die Bleefe liefer aan land aan Boordt kwaame, zweede, daar moest ik alleen onder verKeere maar a vijn het ging goed. Wij hadden rijs van santverzisko naar manzienilla een plaas aan de kust van lawaire een land dat nog on Bewoont was (door beschaafde menschen). Wij koome op de plaas en wij laate de ankers valle twee ankers je ligt tegen de kust an dus je moest dan houvast nebBen als de wind op de kust was”
We hadde moete verkennen aan een stok.
Alles is zoo in orde gemaakt om te laden, maar eerst moet de ballast nog in zee geworpen worden.
’s Morgens om 5 uur komt de stuurman roepen over de logieskap: ,,Wie heeft de wacht !”
Willem, zich in zijn kooi oprichtende, en de tegenover hem liggende kooi van Charley leeg ziende riep: ,,Charley !”
Toen riep de stuurman ,,hends toe tsjallie”(1) en ter verklaring van het laatste woord voegt Willem toe ,, een engel naam”.
Dan wordt even later door den stuurman geroepen ,,de boot is weg!”
Willem wipt uit zijn kooi en zag er rond in het logies naar de andere matrozen en ontdekt dat vier kooien leeg zijn. Spoedig blijkt nu dat ze gedeserteerd zijn. ,,Weg, zegt Willem, met de nieuwe boot.
De kapitein ging naar land kijken, of hij de boot niet zag; echter vergeefs. Toen hij terug was, werd eens nagegaan, wat zoo al vermist werd. De boot met zeilen was nummer één; de kapitein gaat zijn hut in en daar mist hij zijn koffer met z’n beste kleeren. Een van de weggeloopen had gezien dat de kapitein geld in zijn koffer had gedaan, maar deze had het er later weer uitgehaald. Dat was dus een tegenvaller voor de dieven! Zij waren gewapend in de kapiteinshut gegaan; althans, er werd een revolver vermist uit een kist.
Op de logieskap lag een slingslot (2) met zand, om de eerste de beste, die tijdens de nachtelijke handelingen der vier desertuurs per ongeluk aan dek was gekomen en zoodanige traktatie toe te dienen, dat ze zonder een kik te geven weer naar beneden viel:
,,dus het waare moordenaars: ook zulke nazie had je vroeger in de vreemde lande”.
(1) ,,Hands too Charley!” hetgeen wat beteckent: ,,roep de mannen dat zij het werk aanvangen!”
(2) ’n Soort ploertendooder

 Alles naar hun goedvinden aan ,,prooviezie” meegenomen, water, brood, boter, kaas en alles wat hun hart begeerde”. ,,dat hep ik onder gaan(is: meegemaakt) in die verre lande, zegt Willem. ,,Nu, die rare weg en dat in de oopen Baare Zee!”
De rest van de bemanning heeft toen toch de ballast weggeworpen en is begonnen met laden. In veel buitenlandsche havens werd toen het schip door de bemanning zelf geladen. Ook in Indië, hoewel daar een aantal koelies meehielp. Trouwens hier log, zegt Willem de eerste groep woningen 5 mijl het land in en bovendien waren daar geen werkkrachten te verkrijgen. Luister naar wat hij er zelf van verhaalt:
,,toen ne wij een maal ge laade waare, toen wierd er een Kontrak gemaakt: 4 man minder en dat rond Kaap hoorn, dat ging niet vlot. Toen kwam de kapitein: daar is hier geen mensch te Be koome, al wil ik 10 duizent gulden geefe is hij niet te vinde het was ook een negerij. Daar was nies te Be Koome geen ijj (eieren) geen vlees, Broodt of aardappele gans nies die daar  waare die maakte zelf haar eete klaar mais uit het water”.
Willem verhaalt verder dat er mais in een pan stond te weeken en dat er een steenen blok bij stond ,,zoo op de manier als een vleeschhouwer heeft.”
De mais werd op dat blok gelegd en met een ronde steen of rol fijn gemaakt; ,,zoo vein als meel”. Dat ging dan op een steenen schoteltje.”
Het werd gebakken, zonder vet, zoo maar,” zegt Van der Plas en hij vervolgt: ,,ik hep het ge geete: het ziet er uit als een Joodekoek en zoo smaakt het ook zoo wat.”
Toen ten laatste de ,,Henriette Suzanna Garardina”  geladen en ook ,,slagvaardig” bleek was het ,,zeilen los en ankers hieuwen”. Een ieder had natuurlijk op zijn post de handen vol met vier man minder; mar de ,,gazie”, aldus was bij contract bepaald, van de deserteurs zou blijven doorloopen en onder de overige bemanning verdeeld worden. En, zooals altijd, geld verzoet den arbeid. De reis gaat goed, we komen op de hoogte van Volperesze (Valparaiso), ik sta aan het roer, zegt Willem. Het was schaften, het was niet erg pluis. We lagen voor klein zeil, alles was dicht gereefd. Daar valt ineens de wind van achteren in, dat het schip in de diepte zoog van de vaart. Gelukkig, dat ik aan het roer stond, want de zee liep over de verschansing heen. Toen er geschaft was moest de fok er bij gezet worden om de kop van het schip of te houden. Dat ging zoo een dag of tien voor de wind. Ten laatste kwam Buenos Aires in ’t zicht. Toen riep ons de kapitein en zei: ,,Wat denkt U mannen. We hebben hier Buenos-Aires. Zouden we vier man aanmonsteren?”  En wij antwoordden: ,,We zullen hopen, dat nu het laatste gedeelte van de reis ook goed mag gaan !”
En het is gelukkig goed gegaan tot Falmouth. Daar moesten wij om orders en zijn de vier onbrekenden aangemonsterd.
We hadden toen 176 dagen reis. Toen de kapitein naar de wal was geweest vernam ik, dat thuis alles wèl was. We moesten van Falmouth naar Bremershaven; dat was in de oorlog van duitsland en Frankrijk in 1870. Het was midden in den winter; het vroor dat het kraakte. De reis liep bovendien erg tegen door tegenwind. In 22 dagen van Falmouth naar Bremershaven. ,,Dus Uw kan het over neeme wat ik uitgestaan heb voor 28 gulden in de maand. Die aan Boord Ge koome zijn in Kallievorne (Californie), die hadden 70 gulden in de maand nu we zijn Be houwde Ge arreveert.”
Dien nacht sliep Willem nog aan boord en ,,den dag daarop, wierd ik bedankt,, zegt hij. Toen heb ik twee dagen in slaapstee geweest en daarna ging ik over land naar huis. Dat was in dien tijd (in sneeuw en ijs niet weinig) geen kleine ondernemeing. Ik ging per spoor eerst naar Oldenburg en vandaar naar Leer. Daar een nacht geslapen en den volgende dag in ’n wagen met stroo naar de Eems. Daar overgevaren met de pont: toen stond er weer een wagen met stroo klaar, die bracht ons naar de Nieuwe Schans. Daar ben ik toen in ’t spoor gestapt naar Amsterdam en kwam om 12 uur ’s nachts aan. Geen weg wetende heb ik toen aan een heer gevraagd: ,,waar gaat u heen ?”
Het was een kapitein, die mij heeft meegenomen naar het schippershuis. Daar heb ik toen die nacht doorgebracht en toen de dag aanbrak ben ik opgestaan en gekleed zijnde ging ik naar ’t Spoor van Amsterdam naar Leiden. Daar aangekomen, uitgestapt en geloopen naar Katwijk aan Zee.
Ik was van huis 19 ½ maand, dus U kan zich wel indenken wat een blijschap het was toen ik mijn voet zette in mijn huis. Nu ga ik kleine reizen maken, zegt Van der Plas, waaronder hij dan ook verstaat een reis naar ,,Montievodea zuid amerie Kaa.” Met ’t schip genaamd ,,Franzsoze Déseré” (Kapitein de jong. Het schip is groot 45 last de ,,in Kompazie” groot 5 man; kapitein, stuurman, kok en twee matrozen; ,,dat is niet veel”, voegt hij er aan toe.
We zijn uitgevaren in 1871, de laatste April van Maassluis. Naar Hellevoetsluis gesleept. Dat ging goed, maar in ’t Kanaal begon het al met tegenspoed. Daar kregen we tegenwind en sneeuwbuien, dat je haast niet zien kon. Wij waren ’s morgens op de dagwacht bij dover en daar is het niet wijd en doordat we geen land konden zien vanwege de sneeuw hebben we haast vastgezeten. We gingen toen nog gauw over stag en daardoor is het schip, en wij, behouden gebleven. Den anderen dag kregen we een goeden wind en liep verder alles zoover mee, dat we de Noord-Oost passaat te pakken kregen. Doch toen we daaruit waren, kregen we weer een Zuid-Westen wind; stijve bries zoodat er klein zeil gemaakt moest worden. Dat heeft veertien dagen geduurd, zoodat we niets op konden schieten. Daarna kregen we echter weer een goeden wind en hebben we onze reis voortgezet naar ,,monteviedeeo”. Daar gekomen hadden 1007 dagen reis. Bedoeld is hier niet een reis van 100 7 dagen, ook niet een reis die nauwkeurig berekend 100 7 dag duurde, doch een reis van 107 dagen.
Immers, Van der Plas schrijft ook voor 1868 1800 68.
Toen het schip ingeklaard was, zijn we den anderen dag gaan lossen. De kapitein nam een lading vleesch aan naar Bahia.
,,Ik heb het schip nog helpen laden”, zegt Willem. ,,Toen zei ik: ,,Kapitein, ik ga niet mee naar een ongezonde plaats, want daar ben ik niet voor gemonsterd.”
De kapitein kon daar niets tegen doen!
Toen we klaar waren met laden ging ik met den kapitein aan land: naar de ,,konzel”. Daar ben ik toen afgemonsterd: ik ben toen naar boord gegaan, ik heb mijn goed ingepakt en heb afscheid genomen, waarna ze mij met de boot aan land zetten.
,,Daar stong ik zoowat een uur, geen taal magtig. Daar komt er een Bij mij staan. Ik vroeg aan hem: ,,zijne zie een duiszer?” ,,Ja” was het antwoord. Toen vroeg ik hem: kanje mij geen slaapstee Be zorgen altijd bij een duiszer ? Ja, Wel ik met hem mee en mijn ook met een mee.
Van der Plas heeft daar drie weken ,,in slaapstee gelegen”. Er kwam een Hollandsch schip van Pernambuco met suiker. Daar is hij toen aan boord gegaan.
We verlieten Van der Plas in Montevideo, waar hij was achtergebleven omdat hij niet naar de ,,ongezonde plaas” Bahia wilde waar toen een besmettelijke ziekte heerschte. Juist kwam er een Hollandsch schip van Pernambuco met suiker, waar hij aan boord was gegaan.
De kapitein vroeg: ,,Kan uw zijle maake?. Ik zei ,,dat zal wel gaan en Zoo Ben ik aan Boordt ge Blefen”.

