AlgemeenContactblad

 

Algemeen

 

De leden van de Speciaalclub Zang NZHU wonen verspreid over Nederland. Het clubblad is daarom een belangrijk middel om elkaar te informeren en ervaringen uit te wisselen. In het Contactblad vindt men verslagen van de door de Speciaalclub georganiseerde activiteiten en artikelen met betrekking tot het houden en fokken van zangkanaries, i.h.b. harzers, waterslagers en timbrado's.
Uitgangspunt is om drie keer per jaar een editie van het Contactblad uit te geven.

Op deze site is de laatste editie van het Contactblad integraal geplaatst.
Elders op deze site vindt men ook, op onderwerp gerubriceerde, artikelen uit vorige edities van het Contactblad.

De eindredactie en distributie van het Contactblad is in handen van:
Jaap Plokker
Hercules 86
2221 MD Katwijk

TOP

 

 

Laatst verschenen edities Contactblad

Hieronder vindt men de laatst verschenen edities van het clubblad van de Speciaalclub Zang NZHU, februari 2021, 37e jaargang, nr. 1 en mei 2021, 37e jaargang nr. 2.


 

 -0-

Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub Zang NZHU is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

Februari 2021, 37e jaargang, nr. 1

Inhoudsopgave 
Voorwoord
NZHU in Coronatijd
Palmolie en waterstofperoxide
Balans

-0-

Voorwoord

door Jaap Plokker                    

In ons Contactblad wordt de eerste editie van een jaargang in de regel voor een groot deel gevuld met een terugblik op de najaarsactiviteiten: de afluisterochtend en vooral de jaarlijkse clubkampioenschappen. In deze eerste aflevering van 2021 niets van dat alles. De coronapandemie had tot gevolg dat voor het eerst in het verenigingsbestaan er geen wedstrijd georganiseerd kon worden. Dit betekent ook dat we voor de illustraties in ons clubblad komend jaar moeten terugvallen op plaatjes uit de ‘oude doos’.
Geen afluisterochtend, geen clubkampioenschappen, maar hierbij wel de wintereditie van ons Contactblad. Dat gaat gewoon door. In deze aflevering een korte terugblik op de schamele, echter niet onbelangrijke, verenigingsactiviteiten in de afgelopen maanden. Verder wil ik de ervaringen die ik afgelopen jaren heb gehad met het gebruik van palmolie en waterstofperoxide met de leden delen.
Het grootste aantal pagina’s in dit clubblad is gereserveerd voor een gedegen onderbouwde verhandeling over de onbalans in het tijdens wedstrijden waarderen van de afzonderlijke toeren van het waterslagerlied. Al jaren klinkt het in de pauzes aan de bar en aan tafeltjes dat de klokkende waterslag te laag wordt gewaardeerd. Het zijn beweringen uit de losse pols, zonder dat dit met een goed onderbouwd bewijs wordt ondersteund, en om die reden worden dergelijke opmerkingen in de regel weggezet in de categorie ‘borrelpraat’. In het artikel ‘Balans’ worden de resultaten van een grondig onderzoek over dit onderwerp op basis van wedstrijdresultaten gepubliceerd. Belangrijk is natuurlijk dat het niet bij een artikel in het clubblad van de NZHU blijft, maar er ook actie wordt ondernomen om de waardering van de afzonderlijke waterslagertoeren meer met elkaar in balans te brengen.
Ik hoop dat jullie deze bijzondere tijden in goede gezondheid mogen doorkomen. Dat is verreweg het belangrijkste. En verder dat we een goed kweekseizoen mogen hebben en elkaar aan het eind van 2021 face to face mogen ontmoeten op de verenigingsactiviteiten en onze wedstrijd. Voor nu, veel leesplezier toegewenst met deze aflevering van ons clubblad.  

-0-

NZHU in coronatijd                                      

 

door Jaap Plokker
 

In de vorige editie van ons clubblad werd nog de hoop uitgesproken dat we begin januari 2021 onze jaarlijkse clubkampioenschappen zouden kunnen organiseren, maar inmiddels zijn de maatregelen om de coronapandemie onder controle te houden alleen strenger geworden.

Naast het kweken van waterslagers en japanse meeuwtjes, het telen van groente op een moestuin, heb ik sinds m’n pensionering me ook meer kunnen toeleggen op een oude liefde: het onderzoeken en schrijven over de lokale geschiedenis van Katwijk. Het laatste half jaar heb ik me uitgebreid verdiept in de militaire oorlogsgraven in Katwijk in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het onderzoek heb ik uren doorgebracht met het doornemen van de dag/nacht rapporten van de Katwijkse gemeentepolitie. Met de regelmaat van de klok werd daarin melding gemaakt van in spertijd aangehouden Katwijkers zonder ‘Ausweis’ om na 22.00 u. zich op straat te mogen vertonen. Mensen van buiten Katwijk die de laatste mogelijkheid om buiten spertijd te kunnen reizen hadden gemist, meldden zich op het politiebureau voor een nachtverblijf in een vrijstaande cel. De verslagen van de wacht lezende was nooit tot me doorgedrongen dat ook ik, weliswaar onder totaal andere omstandigheden, geconfronteerd zou worden met een avondklok die het mij verbiedt zonder ‘Ausweis’ na 21.00 u. op straat te zijn.

 

Winterslaap

Het afgelopen jaar zijn we geconfronteerd met omstandigheden waaraan tot een jaar geleden niemand ooit gedacht heeft dat we die zouden meemaken. 

Ook onze vereniging beleeft bizarre tijden. Het verenigingsleven staat sinds het voorjaar van 2020 nagenoeg stil. Toch is de NZHU niet volledig in ‘winterslaap’ gegaan. Er zijn pogingen ondernomen om ondanks alles toch een wedstrijd te organiseren. Het heeft niet zo mogen zijn. In november jl. hebben we voor de eerste maal een ledenvergadering via e-mail gehad.

Op 19 januari jl. is Michael van Vliet in Katwijk geweest en hebben diverse leden hun overtollige vogels aan hem kunnen overdragen. De coronavoorschriften in acht nemende verwisselden bijna.400 vogels, waterslagers, harzers, kleur- en postuurkanaries en tropische vogels, van eigenaar. Menigeen verliet opgelucht het clubgebouw van ‘De Kanarievogel’ in Katwijk, omdat men al enige maanden  de donkere wolk, dat men in coronatijd de overtollige vogels niet kwijt zouden kunnen raken, boven zich voelde hangen. Met nog zoveel, overbodige, vogels van kweekjaar 2020 in de hokken zou ook het broedseizoen 2021 heel anders worden dan men zich ervan had voorgesteld.  Gelukkig is deze situatie, met dank aan Michael van Vliet,  hen bespaard gebleven.

Foto. 4 december 2007, clubgebouw De Kanarievogel, Prins Hendrikkade, Katwijk. Voorafgaand aan de jaarvergadering werden meegenomen waterslagers afgeluisterd.
 

Wisseling van penningmeester

De jaarvergadering via e-mail heeft een aantal verenigingszaken m.b.t. heden en verleden geregeld. Als belangrijkste noem ik de wisseling van penningmeester. In de door het vertrek van Paul Schilte ontstane vacature is voorzien met de benoeming van Piet Hagenaars als ‘schatbewaarder’. Piet vervult nu zowel de functie van secretaris als die van penningmeester. Inmiddels hebben Paul en Piet alle formaliteiten met de bank afgerond, is de kas overgedragen en kan Piet alle penningmeesterstaken uitvoeren. Een woord van waardering voor zowel Paul als Piet voor de vlotte afwikkeling in deze bijzondere tijden is zeker op z’n plaats.

Het valt om den drommel niet mee om tegenwoordig leden te vinden die bestuurstaken op zich willen nemen. Enkele weken geleden kreeg ik weer een mailtje van een vereniging in de regio waarin werd aangegeven dat vanwege het niet kunnen vinden van opvolgers in het bestuur de vereniging genoodzaakt zag zich op te heffen. Daarom alle waardering voor Paul Schilte voor zijn inzet als bestuurslid en penningmeester in de afgelopen drie jaar en voor Piet Hagenaars voor zijn bereidheid de functie van penningmeester erbij te nemen. We hopen in meer ‘normale’ tijden hier in aanwezigheid van Paul, Piet en de leden nader op terug te kunnen komen.

Nieuwe leden
Ondanks, of wellicht beter dankzij, corona realiseer ik me steeds weer dat het houden en kweken van vogels me afleiding en ontspanning geven in een tijd waarin je geconfronteerd wordt met allerlei beperkingen. Ik ben niet de enige die ontspanning, afleiding en een andere tijdinvulling vindt in een hobby. In de krant heb ik al meermalen gelezen dat het de natuur ingaan en het spotten van vogels het laatste jaar steeds meer beoefenaars heeft gekregen. Hopelijk heeft dit ook z’n uitstraling naar de liefhebberij van het houden en fokken van vogels. Bemoedigend is dat de vereniging rond de jaarwisseling drie nieuwe leden mocht inschrijven: de in België woonachtige Norbert Deleu en verder Raafet Kerwie en Wally van Schooten. De twee laatstgenoemden hebben in het verleden als eens eerder vogels gehad, maar nu de draad weer opgepakt. We hopen natuurlijk dat ze zich in onze vereniging thuis zullen voelen en wanneer de gelegenheid daartoe zich weer voordoet aan de verenigingsactiviteiten zullen deelnemen.

Foto. 4 december 2007, clubgebouw De Kanarievogel, Prins Hendrikkade, Katwijk. Voorafgaand aan de jaarvergadering werden meegenomen waterslagers afgeluisterd. Achter vlnr. Jaap Scholte, Rob Bisschops, Tinus Teeuwen. Voor vlnr. André Hageman, Frans Christoffels, Henk Oudshoorn. 

Clubblad

Wie ook niet in ‘winterslaap is gegaan is de redactie van ons clubblad. Ondanks corona hebben jullie op geregelde tijden het clubblad mogen ontvangen en we hopen dat in het komend jaar te kunnen voortzetten.

Mogelijk dat het verplicht binnen blijven en het vermijden van wisselende sociale contacten ook een stimulans kan zijn om eens de tijd te nemen iets voor ons clubblad op papier te zetten. Ik kan me nl. niet voorstellen dat niemand ervaringen heeft die hij niet met medekwekers zou kunnen delen. ‘Ik kan niet schrijven’ is geen excuus, want de redactie weet van elk blaadje met losse aantekeningen nog wel een verhaal te fabriceren. Als deze vervelende coronatijd mag leiden tot meer inbreng van de leden in het clubblad, dan is dat eens te meer een bewijs dat elk nadeel toch een voordeel kan hebben.

-0-

Palmolie en waterstofperoxide

door Jaap Plokker

In het septembernummer van jaargang 2017 publiceerde Jaap Plokker twee artikelen over gezondheid en voeding van vogels: een verslag van een lezing door dierenarts Hedwig van der Horst en een verhandeling over het verstrekken van rode palmolie door het krachtvoer. Nu, drieënhalf jaar later, blikt Jaap terug.

De door mij geschreven artikelen ‘Op consult bij Hedwig van der Horst’ en ‘Palmolie’, die in ons clubblad van september 2017 verschenen, stonden niet los van elkaar. Op 15  mei 2017 bezocht ik een door de Eerste Voorburgse KanarievogelVereniging (EVKV) ‘De Kanarievogel georganiseerde en druk bezochte  lezing door dierenarts Hedwig van der Horst.  Even terzijde: deze vereniging was rond de jaarwisseling onlangs genoodzaakt zichzelf op te heffen vanwege het ontbreken van een bestuur; de zoveelste club die om deze reden ophoudt te bestaan. Tijdens voornoemde lezing brak Hedwig van der Horst o.m. een lans om rode, ongeraffineerde, palmolie aan het krachtvoer toe te voegen en het drinkwater van de vogels te ‘zuren’ met verdunde waterstofperoxide. Beide zouden er toe bijdragen dat de innerlijke weerstand van de vogels werd verhoogd.  De waterstofperoxide verminderde o.m. de kans op ongewenste bacteriële besmettingen; ongeraffineerde palmolie zit boordevol caroteen, in diverse varianten, waarmee het vogellichaam zelf het voor de weerstand belangrijke vitamine A aanmaakt. Men hoeft daardoor geen extra vitamine A te verstrekken en de kans op een overdosis vitamine A is daarom nihil. Door verder streng te selecteren op de gezondheid van de fokvogels zou de kweker hiermee werken aan een betere constitutie van zijn vogelbestand, waardoor er minder gebruik gemaakt zou  hoeven worden van de in omloop zijnde en veelvuldig door kwekers gehanteerde medicijnpotjes en ‘wondermiddeltjes’. 
Het gaat hier te ver om het verslag van de lezing nog eens dunnetjes over te doen. Degene die het artikel nog eens zou willen lezen kan terecht op de website van de vereniging. 1

Foto. 27 december 2007. Inkooien in de toenmalige wedstrijdlocatie, het ID College, locatie Katwijk. Vlnr. Piet Hagenaars, Marcel van Poppelen, Gerard van Zuijlen, Krien Onderwater, Ton Diepenhorst.