Het schip werd gelost en toen het leeg was, nam de kapitein een vracht huiden aan naar Liverpool. Toen wij nog aan het laden waren, verhaalt Willem verder, kwam de kapitein naar me toe en zei: ,,Willem, ik heb een stuurman gehuurt uit Katwijk”. ,,Ik kon niet prakkezeere” wie dat was. Doch op een zekere keer moest ik met den kapitein mee aan wal ,,naar de fiktalie winkel”. Daar zag ik wel een persoon, die ,,Braazielieaans” stond te praten, maar ik dacht niet, dat dat de zoon was van onzen Burgemeester die als stuurman met ons mee zou gaan. Want hij was gekleed als een bedelaar, zegt Willem, doch schijn bedriegt vaak. Zoo was het ook hier! Toen de reis was aangevangen bleek het geen domme jongen. Want, ,,hij verstong alles” en hij kon ook zijn handen goed gebruiken. Eenmaal zei hij: ,,Willem, we gaan een tijd tegemoet dat we zoo geen strengen winter meer zulle hebben.” En, zegt Willem, als ik dat zoo opmerk vanaf 1872, dan moet ik zeggen, die mijnheer heeft toen gelijk gehad! Wat een verschil met toen; nu geen winter en geen zomer meer.
Nadat was uitgeklaard, gingen we den anderen dag naar zee. ,,toen ging dat ter koers, want we gingen de kust langs tot Bahia. Een goeden wind kregen we tot aan de ,,Kanaalie (kanarie) ijlande”. Daar hebben wij een beetje gesukkeld.
Op de hoogte van ,,Lifferpool” werd het ontstuimig weer, regen en wind. Het was dik van regen, geen zicht, stormen geen gebrek. De zeilen woeien stuk en zoo dreven wij daar heen. Het benauwde oogenblik brak aan toen ons een eiland in den weg kwam. Dat heette ,,Volliehead”. Als wij daarop terecht gekomen waren, had het geen mensch meer verteld! Met dag worden, zaten we dicht onder de Engelsche kust. Dat was Zondagmorgen. Gelukkig ging de wind leggen en kregen we van lieverlede een goede wind. Den anderen dag kwamen we in ,,Lifferpool”. Wij werden daar bedankt en ik ging in ,,slaapstee”. Ik ben daar maar twee dagen geweest en toen meteen afgemonsterd. Ik ging naar huis; eerst met het spoor. Van Lifferpool naar huil (Hull), dan met de boot naar Rotterdam. Daar een nacht doorgebracht in slaapstee en naar huis. Thuis alles wel bevonden, na tien maanden te zijn weggeweest.
Onder het verhalen van deze ,,kleine” reis schijnt onze Willem toch van lieverlede tot de overtuiging te zijn gekomen, dat hij deze reis nog gevoeglijk bij de ,,groote” in kon delen.
Althans, met eenige ernstige opmerkingen neemt hij in zijn herinnering afscheid van de groote reizen, om daarna zijn reizen op de Oostzee Deenemarke en Zweede (er staan werkelijk twee hoofdletters) rus land en duis land en pruis ze.
Doch laten wij eerst nog even zijn ernstige episode bezien. Die luidt ongeveer als volgt:
,,ik was weg 10 maande, ik vond alles wel tuis dus wat onder vindt toch een zee man, op die watere en in vere lande. U moet niet denke, dat het zoo maar gaat!”
Verder erkent hij, dat de Heere hem nog in staat stelt door helderheid van verstand dit alles ,,op te boeken” en hem er de bekwaame tijd voor schenkt nu. Er zijn geen leugens aan toegevoegd.
Inderdaad, zoowel uit de mondelinge gesprekken als door het geschrevene komt men tot de overtuiging dat het hier een nuchtere, zelfs sobere en zeer eenvoudige opsomming van het beleefde betreft, zonder een zweem van gekunsteldheid, laat staan onwaarheid.
Zoo is b.v. de beschrijving van de heerschende winden op de laatste thuisreis percies in overeenstemming met de meteorologische toestand op de atlantische Oceaan.
Dat het niet ,, zoo maar” gaat, zoo in ’n paar woorden verteld of gelezen, weet ieder die het voorrecht heeft gehad op een zeilvaartuig eenige reizen te doen. Het kwam neer op een zich heenslaan door ontberingen en moeilijkheden, zooals iemand die zijn geheele leven op ’n stoomschip gevaren heeft, zich niet meer kan voorstellen. Willem gaat door met van zijn ,,kleine reizen” te verhalen.
Het eerste schip was een tweemastschip waar ik in Amsterdam op aangemonsterd ben. Het schip lag in alkmaar daar gekomen, moesten we het eerste heelemaal klaar maken. Toen alles in orde was vertrokken wij naar het Nieuwediep. En toen de wind goed werd, zijn wij naar zee gegaan; om een lading hout naar Dantzig. ,,Ik stond te kijken van de stad, zoo mooi als die was”. Daar volgekomen zijn wij vertrokken. De reis was naar Delfzijl. Daar aangekomen werden wij bedankt en afgemonsterd zijnde gingen we naar huis. Eerst met de trekschuit van Delfzijl naar groningen; daar een nacht ,,geloozeert” en toen met ’t spoor naar Amsterdam; van Amsterdam weer met ’t spoor naar Leiden, en vandaar loopen naar huis (Katwijk aan Zee).
Tusschen die reizen door deed Willem nog wel wat anders. Af en toe ankerzetten voor de bommen aan het strand of hij voer zelf als schipper op een bom ter visscherij. Doch hij heeft in zijn herinneringen, alles wat bij elkaar hoort, zorgvuldig gerangschikt.
,,Op de ,,kleine reizen werden we menigmaal gehinderd door ’t ijs: Uw hep wel geen nood, maar uw loopt ge vaar als uw ligt aan de kust komt En de windt is op het land, dan gaje met het ijs mee en als het schip an den grond komt dan gaat het ijs over het schip heen Dat kan je ’t leefen kos ste Dat hep je in de oost zee”
Hij kwam aan boord van een schoener als stuurman. De reis was naar Sields om een lading steenkolen voor Stoppelmunde in Pruisen. Op een goeden dag (welke een kwade zou worden) kwam de kust in ’t zicht, met een mooie bries. We komen zoo ver, dat de loods aan boord kwam. Hij vroeg direct: ,,Kapitein hoe diep ligt uw schip?” Na het antwoord zei hij: ,,Dan zal U twee lichters moeten lossen”.
,,Zou het dan niet gaan loods om over de baai heen te komen?” vroeg de kapitein. ,,Neen”, was het antwoord: waarop de kapitein zei: ,,Dat neem ik op mij”.
Toen ging het naar de haven; doch zoodra we op de baai waren, bleef het schip zitten en draaide recht voor den wind. De zee sloeg het schip over de bank en zoo aan lij van de haven. Daar was niets aan te doen. Het schip gaf een paar stooten op het strand en was lek. Het duurde geen half uur of de reddingboot was bij ons. Daar zijn we allen in gestapt en zoo werden we naar de haven gebracht.