Gezondheidsdruk
Zangkanariekwekers hebben in de regel overbevolkte vogelverblijven, zeker na de broedperiode. Met zoveel vogels per m2  is er een permanente druk op de gezondheid van het vogelbestand: Het in aanraking komen met ontlasting van andere vogels, drinken van vervuild en besmet drinkwater; er is voor de vogels eigenlijk geen ontkomen aan. Veel kanariekwekers worden dan ook in de nazomer, de maanden augustus en september,  geconfronteerd met sterfte onder vnl. jonge vogels als gevolg van een besmetting met coccidiose en atoxoplasmose. Ook ik heb jarenlang preventief met Esb3 of Baycox gekuurd om coccidiose tegen te gaan en moest daarenboven regelmatig extra kuren in de zomer. Herhaaldelijk heb ik in de zomermaanden jonge vogels moeten afmaken terwijl ze met hersenverschijnselen op de grond zaten, een symptoom van atoxoplasmose.

Palmolie
Het zal duidelijk zijn dat ik één en al oor was toen Hedwig van der Horst het onderwerp ‘weerstandverhoging’ aan de orde stelde. Naar aanleiding van haar lezing heb ik het voedingspatroon bij mijn vogels gewijzigd, zoals ik ook in het voornoemde artikel ‘Palmolie’ met de lezers heb gedeeld. Vanaf het voorjaar van 2017 tot op de dag van vandaag voeg ik het hele jaar door rode palmolie toe aan mijn krachtvoer. Op warme zomerdagen is dat het meest eenvoudig, dan is de palmolie vloeibaar en vermengt het zich gemakkelijk met het krachtvoer. Zodra de temperatuur beneden de ca. 24o C zakt wordt de palmolie smeuïg en hoe kouder des te harder de ongeraffineerde palmolie wordt. Ik meng dan de taaie/harde palmolie grof door het krachtvoer en zet dit mengsel in een bakje op een warme radiator van de cv. De palmolie wordt dan vloeibaar en mengt zich vanzelf met het  krachtvoer. Door dit met een lepel of met je handen even goed te mengen wordt het een homogeen goedje en kan het aan de vogels worden verstrekt. Overigens heb ik ook gezien dat sommige vogels kleine stukjes palmolie uit het krachtvoer pikten en daar dus kennelijk een voorkeur voor hadden.
Alleen ongeraffineerde, rode, palmolie is geschikt voor vermenging in het krachtvoer. In deze palmolie zit de nuttige caroteen, die bij verhitting een groot deel van haar voedingswaarde verliest. Inmiddels heb ik in Leiden een winkel gevonden waar allerlei exotische voedingsmiddelen worden verkocht  en waar ik voor 5-6 euro een liter ongeraffineerde rode palmolie koop. 

Waterstofperoxide
Sedert 2017 voeg ik dagelijks waterstofperoxide toe aan het drinkwater van de broedende poppen en ga daar mee door wanneer de jongen zijn uitgekomen. Ook de uitgevlogen jonge vogels krijgen elke dag drinkwater met verdunde waterstofperoxide. De verhouding is 10 ml ‘WaterCleaner’ op een liter water. Gerard de Brabander koopt voor mij in het voorjaar twee liter ‘WaterCleaner’ bij een dierenspeciaalzaak in het Westland en dat is voor mij voldoende voor een heel broedseizoen.

Ervaringen tot dusver
‘Baat het niet, schaden doet het ook niet’ is een regelmatig door mij gehoorde opmerking wanneer het de gezondheid en voeding van vogels betreft. Voor  mij is dat niet voldoende. Ik steek best veel tijd en energie in het mengen van palmolie door het krachtvoer en speciaal drinkwater voor de kooien met jonge vogels. Ik doe dat niet voor tijdverdrijf; ik wil resultaat zien. De eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik vanaf 2017 nauwelijks dode vogels heb gehad door coccidiose en atoxoplasmose, zonder dat ik Esb3, Baycox of een soortgelijk middel heb hoeven te gebruiken. Of de palmolie, de waterstofperoxide of de combinatie van beide hieraan debet zijn weet ik niet, maar ik zie een duidelijke verbetering m.b.t. de gezondheidssituatie bij mijn vogels, met name in de zomermaanden wanneer de temperaturen hoog en de kooien overbevolkt zijn, in vergelijking tot enkele jaren geleden. Er is daarom voor mij geen enkele reden om mijn huidige, wat complexe, voedingsmethode te wijzigen.
Overigens is bovenstaande geen pleidooi om en masse over  te stappen op rode palmolie en waterstofperoxide. Wanneer je niet met gezondheidsproblemen bij je vogels geconfronteerd wordt is er geen enkele reden om je voedingspatroon te wijzigen, maar mocht je ooit in door mij genoemde problemen verzeild raken dan is het wellicht een optie  over te gaan tot het verstrekken van met waterstofperoxide aangelengd drinkwater en ongeraffineerde palmolie door het krachtvoer te mengen.
Wat ik nog niet volledig onder de knie heb zijn de natte nesten. Ook in 2020 heb ik, met name tijdens de tweede ronde, in de periode dat het bijzonder warm was en de temperatuur in mijn vogelverblijf tot ver boven de 30o C graden steeg, incidenteel een nestje gehad dat verloren ging als gevolg van darmproblemen bij de jongen. De buikjes waren rood, de ontlasting dun, de nesten vuil, de jongen groeiden nauwelijks en waren binnen 10 dagen dood, vaak dan nog zo klein dat ik ze nog niet geringd had.

Conclusie
In het verleden werd ik gedurende de zomermaanden regelmatig geconfronteerd met sterfte onder mijn jonge vogels als gevolg van coccidiose en atoxoplasmose. Sinds ik in 2017 begonnen ben met het verstrekken van rode palmolie in het krachtvoer en waterstofperoxide in het drinkwater is dat aanzienlijk minder geworden. Voor mij is er dus geen enkele reden af te wijken van de door mij in 2017 ingeslagen weg.

Noten
1. Beide artikelen zijn nog te lezen op www.zangkanaries.nl, de website van de vereniging, onder ‘Artikelen’, ‘Huisvesting, voeding en gezondheid’.

-0-

Balans

door Jaap Plokker

Worden tijdens de keuringen de toeren in het waterslagerlied allemaal gelijkwaardig beoordeeld? Dit is een lastig te doorgronden probleem, waarover Jaap Plokker probeert meer helderheid te krijgen.  

In de zomer heb je als volkstuinder regelmatig een luxeprobleem: meer groente geoogst dan je zelf op kan. Familie, buren en kennissen zijn op dat moment dankbare afnemers van overtollige sla, andijvie, sperziebonen, snijbonen, enz. Bij het verdelen van de porties, al naar gelang de gezinsgrootte van bestemming, komt mij een Forge balans weegschaal uit de winkel van mijn overgrootvader nog altijd goed van pas. Een APK keuring van het ijkwezen zal hij wel niet meer doorstaan, maar wie maalt er om een snijboon meer of minder. Met aan de ene kant de messing gewichten, vol met ijkstempels, en aan de andere kant de te verdelen groente geeft het pijltje in het midden aan wanneer gewichten en hoeveelheid groente met elkaar in balans zijn.

Balans tussen waterslagertoeren – de vraagstelling
Wanneer we de door keurmeesters gegeven beoordelingen voor de afzonderlijke toeren van het waterslagerlied op de weegschaal leggen en kijken naar de stand van het pijltje staat die dan steeds in het midden? Oftewel zijn de door de keurmeesters gegeven scores voor de afzonderlijke toeren in balans?
Dit is een lastig te doorgronden probleemstelling. We hebben immers te maken met verschillende maximumscores voor de afzonderlijke toeren en de door de keurmeester toegekende score is een kwaliteitsbeoordeling; de ene toer kan nu eenmaal beter gezongen worden dan de ander. Desondanks bestaat bij mij toch het onderbuikgevoel dat er geen balans is in de beoordeling van de afzonderlijke waterslagertoeren. Zo heb ik, bijvoorbeeld, de indruk dat de normering bij het waarderen van de klokkende waterslager strenger wordt toegepast dan bij het beoordelen van de rollende waterslag, oftewel je
ontvangt relatief eerder een hoge score voor de rol dan voor de klok. De vraag is of de veronderstelde discrepantie in de beoordeling daadwerkelijk het geval is en zo ja, of het kwaliteitsverschil altijd de oorzaak is.
Aan de hand van de tijdens onze in december 2019 georganiseerde 35e clubkampioenschappen door de keurmeesters gegeven beoordelingen gaan we kijken of we omtrent deze kwestie meer inzicht kunnen krijgen. Uitgangspunt hiervoor is onze wedstrijdcatalogus waarin de volledige keurlijsten zijn opgenomen en waarop we een rekenmodel loslaten. Ter illustratie voer ik de 1e en 2e prijs winnaars stammen, twee viertallen van Willy Kling, ten tonele.

Studiedag
Het is inmiddels al een poosje geleden, maar menig aanwezige zal zich nog wel herinneren dat we op 21 december 2019 met veel bewondering naar de waterslagers van Willy Kling hebben geluisterd. Ik was zelf nog het meest gecharmeerd van hoe de stellen zongen, maar we concentreren ons in dit verband op de stammen, die overigens, mijn inziens, weinig voor de stellen onderdeden. De prijswinnende stammen van Willy Kling op onze 35e clubkampioenschappen werden door verschillende keurmeesters beoordeeld. Willy was er zelf bij toen zijn vogels op tafel stonden, dus hij kan me corrigeren wanneer ik, volgens hem, de plank misslaat.
Willy’s waterslagers zongen
op de studiedag een mooie klokkende waterslag, sporadisch rollende waterslag, die ook nog heel kort werd aangehouden, een schitterend binnenlied, waarin de knorren, fluiten en fluitenrollen me in het bijzonder opvielen en de tjokkenpartij, i.h.b. de tjokken, in vergelijking tot de overige toeren van het binnenlied kwalitatief wat achterbleef. Hoewel dus vogels waar nog zo het een en ander over op te merken was, hebben we met heel veel bewondering naar ze geluisterd, mede ook vanwege de helderheid en zuiverheid van de voordracht. Over kleur en smaak valt niet te twisten. Zo zal een kweker die graag wat slagwerk in het waterslagerlied hoort de vogels van Willy ‘te lief’ vinden. Unaniem waren we echter van mening dat het schitterende luistervogels waren en in vergelijking tot de andere stammen die op tafel kwamen de terechte kampioenen.

Foto. Zijn op dit moment de beoordelingen van de afzonderlijke toeren van het waterslagerlied in balans? Jaap Plokker twijfelt daar sterk aan.