Omdat het schip onder water stond is het volk den anderen dag afgemonsterd en naar Holland gegaan. Ik ben daar gebleven omdat ik stuurman was. Het schip is naderhand binnen gebracht en gerepareerd. Dat alles heeft 14 weken geduurd, welken tijd ik geweest ben bij den heer Huebener aldaar.
Toen alles weer in orde was gemaakt, hebben we de reis aangevangen naar riga. Daar ,,houwt” geladen voor Schiedam. Binnen gekomen, gelost en afgemonsterd toen naar huis.
Van de verdere reizen, die Willem met de z.g. houtslepers heeft gedaan vermeldt hij geen bijzonderheden. Meestal voeren ze van Amsterdam en Nieuwdiep en gingen in het voorjaar weg. Als je wat vroeger wegging dan recht heen en alles liep mee met den wind, dan waren er veel schepen die vast verdaagden in het ijs.
Willem heeft ook eenmaal drie dagen vast gezeten. Hij heeft ons reeds verteld wanneer er gevaar dreigde. Zoo ver als ’t oog reikte, was de zee dan met ijs bedekt.
Dan brengt hij ons op ander terrein. We worden in gedachten verplaatst naar een vervlogen ,,area” der Nederlandsche diepzee visscherij; den tijden der bommen. Ten gerieve der lezers, die deze schepen niet of niet meer hebben gekend, diende het volgende:
De bommen waren schepen met een platten bodem en zoodanig gebouwd, dat ze aan het strand konden komen. De lengte was misschien ongeveer tweemaal de breedte; de breedte was overal hetzelfde. Ze geleken dus nog veel meer op een kist dan de reeds breedgeboegde ,,klipperschepen”. Evenals deze waren zij voorzien van zwaarden. Men begrijpt, dat het slechte zeilers waren en het manoeuvreeren kostte heel wat hoofdbreken en moeite. Wanneer ze echter eenmaal achter de netten af achter het anker lagen dan was er , gezien de enorme stabiliteit door de breedte, geen zeetje te hoog! Menigmaal kon men bij slecht weer op de kousen op dek loopen.
In die periode bleek veel meer dan tegenwoordig, dat Katwijk een echte visschersplaats is. Alles wat de visscherij betreft geschiedde toen te Katwijk zelf. Een groot aantal kunstschilders was reeds aanwezig om de tafreelen, die zich aan of bij het strand afspeelden, op doek te brengen.
Kwamen de bommen aanvaren, dan lieten ze op eenigen afstand van het strand een anker vallen om zich bij ’t vertrek weer daarop van den wal af te kunnen werken. Zoo’n anker had geen twee armen zooals tegenwoordig maar bezat meer den vorm van een zeer groote dreg. Ong. 2M lang en ong. 100 K.G. zwaar. Het werd een ,,klijn” genoemd. Verscheidene malen moest door sterke wind of andere omstandigheden nog een tweede ,,klijn” worden uitgebracht, alvorens de bommen van het strand konden afvaren. Dit werd dan meestal door bepaalde mannen gedaan, de ankerzetters genaamd. Zulk een ankerzetter was ook Van der Plas. Die ankers moesten natuurlijk ook worden uitgebracht wanneer de bom eenigen tijd had opgelegen ,,Opgestaan” ware eigenlijk ’n beter woord, want ze stonden op den duinkant.
Over planken en zware houten rollen werden de bommen door een twintigtal paarden naar de laagwaterlijn getrokken: van te voren waren ze reeds geladen met water, zout en leege tonnen. Dit ,,schuitetrekken” is tallooze malen op het doek en op de gevoelige plaat vereeuwigd. Stukje voor stukje en onder veel geschreeuw ging het bij laag water zoover mogelijk zeewaarts en bij het volgende hoogwater werden ze dan door de ankerkabel om het spil ,,afgewonden”.
,,dit ,,ankerzetten” was een der gevaarlijkste baantjes in dien tijd. Alleen bekwame forsche zwemmers konden het zijn. Meestal brachten ze met een roeiboot een klein anker over de zandbanken heen en zetten dit daar aan den grond vast. Dan keerden ze terug en namen een deklijn met ankerkabel in; vervolgens trokken zij zich langs die lijn van het eerste anker weer door de branding over de banken en zetten dat het groote anker.
Het anker woog plm. 200 pond, de kabel was 150 vaam lang en in de boot gingen 4 man.
Nu wij dit alles weten is het mogelijk Willem beter te begrijpen, wanneer hij zegt, dat er in zijn tijd kleine bomschuiten waren die zichzelf konden helpen (d.w.z. de bemanning) met afvaren van het strand. Want ze waren niet groot. Willem wil dus zeggen: ze hadden geen ankerzetters noodig.
Zooals wij ons herinneren, is Willem reeds op zijn 9e jaar, dus in 1848, met zijn vader, die schipper op een bom was, meegevaren.
Interessant is wat hij vertelt over de vangst van die kleine bommen.
Ze gingen niet verder dan de Engelsche wal, dat is tusschen de Theems en Cromer, 20 à 40 mijl buiten land, en konden niet veel meer dan 70 à 80 kantjes bergen. Welk een verschil met de tegenwoordige visschersschepen, die bijna tien maal zooveel kunnen meebrengen.
Als dan de bom aankwam en het vischwant (de vleet) opzij was gehaald, dan kwamen de harigtellers, acht man en twee hoofdlieden. Dan ging ieder zitten bij een hoop haring, die voortdurend van benedendeks uit een z.g. ,,kee” werd aangevuld; de haring werd dan opgeraapt en geteld.
Iederen keer, wanneer er een ,,tal” (220 stuks) in een mand was, werd er geroepen: ,,Kûrref” (= kerf). Dit was nog een overblijfsel uit den tijd dat de hoofdlieden een kerfje in een stok gaven, om op die wijze het aantal tallen haring bij te houden. In Willems tijd deden ze dat reeds met krijt. De manden met haring gingen op wagens, die op het strand naast de bommen reden en wanneer er 7000 op waren dan kwam de voerman, spande zijn paarden er voor en reed de wagen door het water.
Met deze kleine bommen werd het grootste gedeelte van het jaar met de kor gevischt, het z.g. ,, kantvaren” slechts van augustus tot october of November gingen ze met drijfwant ter hangvisscherij. Willem heeft het, toen hij als schipper op een bom voer, eens meegemaakt dat hij met een langdurigen fellen Zuidwestenwind benoorden Terschelling steeds maar ploeterde, om thuis te komen. Eindelijk raakte alle victualiën op, behalve de groene erwten en groene olie. Het vergeefsche oplaveeren moe (het laveeren met een bom was hopeloos werk) besloot hij naar Dokkum te gaan en daar nog maar eens uit te zetten. De poging werd met succes bekroond: een groote hoeveelheid visch werd gevangen.
De maaltijden bestonden afwisselend uit gekookte en gebakken schol met ’s middags wat groene erwten. De volgende dagen werd de wind gunstig en kon de thuisreis worden aanvaard. Zaterdag voor Paschen kwam men aan het strand en werd een flinke besomming gemaakt. De volgende was er een heele vloot bommen die na Borkum ging.
De bommen vertrokken in Februari meestal ter kantvaart. Als je voor f 100,- aan boord had werd besloten om ze naar de markt te brengen. Wanneer het een Oostenwind was en je kwam bij de kust dan zag je niets anders dan ijs. Ik heb het beleefd dat de touwen over het ijs aan wal moesten worden gebracht, zegt Willem en nu zie je geen ijs meer in den winter.
Er waren echter toen ook al wel grootere bommen, die al een enkelemaal  voor Pinksteren naar de haringvisscherij ging. Althans, Willem, die al vanaf 1848 de zee bevoer, verhaalt van de Pinksterstorm in den jare 1866. Die vergeet ik nooit! zegt hij.
Ik voer op een bom van den heer P. Meerburg Sr. Het was dien Pinkstermaandag.
,,datte wij Geen zijl Konde voere. Zware orkaan was het! Toen zate wij bij elkander, geen woord wier er ge sprooke om dat we docht daat zulle we om ge gooit worde want de zee was hemel hoog, uw kan … over neemen daar ver ginge van scheveningen 12 bomme met de heele in kompazie van Engeland 24 Kotters met man en muis ver gaan, Ik weet niet hoe veel schepen dat er om ge Koomen zijn (koopvaardijschepen bedoelt hij). Datis on Be Kent Aan de Kust van Den Helder is loog (geloof) waren 6 à 7 alle maal met houwt. Hier lag voor Katwijk ook een groot schip. Geen mas ste dat hadde twee Bom me voor anker ge gooit om het niet aan de wal te laten komen, ge laaden met houwt.
De bommen hadden het schip aangetroffen zonder iemand aan boord, het voor Katwijk gesleept, toen voor anker gelegd en een sleepboot van Hellevoetsluis opgeroepen.
De bedoeling was geweest, het naar den Helder te sleepen maar het staat te bezien of later over de snelheid van dit transport zou kunnen worden geroemd. Doch in dien tijs, toen er nog geen internationale sleepdiensten waren en onze landgenooten op dit gebied nog niet zulk een goeden naam hadden, pakte men aan, wat voor de hand kwam!
Willem heeft na dien Pinksterstorm verscheidene zeilschepen gezien, die door bommen of door Engelsche vischkotters op sleeptouw waren genomen.
Wat hemzelf betreft, verteld hij, dat ze Zondags reeds slecht weer hadden en hun best deden om land te bezeilen.
’s Maandagsmorgens zeilde ze nog met alle gereefde zeilen maar toen stak de wind zóó op, dat het eene na het andere zeil stuk woei. Aan ankeren viel niet te denken. Toen haalden ze de zwaarden maar hoog op en lieten de bom drijven; de wind was van het W.N.W.
Den volgenden dag was het weer wat beter en zetten zij eenige stukken zeil op om Katwijk te bereiken.
Van der Plas verhaalt: hier en daar lagen lijken op strand, zoo’n orkaan hep ik door ge maakt met een Bom, dan zag je hier een schip zonder mas ste dan daar een toen wij dan Be houwde waare toen wij naar huis ginge om ons te laate vertoone, toen kwaame wel 100 nieuw schierige (lees belangstellenden) ons ver welkomme”.
Den volgenden dag dreef er een schip Katwijk voorbij zonder masten met de eene zijde geheel onder water. Maar de geheele bemanning was er nog op. Bovendien nog een vrouw en kinderen. Wij hebben den kapitein zelf gesproken zegt Willem. (Tween bommen hadden het schip reeds op sleeptouw voor den Helder. Toen kwam de vlugger zeilende hoeker in ’t zicht).
Een hoeker die juist ook Katwijk voorbij ging heeft het schip op sleeptouw genomen.
,,Ken uw zulke storme vergeete? Vraagt Willem en hij geeft zichzelf het antwoord: neen! Die liggen je altoos bij. Moet ik den Heere niet bedanken dat Hij mij in al die gevaren behouden heeft?”