Keurlijsten in catalogus
Sedert 1972 was het bij vv ‘De Kanarievogel’ te Katwijk gebruikelijk om in de wedstrijdcatalogus van de onderlinge tentoonstelling bij de kleurkanaries niet alleen de eindscore, maar ook de waardering voor de kleurpunten te vermelden. Nadat ik in 1981 bestuurslid van ‘De Kanarievogel’ was geworden heb ik er voor gepleit om, in navolging van het gebruik bij de kleurkanaries, in de catalogus bij de waterslagers ook de score voor klokkende en rollende waterslag te vermelden. Dit is met ingang van de in december 1981 georganiseerde onderlinge tentoonstelling van ‘De Kanarievogel’ ook gebeurd. Toen in 1985 de Speciaalclub Zang regio NZHU werd opgericht heeft het oprichtingsbestuur deze gewoonte bij ‘De Kanarievogel’ overgenomen voor de opmaak van de catalogus van de eerste wedstrijd in december 1985 en in de loop der jaren zelfs uitgebouwd. In de catalogus van onze tweede clubkampioenschappen, in december 1986, stonden bij iedere vogel, behalve de scores voor klokkende waterslag en rollende waterslag, ook die voor de tjokken en staaltonen vermeld. Met ingang van de  vijfde wedstrijd in december 1989 staat de volledige keurlijst in de NZHU catalogus afgedrukt en dat is tot op heden zo gebleven. We mogen het bestuur dat in 1989 dit initiatief heeft genomen daarvoor nog altijd dankbaar zijn, want onze wedstrijdcatalogus verstrekt de inzenders voor onze clubkampioenschappen en de deelnemers aan de studiedag heel veel extra informatie. Zonder deze gegevens was het schrijven van dit artikel ook onmogelijk geweest.

Klokkende waterslag
In onderstaande zullen we met als uitgangspunt de twee prijswinnende stammen van Willy Kling, en wat ons op 21 december 2019 bij het afluisteren van deze vogels is opgevallen, de beoordeling van de waterslagertoeren in een breder verband plaatsen. De wedstrijdcatalogus waarin de volledige keurlijsten zijn opgenomen verschaft ons daarvoor de vereiste informatie.
Verder is vooraf van belang te weten dat op onze 35e clubkampioenschappen 252 waterslagers werden beoordeeld, waarvan uiteraard niet alle vogels alle toeren hebben gezongen.
De klokkende waterslag van Willy’s vogels werd door de afluisteraars op de studiedag als ‘mooi’ gekwalificeerd en de keurmeesters waardeerden deze toer in de regel met 24-25 pnt. Voor de klokkende waterslag kunnen maximaal 36 pnt. gegeven worden: 0-12 pnt. wanneer de toer wordt beoordeeld als ‘voldoende’; 13-24 pnt.  bij de kwalificatie ‘goed’ en 25-36 pnt. mogen worden toegekend wanneer de keurmeester de toer als ‘zeer goed’ bestempelt. Hoewel tijdens het afluisteren de meeste kwekers hun bewondering voor de klokkende waterslag van de vogels van Willy lieten blijken werden ze dus beoordeeld op de grens van ‘goed’ en ‘zeer goed’.
Kijken we nu naar de scores voor de klokkende waterslag van alle
wedstrijdvogels op onze 35e  clubkampioenschappen dan levert dit het volgende resultaat op: 24 pnt., zijnde de hoogste score van ‘goed’, werd aan 16 vogels toegekend. In de categorie ‘zeer goed’ werden de volgende waarderingen verstrekt: 12 vogels 25 pnt. en 2 vogels 26 pnt. Een hogere score dan 26 pnt. werd voor de klok niet gegeven.

Van de 252 beoordeelde waterslagers op de clubkampioenschappen van 2019 van de NZHU werd van 14 vogels, oftewel 5,5%, de klokkende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.

Kijken we nu naar de score t.o.v. het maximaal haalbare dan hebben 16 vogels 66,6% van de maximale score gekregen, 12 vogels 69,4 % en 2 vogels 72,2% van de maximum score van 36 pnt.

Rollende waterslag
Voor de rollende waterslag kregen de stammen van Willy Kling 21-22 pnt. De maximale score voor rol is 27 punten en de hoogste score in de categorie  ‘goed’ is 18 pnt. De waterslagers van Willy werden voor de rollende waterslag dus ruim in het ‘zeer goed’ gewaardeerd. We hebben de vogels gehoord en hebben moeten zoeken naar een stukje rollende waterslag en als dat werd gezongen was dat ook nog zeer kort. De vogels van Willy waren zéééér zanglustig. Ze stonden amper op tafel of ze begonnen te zingen en dat ging 15 minuten onafgebroken door. In Rijssen hebben we dezelfde vogels gehoord. Eveneens uitermate zanglustig en ook daar hebben we moeten zoeken naar een stukje rollende waterslag. We mogen dus aannemen dat zoals de vogels tijdens de studiedagen in Katwijk en Rijssen zongen ze ook in de keurkamers bij de keurmeesters hun verbale kunsten hebben vertoond.
Het lesboek voor aspirant keurmeesters stelt voor het beoordelen van de toeren dat bij het bepalen van de eindwaardering de keurmeester o.m. rekening moet houden met de lengte van de toer en of de toer bij herhaling wordt gezongen. De voordracht van de rollende waterslag door de vogels van Willy Kling kon, met name vanwege de lengte van de toer en het aantal keren dat de toer tijdens de volledige zangbeurt werd gezongen, mijn inziens, niet als ‘zeer goed’ gekwalificeerd worden. 
Past het beeld van een relatief hoge score voor de rollende waterslag van de vogels van Willy Kling in een breder beeld dat er überhaupt voor de rollende waterslag hoge waarderingen worden gegeven? We doen voor de rollende waterslag dezelfde vergelijking als we voor de klokkende waterslag  hebben gedaan.
De hoogste score in de categorie ‘goed’ voor rollende waterslag, 18 pnt., werd aan 22 waterslagers toegekend. De scores in de categorie ‘zeer goed’ waren als volgt: 19 pnt.: 11 vogels; 20 pnt.: 39 vogels; 21 pnt.: 39 vogels; 22 pnt.: 21 vogels; 23 pnt.: 8 vogels en 24 pnt.: 5 vogels. Een score hoger dan 24 pnt. werd voor de rollende waterslag niet toegekend.

Van de 252 waterslagers op de clubkampioenschappen van 2019 van de NZHU werd van 123 vogels, oftewel 48,8%, de rollende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.

Kijken we nu naar de score t.o.v. het maximaal haalbare dan hebben 18 vogels 66,6% van de maximale score gekregen, 11 vogels 70,3 %, 39 vogels 74,07% , 39 vogels 77,7%, 21 vogels 85% en 5 vogels 88,8% van de maximum score van 27 pnt.

Binnenlied
In het waterslagerlied maken we onderscheid tussen de watertoeren en het binnenlied. De in dit verband interessante binnenliedtoeren zijn knor, staal-tonen, fluiten, fluitenrollen, bellen, belrol, tjokken en tjokkenrol. Voor elk van deze acht toeren bestaat een maximumscore van 18 pnt. en ligt de grens tussen ‘goed’ en ‘zeer goed’ tussen 12 en 13 pnt.
Toen de vogels van Willy Kling opstonden en volop hun verbale kunsten vertoonden ontlokte dat waterslagerkeurmeester ‘in ruste’ Andries Gort, die de leiding had bij het afluisteren, de opmerking dat de keurmeester kennelijk bang was geweest op een te hoge totaalscore uit te komen, omdat hij de aan de diverse toeren van het binnenlied toegekende waardering van 13-14 pnt. wel zuinigjes vond. Wat hem betreft hadden sommige vogels voor met name de knorren, fluiten en fluitenrollen wel een puntje meer mogen krijgen. Kijkend naar de toegekende scores voor Willy’s vogels, dan kwamen de beoordelingen voor diverse prachtige binnenliedtoeren niet hoger uit dan 14 punten.
Omdat er meerdere binnenliedtoeren zijn is het erg lastig een vergelijking op te stellen zoals in bovenstaande met de klok en de rol is gedaan, maar we zullen toch een poging wagen. We kijken uitsluitend naar de scores in het ‘zeer goede’, t.w. een beoordeling met 13 pnt. en hoger. In december 2019 werd op de wedstrijd van de NZHU voor genoemde acht binnenliedtoeren in totaal 128 keer 13 pnt. toegekend en 16 keer 14 punten. Hogere waarderingen werden niet gegeven. Wanneer we
de binnenliedtoeren willen vergelijken met de klokkende en rollende waterslag dan moeten we de met de acht binnenliedtoeren behaalde resultaten herleiden tot één toer. Dan moeten we genoemde totaalscores delen door acht. Gemiddeld werd dus voor één binnenliedtoer 16 keer 13 punten toegekend en 2 keer 14 punten.

Dit betekent dat van de 252 vogels voor een willekeurige, afzonderlijke, binnenliedtoer 18 keer, t.w. 7%, een beoordeling in het ‘zeer goed’ werd gegeven.
Voor een willekeurige binnenliedtoer werd 16 keer 13 pnt., oftewel 72,2% van de maximumscore, en 2 keer 14 pnt., oftewel 77,7% van de maximumscore van 18 punten, gegeven.

Percentages van maximale score
Als we willen weten hoe de beoordelingen zich verhouden tot de maximale waardering die aan een toer kan worden toegekend dan levert dit de volgende resultaten op. We nemen dan een waardering van 77,7% van de maximale score als referentie. Dit is 27 pnt. voor de klokkende waterslag, 21 pnt. voor de rollende waterslag en 14 pnt. voor de binnenliedtoeren. 

Met deze 77,7% van de toe te kennen maximumscore als uitgangspunt is bij 252 vogels 2 keer, 0,8%, een dergelijke beoordeling gegeven voor een binnenliedtoer, was er geen enkele vogel, 0%, die 77,7% van de maximale score voor de klokkende waterslag ontving en werd aan 68 vogels, 27%, een

waardering van minstens 77,7% van de maximumscore voor de rollende waterslag toegekend.

Slotsom clubkampioenschappen 2019
Na bovenstaande opsomming van getallen en percentages komen we tot een slotsom. De aan de rollende waterslag toegekende scores lagen substantieel hoger dan de waarderingen die aan de klokkende waterslag en de binnenliedtoeren werden toegekend. Bijna de helft van de waterslagers die in december 2019 op onze clubkampioenschappen door de keurmeesters werden beoordeeld kregen een waardering in het ‘zeer goed’ voor de rollende waterslag, terwijl dit voor de klokkende waterslag 5,5% en voor de binnenliedtoeren 7% was.
Naast de opvallend goede scores voor de rollende waterslag valt op hoe laag het percentage vogels was dat
met een binnenliedtoer en de klokkende waterslag in het ‘zeer goede’ werd beoordeeld. Zongen van de 100 wel 49 vogels een ‘zeer goede’ rol; er waren er maar 6 van de 100 die een ‘zeer goede’ klok zongen. Een bedenkelijk laag percentage.
Tenslotte is opmerkelijk in welke mate de beoordelingen de maximale score voor de rollende waterslag benaderde:
Vijf vogels kregen een waardering van 24 punten en dat is 88,8% van de maximale score. Ter vergelijking: een zelfde waardering van 88,8% van de maximumscore voor een binnenliedtoer is 16 punten en voor de klokkende waterslag betekent dit een beoordeling met 32 punten. Ik kan me niet heugen ooit een keurlijst gezien te hebben met 32 punten voor klokkende waterslag. In december 2019 waren er in Katwijk maar liefst vijf vogels met een waardering van 88,8% van de maximumscore voor rollende waterslag.

Dit met elkaar vergelijkende komen we tot de conclusie dat de beoordeling van de klokkende waterslag en de binnenliedtoeren redelijk met elkaar in balans waren. Duidelijk is dat de rollende waterslag t.o.v. de klok en het binnenlied veel hoger werd gewaardeerd. Komt dit doordat de kwaliteit van de rollende waterslag van de Nederlandse waterslagers zoveel beter is dan de overige toeren of is er ook sprake van overwaardering van de rol. Gezien de buitengewoon grote verschillen lijkt het laatste het geval te zijn. Op grond van bovenstaande cijfers is het daarom aannemelijk om te concluderen dat de beoordeling van de afzonderlijke toeren van het waterslagerlied niet in balans lijkt te zijn.

Foto. 29 december 2007. Op de studiedag werd tijdens de middagpauze in de docentenkamer van het ID College naar een film gekeken.

Incidenteel of structureel?
De op basis van het rekenmodel gevonden onevenwichtigheid in de beoordeling van de waterslagertoeren was veel significanter dan ik had verwacht. Waren de beoordelingen op de clubkampioenschappen van de NZHU in december 2019 uitzonderlijk geweest, waardoor dit opmerkelijke beeld was ontstaan? Om de resultaten van 2019 in een breder verband te kunnen plaatsen heb ik ook de keurlijsten van de in december 2017 en 2018 gehouden wedstrijden van de NZHU geraadpleegd.