Toen de groote bommen kwamen, gingen die verder van huis. Die gingen naar schaare Burg (Scarborough) of wit Bij (whitby) en zoo van lieverlede verderop totdat ze heelemaal naar het land (Shetlands) of or Radia ijlanden gingen. De eerste jaren, dat ze daar heen gingen moesten zij nog een loods meehebben. Dit waren meestal gewezen stuurlieden van de koopvaardij. Die grootere bommen die konden, om met Willems woorden te spreken, ,,der eigen niet helpen met van de strand afvaren. Voor Willem schiep dit de gelegenheid tot een ander ,,amp”, het ambt n.l. van ankerzetter. Hij is aan de wal gebleven en heeft een klijnenboot gekocht om de bommen te bedienen.
(Een klijn, is zooals we ons herinneren een anker met vier vaste armen).. Omdat het een gevaarlijk baantje was gaf dat voor dien tijd goed geld. Vooral, als het een Noordenwind was die op onze kusten haast altijd een flinke branding veroorzaakt viel dat karweitje niet mee! Met een Zuidwestenwind kon je er beter 5 zetten dan met een Noordenwind 2. ,,Dat is over te nemen” zegt Willem (ja! Tenminste voor een kustbewoner) ,,dus hep Be wij toen in die tijd swoare pos ste gehad”.
We hebben een keer een anker gezet dat eerste ging goed toen maakten we het tweede klaar voor dezelfde bom en nadat ook dit gezet was keerden we terug naar den wal. Wij komen op de bank (zandbank) en doar rijst me een zee op!; de boot ineens vol water, dat heb ik geen mes in mijn mond om de lijn vliegens af te snijden. Dan hadden wij allen moeten verdrinken. Geen mensch had ons daar op dat oogenblik kunnen helpen. Dus ik had toen een voorzeggenden geest, om dat mes in mijn mond te nemen want ik was toen in dien tijd boos om dat werk te doen. Er leven nog menschen, die dat meegemaakten: Hendrik Plug (leeft heden 1929 nog) zou u dat kunnen vertellen. Gelukkig zijn we nu over de bank heen en komen dichter aan het strand. Maar toch, op het laatste oogenblik begeeft ons de boot  en moet een eik zijn biezen pakken om niet te worden meegezogen naar de diepte Hendrik Plug zat bij den voorsteven, die moest geholpen worden, anders was hij niet uit de zuiging van de zinkende boot weggekomen.
Zoo kwamen we toch allen behouden aan land. Zulke tochten hebben we meegemoakt maar we hoopten weer  op beterschap daarom lieten we het ,,amp” niet varen.
Een andere keer moesten op een Maandagmorgen ook een anker gezet worden. Het kleine was juist gezet om het groote anker te gaan halen. Alles was klaargemaakt, we varen af, we komen op de (zand) bank en plotseling wordt de boot vol water gegooid door een brekende stortzee.
Goeden raad was duur!
Daar sprongen al mijn metgezellen uit de boot en daar stonden ze allen op de bank tot hun keel in het water zich vasthoudende aan de lijn van het kleine anker. Af en toe wanneer weer er zoo’n groote kruller aan kwam rollen was er niets van hen tezien. Hulp zou er spoedig moeten komen, of hun krachten zouden hen begeven.
Omdat er juist een bommen ,,neergingen” (d.w.z. door paarden naar de laagwaterlijn getrokken) waren er een groot aantal paarden op het strand. Hiervan werden er in alle haast eenige afgespannen, om daarmee die menschen te gaan helpen. Het ging niet gemakkelijk want elk paard kan niet zoo goed zwemmen. Dan hadden ze weer eens wèl, dan weer eens geen grond onder de poten. Maar toch zijn ze bij de menschen gekomen met die paarden en hebben hen een voor een gered.
Onder al die bedrijven zat ik nog in mijn boot en trachtte door er alles uit te gooien hem nog drijvende te houden. Met de paarden konden ze bij mij niet komen. Wanneer n.l. al die zware spullen er in bleven liggen bestond er weinig kans dat wanneer de boot eenmaal naar den grond ging, Willem die er eigenaar van was, hem nog terug zou zien.
Eindelijk zegt Willem, moest ik ook mijn biezen pakken mede om de boot drijvend te houden.
Ik trok alles uit en was, zoo voegt hij er ter verduidelijking bij, ,,zooals ik op de wereld gekomen was”. Ik sprong in zee en zwom naar den wal. Gelukkig ondervond niet al te veel hinder van den stroom en kwam ik behouden aan wal. Mijn broer kwam me tegemoet met een broek en een hemd. Die trok ik in het water aan.
Mijn kleeren zijn bij de Wassenaarseslag aangespoeld en zijn later bij mij thuis bezorgd.
We zijn het hartroerend met Willem eens wanneer hij zegt dat niet iedereen voor dit ,,amp” te vinden was. Maar voegt hij er optimistisch aan toe ,, het was elken … zoo niet en wij ver diende er wel een lekkere cent mee. Dat is over te neemen!”
En ook is ,,over te neemen”, dat was geen gemakkelijke post was die Willem had, wanneer de boot wegens de hevige branding of om andere redenen niet gebruikt kon worden. Dan ging het n.l. ,,op het lijf” d.w.z. het anker van 200 pond werd op den schouder gebracht en zoo zee in gedragen. Dat was altijd het karweitje van Willem; zijn maats losten de ankerkabel van boord. Een koopvaardijman zou zeggen ,,staken de kabel toe”.
Dan ging dat onder water door, zoodat de bommen er op van het strand konden varen en vrij van de eerste zandbank. Onderweg werd dan het anker neergelegd om af en toe evenals een walvisch of andere warmbloedige visschen boven water wat versche lucht in te ademen.
Wanneer dat gebeurd was dan dook Willem weer naar den bodem en sleepte het anker meestal in gebukte houding tusschen de beenen nogmaals een tiental meters verder. Eenmaal heeft onze Willem op deze wijze een paar benauwde oogenblikken meegemaakt en het is voor hem een les geweest die hij ter harte nam toen hij, zooals hierboven verhaald werd, uit de zinkende boot sprong, zooals hij ter wereld kwam.
Op een keer was n.l.  een zijner broers met de bom, waarop deze ,,schipper” was, aangekomen. Willem was bij het lossen behulpzaam en moest er daarna voor zorgen dat alles in orde gemaakt werd voor laden en de afvaart.
,,Het anker in zee stond niet goed”, zegt Willem, en omdat er veel zee was zei ik tegen mijn maats ,,ik zal het anker wel in orde brengen, dan behoeven we de boot niet te gebruiken.”
Alles was klaar gemaakt: en Willem zou in zee gaan.
,,O, zegt hij, ik zal mijn kleeren maar aanhouden met een paar zeeën ben ik toen weer aan den wal.”
We laten hem zelf even vertellen:
,,Ik ga naar zee ik haal het anker uit de grond en ik Breng het weg onder water ver weg. Ik laat het los ik kom Bofen Zwem naar land, maar ik ging ach ter uit (door den stroom meegezogen) want een mensch is niet veel, met goed aan! Ik wierd weg ge trokken ik denk zoo 60 meter van de plaas waar ik het anker ge plaast had Uw kan Be grijpen wat een angste dat er Bij mij op kwaame. Ik zij zoo in mijn eigen: ,,moet ik zóó ver drinke.” Want ik zag niet anders dan de doot want ik was af ge marteld, ik lied mijn zakke om dat ik niet meer kon… Daar hep ik grond! Dan eens het hoofd uit de zee en dan weer er onder (bij het pogen om naar den wal te komen). Zoo Ben ik er uit ge worsteld maar de Heere had nog geen Be haagen in mij! Die heeft laate op merke dat Hij langkmoedig is voor de geene die Hem vrees ze, dus het was een Beproefing die ik nooit ver geete zal!”
Alvorens nu de verschillende reddingen waaraan Van der Plas heeft deelgenomen te laten volgen, nog één hachelijk moment bij het ankerzetten.
Eens gebeurde het, dat zij na het uitzetten van het eerste anker en weder naar zee teruggekeerd met het groote anker in de boot, in een ,,mui” terecht kwamen. Muien zijn zooals wellicht vele lezers reeds weten de beruchte draaikolken die voor vele onervaren of ongeoefende zwemmers in zee reeds noodlottig zijn geweest en ieder jaar opnieuw talrijke slachtoffers eischen.
De boot liep onmiddellijk vol en om het veege lijf te redden wierpen ze het anker en al wat los en vast was over boord; het hielp echter niet want de ,,mui” zoog de boot onder hen weg. In allerhaast waren ze bezig hun goed tot op de rood baaien broek toe uit te gooien toen een neef van een van Willem’s maats per paard aan kwam rijden langs het strand. Hij bemerkte den levensgevaarlijken toestand, waarin de mannen verkeerden. Hij stuurde vastberaden zijn paard zee in en zwom naar den draaikolk, waarin Willem en zijn maats, die inmiddels uit de boot gewipt waren, rondsloegen als ’n paar jonge honden.
De trek was zoo geweldig, dat man en paard om een van Willem z’n maats n.i. Pau de Haas die we later nog wel eens zullen ontmoeten werden heen gesleurd, deze riep ,,red Willem!” doch greep meteen veiligheidshalve de staart van het paard vast en kwam zoo veilig uit de mui.
Willem had er zich intusschen zelf al uit weten te werken.
Met paarden, die aan de zee gewoon zijn kan heel wat worden gedaan in het water. Vooral in den tijd der bommen zijn hiervan kranige staaltjes vertoond.
Een bekende persoonlijkheid was toen ook de ,,klijnhaalder”; dat was de man, die op een paard gezeten de naar het strand komende bommen tegemoet ging om een klijn (= soort anker) van boord aan te nemen en naar den wal te brengen.
Zooals van zelf spreekt, was dit ook de overbrenger der eerste berichten van de wal naar het schip en omgekeerd.
 