Klokkende waterslag
In 2017 werden 240 waterslagers gekeurd. Voor de klokkende waterslag werden de volgende resultaten behaald: 24 pnt.: 16 vogels; 25 pnt.: 3 vogels; 26 pnt.: 4 vogels; 27 pnt.: 2 vogels. Van de 240 beoordeelde waterslagers werd van 9 vogels, oftewel 3,7%, de klokkende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.
In 2018 werden 190 waterslagers gekeurd. Voor de klokkende waterslag werden de volgende resultaten behaald: 24 pnt.: 13 vogels; 25 pnt.: 2 vogels; 26 pnt.: 1 vogels; 27 pnt.: 2 vogels. Van de 190 beoordeelde waterslagers werd van 5 vogels, oftewel 3,8%, de klokkende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.

Rollende waterslag
In 2017 werden 240 waterslagers gekeurd. Voor de rollende waterslag werden de volgende resultaten behaald: 19 pnt.: 16 vogels; 20 pnt.: 30 vogels; 21 pnt.: 37 vogels; 22 pnt.: 31 vogels; 23 pnt. 6 vogels; 24 pnt.: 4 vogels. Van de 240 beoordeelde waterslagers werd van 124 vogels, oftewel 51,6%, de rollende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.
In 2018 werden 190 waterslagers gekeurd. Voor de rollende waterslag werden de volgende resultaten behaald: 19 pnt.: 10 vogels; 20 pnt.: 24 vogels; 21 pnt.: 30 vogels; 22 pnt.: 20 vogels; 23 pnt. 5 vogels; 24 pnt.: 1 vogel. Van de 190 beoordeelde waterslagers werd van 90 vogels, oftewel 47,3%, de rollende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.

Binnenlied
In 2017 werden 240 waterslagers gekeurd. In totaal werd 89 keer aan een binnenliedtoer 13 pnt. toegekend, 21 keer 14 pnt. en 5 keer 15 pnt. Dit betekent dat gemiddeld voor één binnenliedtoer 115 : 8 = 14,3 keer, oftewel 6 %,  een waardering in het ‘zeer goed’ werd gegeven.
In 2018 werden 190 waterslagers gekeurd. In totaal werd 134 keer aan een binnenliedtoer 13 pnt. toegekend en 8 keer 14 pnt. Dit betekent dat gemiddeld voor één binnenliedtoer 142 : 8 = 17,7 keer, oftewel 9,3%, een waardering in het ‘zeer goed’ werd gegeven.

Conclusies voor 2017 en 2018
Op grond van de voor 2017 en 2018 gegeven beoordelingen komen we tot de conclusie dat  de door keurmeesters tijdens de 35e clubkampioenschappen gegeven beoordelingen in geen geval uitzonderlijk zijn geweest, maar het voor 2019 geconstateerde patroon volkomen overeenkomt met dat van 2017 en 2018. Inconsequentie valt de keurmeesters dus in geen geval te verwijten.
Mocht er een verschil zijn dan valt allereerst op dat de voor de klokkende waterslag behaalde resultaten in 2017 en 2018 nog dramatischer waren dan in 2019.

De hierboven getrokken conclusies aan de hand van de wedstrijdresultaten van de 35e clubkampioenschappen in 2019 lijken daardoor eerder betrekking te hebben op een structurele dan op een incidentele situatie.

Voorbehoud
Criticasters zullen na lezing van bovenstaande tegen de door mij getrokken conclusies inbrengen dat dit weliswaar geldt voor de drie laatstgehouden clubkampioenschappen van de NZHU, maar in hoeverre gelden ze voor heel Nederland? De vraag in hoeverre de kwaliteit van de voor de wedstrijd van de NZHU ingezonden waterslagers representatief is voor de rest van Nederland is zeer terecht. Het is immers mogelijk dat er grote kwalitatieve verschillen bestaan tussen de waterslagers die voor de kampioenschappen van de NZHU worden ingezonden en die op andere wedstrijden.
Om tot algemeen geldende conclusies te kunnen komen zullen ook andere wedstrijden in het onderzoek betrokken moeten worden. Ik zou kunnen beschikken over keurlijsten van recent gehouden wedstrijden van vv ‘De Kanarievogel’ te Katwijk, omdat het bij deze vereniging gebruikelijk is alle zangkanariekeurlijsten te kopiëren en ze tijdens de tentoonstelling voor het publiek ter inzage te leggen. Voor de afdelingstentoonstelling van vv ‘De Kanarievogel’ worden weliswaar ca. 200 waterslagers ingeschreven, maar omdat de deelnemers aan de clubkampioenschappen van de NZHU voor bijna de helft bestaat uit leden van ‘De Kanarievogel’ is er, mijn inziens, teveel verwantschap tussen de inzenders en zal met het verwerken van de gegevens van de door ‘De Kanarievogel’ georganiseerde wedstrijd het onderzoek niet substantieel representatiever worden.
Voor in dit verband waardevol vergelijkingsmateriaal zou men inzage moeten kunnen hebben in de resultaten van bijv. de wedstrijd van de nationale tentoonstelling te Leerdam, de zangkanariewedstrijd op Urk en, vooral, de clubkampioenschappen van waterslagerspeciaalclub ‘De Nachtgaal’, te Rijssen. Voor deze wedstrijden worden ook relatief veel waterslagers ingeschreven, is een aanzienlijk percentage inzenders geen deelnemer aan de clubkampioenschappen van de  NZHU en zijn ook andere keurmeesters bij de beoordeling betrok
-ken dan in Katwijk gebruikelijk  is. 