Reddingen van Willem v. d. Plas verricht
De eerste redding had plaats binnenslands in 1868. Toen was Willem, zooals wij ons misschien nog wel herinneren, aangemonsterd op de ,,Kroonprins der Nederlanden” kapitein Zettelen voor een reis naar Indië.
Hij was de eerste van de matrozen aan boord en had al een nacht aan boord geslapen, toen er  ’s morgens een jongen uit Den Haag aan boord kwam. Zijn naam heeft Willem nooit geweten.
De opperstuurman voorzag hen beide van werk; de jongen moest de boot schoon gaan maken die buiten boord lag. Hij kwam toen naar Willem toe en zei dat hij geen laarzen bij de hand had.
,,Toen zeg ik”, aldus Willem, trek mijn laarzen dan maar aan”.
,,De jongen gaat met puts en kwast de statietrap af. Na een poos, denk ik bij mezelven, ik ga eens kijken of hij nog niet klaar is. Ik loop van de groote mast naar de verschansing en ik kom nog juist op tijd om hem achter op de boot te zien staan en hem zoo voorover in het water te zien vallen. Hij ging direct naar den grond. Ik kwam dus alsof ik geroepen was, want had ik niet juist over de verschansing gekeken, geen mensch had geweten waar die jongen gebleven was.
Ik spring hem na, maar ga vermoedelijk nog onder hem door. Ik kom weer boven en nu komt er een politieagent die mij in het water ziet liggen en mij toeroept: ,,hou je boven: ik kom dadelijk met de dreg!”
Ik schreeuw terug: ,,ben je màl, d’r ligt ’n jongen op den grond, om mij behoef je je niet te bekommeren”.
De agent kwam met de dreg en ik riep: ,,gooi mij de dreg toe”
Ik zwom met de dreg achter mij aan en kreeg zoo de jongen te pakken. Zij kwamen toen spoedig met een boot bij mij, met twee man er in. Alles ging gauw in zijn werk en terwijl men poogde de levensgeesten van den jongen op te wekken, nam Willem haastig een kop koffie in het koffiehuis waar de jongen was binnengedragen en spoedde zich daarna aan boord.
De sleepboot lag er al voor, en nadat ,,alle hands” aan boord waren, ook de jongen, voer men weg”. 1)
In Hellevoet werd de dokter geraadpleegd die adviseerde dat de jongen van boord moest. Hij moest naar huis en Willem heeft zijn naam nooit geweten. Wel is hij door de politie opgeschreven, maar hij heeft er nooit meer iets van gehoord.
1) De jongen kikkerde echter niet gauw op; Willem zegt, hij bleef maar slapen”.

 De tweede redding verrichtte Willem bij Scheveningen. Hij was daar met een bom aangekomen en de haring was gelost. Toen hij daarna nog wat aan boord vertoefden zag hij dat een andere bom van het strand zou afvaren. Deze bom stond reeds op de zandbank, die door een diepe geul van het strand gescheiden was en kon, doordat de wind steeds meer opstak, niet goed daar van vrij komen.
Ten laatste verdaagde hij in een anker d.w.z. een op die bank liggend anker staken de armen door den bodem van den bom heen. Deze maakte water en stond in een half uur onder.
De mannen, 9 à 10 in getal, scholen samen op het hoogste plekje van den gezonken bom. Het was evenwel geen gemakkelijk karweitje om hen van de bom af te halen. De zeelieden die aan den wal waren overlegden hoe de zaak aan te pakken. Natuurlijk was ook Willem van de partij.
Men besloot hen met een roeiboot te gaan redden. Willem was hierbij slechts toeschouwer, doch zag dat het verkeerd zou gaan.
Zij hielden achter en voor in de boot een lijn vast, die van den wal naar de bom liep. Wanneer nu de boot overbevolkt terug kwam en ze bleven achter en voor de lijn vasthouden, dan bestond er groote kans, dat door de felle stroom evenwijdig met de kust de boot om zou slaan.
Hij waarschuwde, dat als straks de boot vol menschen van de bom zou terugkeeren en zij hielden het touw op die manier vast, de boot om zou slaan. Maar blijkbaar waren de Scheveningers niet gediend van den raad van een onbekende: althans Willem zegt,
,,toen kreeg ik nog een standje.”
Wanneer de roeiboot bij de bom was gekomen, gaan alle opvarenden er in. Doch nauwelijks zijn ze in de geul die de bank van de strand scheidt, of de boot slaat om met ,,alle hens” er in ,,daar dreefe die menschen voor die Bomme (die op strand stonden langs) door die geul heen op hun als goed als een ton, daar kon geen redding aangevangen worde, maar om dat de  wind streeken op het land waijde kwaame zij zo sagjes nader Bij ik denk zoo inmijn eigen ik zal een te rak ke neeme ik waagde ook mijn lefen en wie was het (?) een Katwijker Huig de jong zijn vrouw die leeft hier op Kat wijk daar kan uw dat nog vernemen maar hij is al lang over leden.”
Met deze weinige woorden bewijst Willem zijn zich onvervaard in zee begeven om tenminste een van de drenkelingen uit de omgeslagen boot op het droge te brengen. En als hij den drenkeling grijpt blijkt het een goede bekende van hem te zijn.
De volgende redding deed Willem toen hij kleine reisjes ter houtvaart deed. Op een Zaterdag was hij thuis en ging ondergewoonte naar de buitenkant (de tegenwoordige boulevard) om wat op te frisschen en het nieuws te vernemen.
Het was een ,,hooge wind” (d.w.z. een lagerwals-wind) of om het nog duidelijker voor buitenstaanders te zeggen, de wind woei van uit zee naar den wal), met een beetje onstuimige zee.
Er is een schip in ’t zich dat al nader en nader komt: ten laatste zóó dicht bij de kust dat de commissie (van de Noord en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij) bevel geeft de reddingboot klaar te maken.
Nauwelijks hebben we hem klaar gemaakt, zegt Willem, of er wordt order gegeven in zee te steken.
Wij komen, na door de branding heen te zijn geroeid, bij het schip en vragen of de kapitein ,,aszestenzie” moet hebben ,,Nee” was het antwoord omdat het niet noodig was om te stranden. Het bleek een Noorman te zijn.
Het schip gaat weer aan zee liggen (zeewaarts aan) en wij maken ons weer klaar om terug te roeien. Ik kijk nog even om, omdat hij op een bank gestooten was en ik roep den kapitein in ’t Engelsch toe: ,,daar gaat uw looze kiel! “
Toen durfde hij niet meer in zee te gaan.
De kapitein haalde het roer over en liep zoo voor de wind op het land aan. Er stond wel wat zee (1) en toen het schip strande zou gelaste de kapitein dat het want zou worden gekapt, waarop de masten over boord vielen. Het schip strandde ongeveer recht voor den welbekende thans uitgedoofden vuurtoren.
Toen het eenmaal zat, zijn wij er met de reddingboot heen gegaan en hebben er de equipage afgehaald, te weten kaptein, stuurman, 5 matrozen een kok en een juffrouw. Het schip was geladen met hout. We hebben het gelost en intusschen was het in het Nieuwdiep aangekocht, waarheen ik het heb helpen brengen.
De laatste verhaalde redding van Van der Plas was er een waaraan door meerdere personen werd deelgenomen. De vierde redding evenwel komt weer geheel voor persoonlijke rekening van onzen Willem. Hoor! hoe hij vertelt.
Op een keer in augustus kwam er een haringbom aan ’t strand die wij als ankerzetters moesten bedienen. Wij hadden er wat in gewerkt en waren daar mee gereed gekomen en vervolgens naar huis gegaan om schoon goed aan te trekken. Na een poos, het was ongeveer negen uur ’s morgens denk ik, ik ga eens kijken hoe het met die bom staat want er was een stijve bries. Op ’t strand aangekomen zag ik geen mensch. Doch wat een geluk dat ik gegaan was want bij de bom gekomen zag ik onder de ankertouwen iets bewegen.
Ik denk bij me zelf: ,,is er daar een aan het ,,Baje?” (baden). Ja, zoowaar. Een dame: doch er liep een harde stroom en ik zag haar achterover liggen en zich aan de ankertouwen vasthouden ,,dan erris boven en erris onder”
Ik denk: ,,dat gaat niet goed met u en geen mensch bij de hand”. Ik ga te water met mijn goed aan, ik help haar van het touw – het was nogal diep – ik breng haar aan land, zij gaat naar de ,,Batkoes”, (Stijl van Willem).
Ik denk; ,,zou ze er niet uitkoome? Ik hep staan wachte een half uur toen ben ik naar huis gegaan en droog goed genomen. Ik hep van die daame nies (lees: nooit meer) gehoort, maar gaan ik niet kijken naar de schuit dan moet ze zoo verdrinken aan die touwe”.
Willem vermoedt dan dat zij hem niet heeft willen aanspreken uit vrees een belooning te moeten geven waartoe zij wellicht niet bij machte was. Er zijn natuurlijk nog honderd andere veronderstellingen mogelijk, maar het is meer dan dunnetjes dat men den persoon waaraan men het behoud van zijn leven te danken heeft, geen teeken van erkentelijkheid waard acht.

Op zekeren nacht kwamen er bommen aan het strand van de haringvisscherij. Het weer was zeer ongunstig; stijve bries, de zee ruw, en donker. Dit veroorzaakte dat de bommen op elkander kwamen en vol water liepen. Men hoorde het hulpgeroep !
De reddingboot werd klaar gemaakt en te water gebracht, maar er waren er velen, die bezwaar maakten, mee te gaan. ,,Je zal verward raken in al die touwen” zeiden ze. Hiermede werden voornamelijk de ankerkabels van de aan het strand staande bommen bedoeld en inderdaad in de aardedonker en bij felle stroom is het dan niet benijdenswaardig om met een kleine open boot in de branding te opereeren.
Doch Willem zei ,,We kennen toch erris passen!” maar hòe hij ook redeneerde, hij kon op dat moment geen meeleggers genoeg krijgen om een poging te wagen.
Toen daarna het water ging vallen en er geen direct gevaar meer dreigde, ging de een na de ander weg en heeft Willem den ganschen nacht op de te water liggende reddingboot moeten passen. Dat heb ik ook meegemaakt zegt Willem en hij kon daarvan vertellen op een wijze waarop een oudstrijder een geleden nederlaag zou memoreeren. Toen het water voldoende gevallen was zijn de opvarenden der beide bommen met paarden gered.
Doch spoedig kwam een nieuwe gelegenheid om weer ,,koraazie” te toonen.
Op een nacht was er een Scheveninger logger gestrand, een eindje benoorden de Uitwatering te Katwijk. Daarbij moest de reddingboot worden gebruikt om de dertien opvarenden er af te halen. Het was stormweer en het kostte veel moeite, om door de branding heen te komen. Maar ten slotte is het toch gelukt en zijn allen behouden aan land gebracht.
Toen wij er bij kwamen stond de ,,inkompazie” al klaar om in de reddingboot te springen. Wij zeiden toen ,,haal eerst je goed maar voor den dag want je hebt direct nog geen nood” Toen dat klaar was kwam alles in de boot en zoo naar land. Maar het duurde geen halfuur of het schip stond onder water.
(1) Als Willem dit zegt moeten we bedenken dat de maatstaf waarmede hij als man van ervaring meet een andere is dan die van een leek.

 Het schip is daarna voor den sloop verkocht.
Eenige jaren geleden staken nog een stuk van den steven en ook gedeelten van een rij spanten, een eind boven het zand uit en waren duidelijk te zien.
Het schip was tijdens mist en stormachtig weer (wat op onze kust in tegenstelling met de Noord-Amerikaansche gelukkig heel zelden voorkomt) gestrand.
Nu gaat Willem iets vertellen dat niet goed gegaan is, zegt hij. Op een keer kwam er een schip in ’t zich, dat steeds dichter bij de kust kwam.
De reddingboot werd in orde gebracht maar omdat het een onstuimige zee was hebben wij gewacht tot het schip strandde; dat gebeurde te Noordwijk aan Zee des avonds te zeven uren. Het schip was dus Katwijk voorbij gedreven. Toen zijn we er toch met de reddingboot naar toe gegaan. Wij konden wegens de hooge zee niet verder dan tot op ongeveer honderd pas afstand het schip naderen en schreeuwden toen, maar kregen geen antwoord. Door de zee moesten wij toen weer landen en de boot op den wagen plaatsen, omdat wij het beter achtten van een anderen kant uit een poging te wagen om het schip te naderen.
Toen de heele boel klaar was, om de poging te ondernemen gingen vier man uit de reddingboot die hadden geen zin meer. Doch wij hebben toch maar doorgezet en roeiden wat het kon om er maar bij te komen en niet vruchtloos en ongetroost (Willems eigen woorden maar vermoedelijk dacht hij hierbij meer in de richting van onbevredigd) terug te keeren.
Maar toen wij voortdurend door de hooge zeeën teruggegooid werden, zagen we toch in dat het hopeloos was. Wij hebben toen nog met z’n allen geschreeuwd maar kregen geen antwoord. Het schip was verlaten: het was een Engelschman geladen met guano van de ,,rienties-ijlanden (Chili-eilanden?)
Wanneer we eindelijk weer terug zijn te Katwijk is Willem niet tevreden met den afloop. Hij besloot daarom zelf een poging te wagen met de garnalenschuit, (zooals er nu nog in de Uitwatering te Katwijk liggen) die toen zijn eigendom was. Eén man had hij vast in dienst en hij probeerde er nog drie bij te krijgen, hetgeen gelukte.
Zoo alles klaar gemaakt en de Watering uit. Dat ging alles goed en met gunstigen wind ging het binnen de banken door de Noord in.
Ter hoogte van het schip gekomen moet achter de bank overgestoken worden. Wij komen op de bank en daar rijst de zee, dat alles door elkaar gegooid wordt!
Het gelukte niet er over te komen. Daardoor hebben wij er den heelen nacht door moeten brengen. We waren er bijna over. Was het ons gelukt, dan waren we er het eerste opgeweest en zouden we van de strandvonderij vondersloon hebben kunnen eischen hetgeen voor zulk een rijk geladen schip geen klein beetje zou geweest zijn.
Eens stond ik ’s nachts bij stormweer op den kant van de Uitwatering. De zee was hoog en de garnalenbooten zijn dien nacht door elkaar heengeslagen.
Mijn broer en ik gingen ’s nachts om 2 uur naar huis. Toen we op de duinen liepen zag ik dat plotseling een vuurpijl afgeschoten werd. Ik zeide: ik geloof dat er een schip gestrand is, want ik zie vuurpijlen afschieten.”
M’n broer had het echter niet gezien. Ik zei ,,nu ik ga toch de commissie waarschuwen” (van de Noord-Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij) De heeren zijn toen in de ,,redschuur” gekomen (dat is de schuur bezuiden de oude Kerk waarin nog steeds de reddingboot aan de Boulevard geborgen wordt) en alles werd gereed gemaakt.
Met de wagen waarop de boot stond was het niet mogelijk langs het strand te gaan, want de zee stond tegen de duinen aan. Pas toen het water tegen den ochtend een stuk gevallen was, konden wij gaan. En toen ging alles nog met veel moeite. Het schip lag heelemaal bij Scheveningen; daar hadden ze het echter pas te zeven uren gezien.
Toen wij er kwamen hadden ze juist een lijn op het schip dus dat was nogal gemakkelijk. Wij hebben ook nog pogingen gedaan om te redden, maar het was niet direct noodig om het schip te verlaten. Toch hebben we nog hulp moeten verleenen bij het uitbrengen van ankers om te voorkomen dat het schip bij de opkomende vloed nog hooger op het strand zou slaan.
Zoo hebben wij vroeger de groote vaart moeten helpen.
,,maar daar ver diende wij toen wel een sentje aan uw Kan wel denke dat gaat het goed want als een kaptein in noodt zit die oogen Blik ke, dan ziet hij op geen aapje”

Op een keer moest de reddingboot in zee voor oefening zooals dat nu ook nog eenige malen per jaar gebeurt. Het behoeft geen betoog dat men daarvoor de goede gelegenheid afwacht, die in dit geval bestaat uit een onstuimige zee.
Zoo was het ook de bewuste keer elke Willem bedoelt: slecht weer en een hooge zee. Luister!
,,wij koome over de Banke, alles is goed wij gaan te rug wij koome weer op de Banke daar neemt de Zee ons dat het achterste van de Boot onder water gaat en Zoo over ons alle heen daar Bleefe er onder (onder de omgeslagen reddingboot zitten, wel te verstaan) en hier en daar een in de golfen en ik kwam 20 meter in zee Bofen van de boot af. Buis van Velzen die kwam Bij mij Bofen uit de golfen die greep mij vast. Ik zij tegen hem ginter ligt de Boot gaat daar na toe. Uw Kan Be grijpe dat het een tooneel was zij zaten alle gaar op de onderste Boofen de reddingBoot (de ondersteboven liggende) Ik Ben aan wal koome zwemme en hijn plas die in het ouwe manne huis is. Dat is mijn neef dus uw Kan over neeme oe veel of er stonge te kijke. Katwijk liep uit die andere lui die zijn daar ziek van geworde arie van duin, maart haazze noot en zuider duin. Maar ik gelukkig heb er nies van ver noome, dus het was die oogen Blikke een toe stand.
Het was op een Zaterdagmorgen in 1885 toen strandde er een schip drie (kilometer) palen benoorden Noordwijk. Het was een Engelschman geladen met koolteerpek. Toen kwam er bericht naar Katwijk dat ze de menschen niet konden redden.Pau de Haas
Ik hoorde dat en ik ging er dadelijk op uit om volk te zoeken. Want ik had toen een garnalenschuit van mezelf in de Watering liggen.
Behalve iemand die ik altijd vast aan boord had gingen mee: Gerrit Rijnsent, Hein Messemaker en Gerrit van Piet guijt en Pau de Haas nie te vergeten die al veel met Willem samen meegemaakt heeft. Het is een op ’t oogenblik een goede 70 jarige oude zeebonk *) die al heel wat menschenlevens gered heeft.
*) inmiddels is hij overleden.

SLOT
Hij was van jongs af aan zeeman, werd op jeugdigen leeftijd schipper op een bom doch later een compagnon ankerzetter van Van der Plas. Tevens was hij 35 jaar lang lid van de bemanning der reddingboot. Doch we keerden terug tot de tocht, die Willem niet gauw zal vergeten.
We maken haastig alles gereed om naar het schip te gaan. Wij varen uit de watering met een goede wind en een stijve bries.
Wij komen bij het ,,warak” de zee liep er overheen, doch de schipbreukelingen waren er reeds afgehaald door de Noordwijksche reddingboot. We konden niet op het wrak komen wegens de branding. Omdat wij niet geheel onverrichter zake terug wilden keeren hebben we gewacht tot het water wat gevallen was. Toen ben ik er op gegaan om wat zeilen, touwwerk en blokken te bergen. Dat gedaan hebbende, werd de terugreis weer aanvaard. Het was in de maand November dus werd het vroeg donker. We verlieten het wrak met een Zuiden wind, een zwak briesje een dizzelige lucht. Dizzelig is heiig, dit woord komt ook in de oude zeeverhalen voor.
Wij moeten nog even met Van der Plas en zijn vier metgezellen den terugtocht van het voor Noordwijk liggende wrak meemaken op de garnalenboot van Van der Plas.
Hij verhaalt:
Wij kwamen niet verder dan halfweg Katwijk en Noordwijk, toen kwam de vloed in ’t water en moest het anker worden gepresenteerd. Er was niets te zien en we gingen een bakje koffie drinken.
Toen ik na ’n uurtje weer aan dek kwam schrok in van de zee, zoo hoog als die ging!
Ik riep: ,,Menschen kom erris kijken, ik weet niet wat er in de zee zit, maar het ziet er slecht voor ons uit!”
Inderdaad, het zag er slecht uit, want die deining beteekende een even plotseling toenemen van de branding aan de kust, die ze niet ontwijken konden, omdat de Uitwatering te Katwijk slechts een paar steenen hoofden, doch geen pieren in zee heeft liggen.
Goeden raad was duur; de een zei ik wil zien, dat we wat op de ruimte komen (d.w.z. zee ingaan), doch die plotselinge deining voorspelde niet veel goeds. Het kon binnen korten tijd reeds gaan stormen. Daar kon de kleine garnalenschuit niet tegen, evenmin als tegen de branding.
De ander zei, ik wil IJmuiden maar zien te halen, doch ook dat was een noodsprong met weinig kans op succes.”
,,Toen zei ik, zegt Willem, ,,al die plannen, die gij zegt zijn vreug te loos.” (lees: nutteloos).
Toen kwam de derde man en zei ,,Willem ik wil zien offe wij aan land kunne kome. Toen zei ik ons lefen is er mee gemoeid; we waren het eens, dat we maar moed moesten houden. Toen zei ik: ,,Gerrit geef mij de kruik olie en Hein en Gerrit nu samen op de riemen als het anker op ge haalt is en Gerrit aan de pomp, daar gaat het naar de wal toe -, de eerste zee toen ne wij aan de Bank kwaame, die viel over ons alle heen en ik stortte maar olie, toen kwaamen wij op de Banke; daar rijst de zee een huis hoog. Ik zei zoo in mijn ijgen: ,,ons lot is Beslist die liep over de Boot heen, maar Ge luk kig bleef hij ( de boot) regt gaan, daar kome we Bij de 2de Bank, daar  rijst weer een zee, ik denk: ,,nou is het met ons Ge daan, maar daar valt hij (de zee, brak) om zoo ongeveer 2 meeter achter de Boot, toen zij ik in mijn eigen God dank, toen viele we in een diepte (golfdal), daar koome wij aan de laatste Bank, daar bleef de Boot op de zee (golf) zitte en zoo in de helmme, uw kan over neeme wat angste dat wij heb Be uit ge staan, dus de Heere die heeft in ons (onzen dood) geen Be hoag en ge had, want Toen ik zoo in zee keek toen zei ik: ,,als nu het grootste schip strande dan kwam er geen een af (geen één schipbreukeling) en wij met zoo’n klijn vaartuig aan land ge koome, want wij gafen elkander de hand datte wij door die woeste zee Be houwde ware.”

Op een morgen kwam er een boot in ’t zicht. Tegen de verwachting in , kwam deze al dichter en dichter voor de kust en eindelijk begon er gevaar van stranden te bestaan.
De zee was hemelhoog en het strand konden we niet langs; toen moest er ,,ravage” gezocht worden. We zijn toen met de boot op den wagen binnendoor naar Wassenaar gegaan, want daar zouden we n.l. bij het eind van het Wassenaarsche Slag dichter bij de plaats van stranding zijn. Toch moesten we de reddingboot nog over de duinen heensjouwen.
We zijn met de boot naar zee gegaan en hebben de equipage gered. Het bleek het s.s. ,,Venus” te zijn en was gestrand omdat het, de machine defect zijnde, de ankers had verloren.
Dit was de laatste redding waaraan Van der Plas heeft deelgenomen. Als ik me niet vergis strandde de ,,Venus” in den winter van 1906. Hij was dus toen 67 jaar.
En hiermede zijn we aan het eind van Willem’s verhalen gekomen. Thans past ons wel een eersaluut voor dien man, wiens graf nu aan de Zuidzijde van het kerkhof te Katwijk ligt. Op zijn grafzerk zou kunnen staan:

,,HIJ WAS EEN MAN,”
 
En ieder zeevarende zal er direct aan toevoegen: ,,En hij was een zeeman”. Op zijn 9de jaar begon hij de zee te bevaren, reeds de 80 gepasseerd zijnde, vaart hij nog, alleen vergezeld van een halfwas jongen, met zijn vlet ter garnalenvangst. (Men meene niet, dat de nood hem daartoe dwong. Van der Plas verkeerde in tamelijk goeden doen.)
Aan de zee, waarmee hij zoo dikwijls op leven en dood heeft geworsteld en die thans nog haar geruisch over zijn graf doet hooren, is het niet gelukt hem voor altijd in haar golven te verzwelgen.
Het lied: ,,Ruwe stormen mogen woeden”, Gez 58 : 7, door familie en belangstellenden aan zijn groeve gezongen, was zeer juist gekozen.
Zoolang een volk zulke zonen heeft kan het niet ten gronde gaan. Van het Hollandsche volk zeide eens luitenant t.z. Koolemans Beynen, dat men er nog alle karaktereigenschappen der zeevarende voorvaderen in aantreft, waardoor Holland werd wat het nu nog is: ,,de grootste onder de kleine natiën”
Laat ons dan de ontwikkeling dezer eigenschappen verder bevorderen!

De scheepsramp te Noordwijk-aan-Zee (1919)

Leidsch Dagblad 13-12-1919)

In den vroegen ochtend van 24 November j.l. is met buitengewoon onstuimige zee benoorden van Noordwijk-aa-Zee het zeilvisschersvaartuig ,,Noordzee V” (,,K.W. 47″) gestrand. Niet ver van den logger meer verwijderd, sloeg de reddingboot, die ter redding van de schipbreukelingen was uitgevaren, plotseling om, met het noodlottig gevolg, dat drie der inzittenden, J. Kramer, L. Hellenberg en H. Vink, verdronken. Nadat de reddingboot weer gereed was gemaakt, werd zij met vrijwilligers bemand, om een tweede poging tot redding te ondernemen. Thans gelukte het een aantal opvarenden van de ,,K.W. 47″ te redden. De inmiddels uit Katwijk-aan-Zee aangekomen reddingboot haalde van de ,,K.W. 47” het lijk van een der opvarenden, A Hellenberg, die levenloos met het hoofd naar beneden in den mast hing.

De zeeramp bij Noordwijk (1919)

Leidsch Dagblad 25-11-1919

Uit Noordwijk-aan-Zee schrijft men ons:

De Logger “K.W. 47”, schipper J. Ros was zondagnacht met een lading van 21 last haring op weg naar IJmuiden en koerste eenige uren na middernacht ongeveer voor Noordwijk.

Eensterke bries, welke nu en dan tot een storm aanwakkerde, stond bijna recht op de kust en deed de zee hol staan, terwijl het nevelige weer verhinderde de seinlichten der vuurtorens te zien. Door een en ander schijnt men den koers te zijn kwijtgeraakt en juist toen de bemanning zich door peilen op de hoogte wilde stellen, waar het schip zich bevond, gebeurde reeds wat men vreesde en liep het vaartuig met den voorsteven in den grond,

Door het onmiddellijk kappen der zeilen wisten de zeelui hun schip voor omslaan te behoeden, doch toen moesten zij een goed heenkomen zoeken in het want en de masten, want er gingen zulke hooge zeeën over het dek, dat het gevaarlijk was om daar te blijven.

De volslagen duisternis belette den schipbreukelingen om te zien waar men zich bevond, en dus kon de bemanning niet anders doen als in het want den morgen af te wachten, die hun misschien redding zou brengen. Daar hebben zijn van ongeveer vier uren gezeten, terwijl de koude wind hun bijna belette zich aan touwen en masten vast te houden. Een van hen, de matroos A. Hellenberg, van Katwijk, sloeg van uitputting achterover en bleef met het hoofd naar beneden in het want hangen. Zoo is hij gestorven, nog voordat redding kwam opdagen.

Omtrent deze zeeramp, en haar voor de gemeente Noordwijk en Katwijk droevige gevolgen, vernamen wij bij ons bezoek op de plaats des onheils van eenige der mannen, die aan de redding der schipbreukelingen van de “K.W. 47” hebben medegewerkt nog een en ander, dat wij hier weergeven.

Het wakend oog van de mannen van het reddingswezen, onder leiding van den kapitein van de Noordwijksche reddingboot, den 49-jarigen Jan van Kan, bespeurde te kwart over vijven in den morgen ongeveer, dat er een vaartuig in nood was ruim 2 K.M. van het strand.

De wakkere mannen hadden spoedig de reddingboot te water gebracht. Zij was bemand met Jan v. Kan, kapitein; dirk Admiraal, bootsman; Jan Cramer, Hendrik vink, L. Hellenberg, twee zoons van den kapitein, Jan en Arie van Kan, de gebroeders Nico en Willem van Beelen; Arie Duyndam en C. den Hollander, in het geheel elf personen dus.

De wind was bijzonder krachtig en er stond een geweldig hooge zee. De bemanning zag, toen zij even voor zevenen door de felle branding heen naar het in nood verkeerend schip begaven, dat de toestand der opvarenden kritiek was. Het wrak ging meer en meer naar de diepte en de bemanning bevond zich in den mast, waaraan zij zich met vertwijfeling vast klampte. Nadat de boot door de branding was heengebracht, liet men zich naar het wrak afdrijven. Van Kan gaf zijn orders, die prompt werden uitgevoerd. De bemanning der boot hield zich kranig. Met verdubbelde inspanning ging men vooruit, men naderde immers meer en meer het doel van den moeilijken tocht: de redding der manschappen van den zinkenden logger. Aan eigen levensgevaar werd niet gedacht.

Van Kan riep de bemanning van den logger toe, dat zij zich kalm moest houden, de lijn zou hun worden toegeworpen, de redding was nabij.

Op het moment echter, dat de bootsman Admiraal de dreg uitwierp, kwam midden in een felle windvlaag een hooge grondzee op en wierp zich tegen de reddingboot, waardoor deze omsloeg. Het uitzicht op redding der schipbreukelingen was wreed verstoord en de ongelukkige manschappen in den mast zagen hun redders angstig worstelen met de onstuimige golven. Allen lagen onder de boot. Van Kan Sr. Kwam het eerst boven en riep den anderen toe moed te houden. Toen kwam er weer een hooge golfslag, die de boot weer deed omslaan, zoodat alle mannen boven kwamen. De oude Jan riep: “Jongens, allen met den stroom mee zwemmen !” En zij zwommen zwijgend voort. Af en toe sprak de kapitein den mannen moed in, ook al voelde hij zijn krachten afnemen. Deze begaven hem bijna, en zijn zoon Arie die het bemerkte, zeide om den moed te versterken: “ Ik voel al grond !” wat niet zoo was, want men was nog wel 200M. van den wal. Deze uitroep miste echter niet zijn uitwerking.

Eindelijk kreeg men werkelijk vasten grond onder de voeten en stonden de mannen vermoeid en verkleumd bij elkaar. Er werd appel gehouden en al spoedig stond men voor de ontzettende waarheid dat er drie mannen ontbraken.

De namen dezer verongelukten zijn: L. Hellenberg, gehuwd en vader van 1 kind, J. Cramer, gehuwd en vader van 5 kinderen, H. vink, gehuwd en vader van 1 kind. Men vond er spoedig twee van terug. Het waren Cramer en Hellenberg, die met de drijvende boot kwamen aangespoeld. Allen meenden, dat zij nog leefden, en het eerste werk was de levensgeesten weder op te wekken. Kranige menschen toch, die, na zelf met den dood geworsteld te hebben en doodelijk vermoeid zijnde, alles nog aanwendden om hun makkers weder tot het leven terug te roepen ! Het mocht echter niet baten. Even later vond men ook het lijk van Vink. Met zag onmiddellijk, dat diens levensgeesten waren geweken.

Uit de gezwollenheid van sommige ledematen der dooden meent men te moeten opmaken dat zij bij het omslaan door de boot getroffen zijn en daardoor eerder dan hun makkers den strijd om het leven hebben moeten opgeven.

Men mocht echter om de dooden de levenden, die daar ginds in den mast van het wrak met vertwijfeling wachtten, niet vergeten.

De zorg van die dooden werd overgelaten aan de menschen, die uit het dorpwaren gekomen, en Jan van Kan vroeg vrijwilligers, ten einde met hem nogmaals een kans tot redding te wagen. En er kwamen zich opgeven meer dan er noodig waren.

De mannen die met hem den tweede moeilijken tocht aanvaardden, mogen niet onvermeld blijven. Het waren Simon Verloop, Piet Duyndam, de agent van politie Boon, jhr.Greven, Engel van Rooyen, Jacob van Duyn en J. van Konijnenburg.

Het gelukte aan dit moedig zevental de bemanning te redden: een hunner kwam niet uit de mast. Hij bleek reeds bezweken te zijn. Deze werd later door de Katwijksche reddingboot uit de mast gehaald.

Onder de bemanning waren ook een paar knapen, die angstig riepen “Redt ons, Wij kunnen niet zwemmen !” De oude Van Kan vertelde ons, dat hij het genoegen had gesmaakt, deze joggies te redden en in de boot tusschen zijn knieen vast te houden. De uitgeputte visschers werden vriendelijk door de bevolking ontvangen, van droge kleeren voorzien en onthaald.

Maar onder de vreugde over de redding mengde zich droefenis en verslagenheid om den tragischen dood van drie oppassende huisvaders, die zijn gevallen als slachtoffers van hun moeilijken plicht. Het geheele dorp is er vol van.

Onder de velen, die uit de verte het reddingwerk aanschouwden, was ook de burgemeester jhr. Van Panhuys, die met vele anderen de nagelaten betrekkingen met raad en daad bijstond. Ook de Raad van Commissarissen van de N.-Z. Holl. Redding-maatschappij kwam in den loop van den dag in het dorp.

Allen prezen hooglijk de kranige houding van de bemanning der reddingboot, in het bijzonder van den ouden Van Kan.

En deze zelf deed gisterenmiddag alsof er niets gebeurd was en was zoo monter, dat hij ongetwijfeld onmiddellijk weer ter redding zou zijn getogen, als het noodig was gebleken.

Voor zoover de Rijkszee-ongevallenwet en de N. Z.-H.-Reddingmaatschappij niet volledig voor de zorg der nagelaten betrekkingen van de overleden redders kunnen zorgen, zal zeker de particuliere weldadigheidszin zich niet onbetuigd laten.

Men zou zich daarvoor kunnen wenden tot den burgemeester jhr. W. C. van Panhuys. Hoe spoedig zich de mare van de schipbreuk en de redding heeft verspreid, blijkt uit het feit dat de heer Van Kan reeds een telegram van gelukwensen uit Londen ontving van den heer Rahusen en met dit telegram nog vele andere van heinde en ver.

Reddingstocht naar vliegtuig dat hulp nodig had (1919)

Krachtige hulp van Katwijksche vrouwen

Op den 29 sten september 1919 streek een watervliegtuig neer in zee voor paal 89, drie kilometer uit de kust.

Er werden vier vuurpijlen door dit vliegtuig opgelaten. Dit werd te 3.40 uur gemeld door den heer Hartz, kunstschilder te Noordwijk. Dankzij de hulp van vele vrouwen en mannen in den omtrek van de reddingloods wonend was de boot reeds 3.54 zonder paarden naar het strand en in zee gebracht. Alles liep buitengewoon vlug van stapel. Door een tamelijk rollende zee roeide de bemanning vlug heen, en ongeveer 20 minuten na vertrokken te zijn was de boot bij het vliegtuig.

Daar de bemanning van het vliegtuig niet gemakkelijk in de boot kon komen, werd het vliegtuig op sleeptouw genomen en met de bemanning in de uitwatering van de Rijn geboegseerd. Het vliegtuig was gemerkt V-25, Commandant Luitenant ter zee F.J. Backer met twee passagiers. Te half drie te Veere opgestegen kreeg het vliegtoestel bij Katwijk een defect aan de machine zodat landen noodzakelijk was.

De boot was bemand als volgt; Klaas Hoek, als schipper, G. Hoek, H. Parlevliet, P. van Duivenbode, Bas Verdoes, R. van Dijk, G. Ketting, P. Ouwehand, D. van Duijn, C. Wiel, A. de Jong, Funke Kuper en S. Schoonenberg.

De hulp van de Katwijksche vrouwen wordt bijzonder op prijs gesteld. Haar was te danken dat met zulk een snelheid kon worden opgetreden.

De reddingsboot te Katwijk-aan-Zee omgeslagen (1909)

Leidsch Dagblad 11-11-1909

Gisternamiddag werd te Katwijk-aan-Zee de onlangs nieuwgebouwde reddingsboot beproefd. Er woei een krachtige bries uit het Noordwesten, zoodat er een flinke branding stond.

Het was een aardig gezicht het ranke vaartuigje, door vijf paar riemen voortgedreven, als een notedop op de golven te zien dansen. Nu en dan verdween het zelfs geheel in de laagte tusschen twee hooge golven, zoodat men er , op het strand staande, niets meer van zag.

Na ongeveer tien minuten was men door de hevigste branding heen en werd een weinig noordwaarts aangestuurd.

Tot zoo ver ging alles goed. Doch na, op ruim honderd meter afstand van de kust, gebeurde er iets vreselijks. Door een hooge golf kantelde het vaartuig en kwam het onderstboven te liggen.

Van het strand had men het ongeval waargenomen en kwam men toesnellen om zoo mogelijk hulp te bieden. Doch dit laatste was vooreerst onmogelijk. Want al had men ook de boot kunnen bereiken, dan nog had men niets kunnen uitrichten. Dat waren angstige oogenblikken!

Een gedeelte van de bemanning klauterde op de omgekeerde boot, een ander deel trachtte al zwemmende, door de branding heen, den wal te bereiken, waarbij de kurken zwemgordels hun goede diensten bewezen. Een man wiens zoon bij het ongeval betrokken was, rende te paard zee in om zijn zoon te hulp te komen.

Drie mannen werden echter nog vermist. Zij bevonden zich onder de boot. Het waren de stuurman H. v.d. Plas en de matrozen J. Meyvogel en W. Keus. Pogingen om de boot om te keeren mislukten zoolang deze nog niet op den grond rustte. Toen dit eindelijk gelukte, kwamen de twee laatstgenoemden er onder uit, doch de stuurman was geheel bewusteloos, men moest hem onder de boot vandaan halen en op ’t strand neerleggen. Men vreesde het ergste. Het mocht evenwel aan den inmiddels ontboden geneesheer dr. A.J. van Walsem gelukken na enkele pogingen de levensgeesten op te wekken. Zoodra de drenkeling teeken van leven gaf, droeg men hem bij dr. Van Walsem in huis, waar hij spoedig geheel bijkwam. Thans is zijn toestand redelijk wel, niettegenstaande hij veel pijn heeft. Men vermoedt, dat hij op het oogenblik dat de boot kantelde, ergens aan vast zat, zoodat hij niet midden onder de boot kon komen, waar Keus en Meyvogel zich bevonden.

Het mag een wonder heeten, dat alles nog zoo goed is afgeloopen. Gelukkig behooren dergelijke ongelukken tot de zeldzaamheden. Reeds ruim twintig jaren geleden sloeg hier ook de reddingsboot om, eveneens zonder verlies van menschenlevens.

Stranding te Wassenaar. (1907)

Leidsch Dagblad  21-02-1907

Men seint ons:

Hedenmorgen om 8 uur is vlak voor het Wassenaarsche slag de stoomboot “Venus” gestrand. Het schip was ongeladen, kwam van Hamburg en was bestemd voor Cardiff om kolen te laden. De “ Venus” was hedenmorgen om 6 uur voor Scheveningen gezien. Om tien uren kwam de Katwijksche reddingsboor, die binnendoor Katwijk-Binnen per voertuig was aangevoerd.

Voorts waren ook nog aanwezig de hoofdlieden van de Scheveningsche reddingsboot. De reddingsboot bracht 3 matrozen aan den wal, die per wagen naar Katwijk vervoerd werden om bericht te zenden aan de reederij, de zeven andere bleven op het schip.

Het schip zit zeer dicht op de kust en zal met laag water wel droog komen. De machine is defect geraakt.

Voor Scheveningen heeft men geprobeerd voor anker te gaan, doch het schip is van de ankers geslagen. Gelukkig zijn er geen menschenlevens te betreuren.

Om halfelf kwam Prins Hendrik met den burgemeester van Wassenaar per automobiel aan uit Den Haag en bezocht de strandingsplaats. Het schip zal waarschijnlijk niet meer af te brengen zijn.

Scheveningsche logger Sch. 302 (1903)

Leidsch Dagblad 09-02-1903

Katwijk. Hedenmorgen is alhier even voorbij de buitensluis gestrand de Scheveningsche logger Sch. 302 “Nijverheid III” van de reederij J. en P. de Mos. Het schip werd bij hoog water weldra over de bank geworpen en zinkt thans weg. Onmiddellijk werd om een sleepboot getelegrapheerd, die, thans aanwezig, het schip vermoedelijk niet vlot zal krijgen, zoodat allerwaarschijnlijkst het vaartuig verloren zal zijn. De bemanning werd gered door de Katwijksche reddingsboot, terwijl tuigage, lading enz. zooveel mogelijk door de strandvonderij met de Katwijksche booten in veiligheid worden gebracht. De schipper schijn vermoed te hebben in de nabijheid van den Waterweg IJmuiden te zijn geweest.