Indicatie
Zonder dit met ‘harde’ gegevens te kunnen onderbouwen heb ik de indruk dat de door de NZHU leden gekweekte waterslagers kwalitatief niet zoveel afwijken van de vogels elders in Nederland. Voor de clubkampioenschappen van de NZHU worden in de regel vogels ingezonden die al eerder op een wedstrijd zijn geweest en, naar mag worden aangenomen, hebben de inzenders inmiddels het kaf van het koren gescheiden. Verder geldt voor het inzenden van kanaries voor de clubkampioenschappen van de NZHU een limiet van 24 vogels per deelnemer. Inzenders die over veel wedstrijdvogels beschikken zijn dus gedwongen te selecteren. Oftewel, van de voor de wedstrijd van de NZHU ingezonden vogels mogen we verwachten dat het algehele kwaliteitsniveau hoger ligt dan van het bestand waterslagers dat voor een onderlinge wedstrijd eerder in het TT-seizoen wordt ingezonden. Verder doen prijswinnaars op de wedstrijden van de NZHU ook op wed-strijden elders in Nederland mee voor de prijzen; dat is althans de praktijk.

Daarom kunnen we bovenstaande conclusies beschouwen als een indicatie voor het antwoord op de vraag in hoeverre het beoordelen van de afzon-derlijke waterslagertoeren anno 2020 in Nederland in balans is.

Urk, 27 december 2019
De mate waarin deze indicatie steekhoudend is kunnen we afleiden van een in 2019 op Urk gehouden wedstrijd waarvan ook de toegekende waarderingen voor de afzonderlijke toeren is geregistreerd. Op 27 december 2019 werd op Urk een grote wedstrijd voor zangkanaries georganiseerd waarvoor harzers en waterslagers werden inschreven. De wedstrijd voor harzers was van internationale allure met inzenders uit het Verenigd Koninkrijk en Bulgarije en keurmeesters uit Duitsland. De wedstrijd voor waterslagers had een nationaal karakter. Door 17 kwekers werden 244 waterslagers ingeschreven, die ook allemaal ter beoordeling bij de keurmeesters werden opgezet. De inzenders waren afkomstig uit Midden Nederland, van de Duitse grens tot aan de Noordzeekust. Het overgrote deel was woonachtig oostelijk van de lijn Terschelling-Utrecht-Tilburg, Van Krien Onderwater ontving ik de catalogus van deze wedstrijd waarin ook de met de afzonderlijke toeren behaalde scores waren afgedrukt. De sinds 1989 bij de NZHU bestaande traditie krijgt kennelijk ook elders in Nederland navolging, en terecht.
Dankzij de medewerking van Krien zijn we in de gelegenheid bovenstaande te vergelijken met een wedstrijd waarvoor van de 17 deelnemers maar 3 gewend zijn ook vogels voor de clubkampioenschappen van de NZHU in te zenden en werden de vogels gekeurd door 5 keurmeesters waarvan er 3 de laatste jaren niet bij de NZHU gekeurd hebben. De wedstrijd op Urk in december 2019 wijkt, zowel wat betreft de inzenders als de keurmeesters, zodanig af van de clubkampioenschappen van de NZHU dat door beide wedstrijden met elkaar te vergelijken bovenstaande conclusies in een breder, nationaal, verband geplaatst kunnen worden.

Foto. 29 december 2007, studiedag. Tijdens de prijsuitreiking was de kantine van het ID College behoorlijk gevuld.

Resultaten zangkanariewedstrijd op Urk in december 2019  
In december 2019 werden tijdens de (inter)nationale wedstrijd voor zangkanaries op Urk 244 Nederlandse waterslagers gekeurd.
Voor de klokkende waterslag werden de volgende resultaten behaald: 24 pnt.: 8 vogels; 25 pnt.: 4 vogels. Hogere scores voor de klokkende waterslag werden niet toegekend. Van de 244 beoordeelde waterslagers werd dus van 4 vogels, oftewel 1,6%, de klokkende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.
Voor de rollende waterslag werden de volgende resultaten behaald: 19 pnt.: 6 vogels; 20 pnt.: 47 vogels; 21 pnt.: 48 vogels; 22 pnt.: 36 vogels; 23 pnt. 8 vogels; 24 pnt.: 7 vogels. Van de 244 beoordeelde waterslagers werd van 152 vogels, oftewel 62,2%, de rollende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd.
In totaal werd 80 keer aan een binnenliedtoer 13 pnt. toegekend, 15 keer 14 pnt. en 2 keer 15 pnt. Dit betekent dat gemiddeld voor een willkeurige binnenliedtoer 97 : 8 = 12,1 keer, oftewel 5%, een waardering in het ‘zeer goed’ werd gegeven.
Als we willen weten hoe de op Urk gegeven beoordelingen zich verhouden tot de maximale waardering die aan een toer kan worden toegekend dan levert dit de volgende resultaten op. We nemen dan
opnieuw een waardering van 77,7% van de maximale score als referentie. Dit is 27 pnt. voor de klokkende waterslag, 21 pnt. voor de rollende waterslag en 14 pnt. voor de binnenliedtoeren. 
Met deze 77,7% als uitgangspunt is op Urk bij 244 vogels 17 keer, 7%, een dergelijke beoordeling of hoger gegeven voor een binnenliedtoer, was er geen enkele vogel, 0%, die 77,7% van de maximale score voor de klokkende waterslag ontving en werd aan 99 vogels, 40,5%, een waardering van min-stens 77,7% van de maximumscore voor de rollende waterslag toegekend.

Vergelijking Urk en NZHU
Vergelijken we nu deze resultaten van de wedstrijd op Urk in december 2019 met die van de clubkampioenschappen van de NZHU in 2017 t/m 2019 dan moeten we constateren dat de discrepantie tussen enerzijds de rollende waterslag en anderzijds de klokkende waterslag en binnenliedtoeren op Urk in december 2019 nog groter was dan in Katwijk. Scoorden tijdens de clubkampioenschappen van de NZHU rond de helft van de beoordeelde waterslagers een rollende waterslag in het ‘zeer goed’, op Urk was dat ruim 62%. Van de 100 beoordeelde waterslagers werden er dus 62 met een score van 19 punten of hoger gewaardeerd.  De tegenstelling met de klokkende waterslag is nog groter. Ontvingen van de 100 op de clubkampioenschappen van de NZHU beoordeelde zangkanaries 4-6 waterslagers voor de klokkende waterslag een ‘zeer goed’, op Urk waren dat er 2. Dus aan 98 van de 100 waterslagers kon door de keurmeesters geen waardering ‘zeer goed’ aan de klokkende waterslag toegekend worden. Terwijl de hoogste waardering voor klokkende waterslag op Urk 25 pnt. was kreeg 40% van de waterslagers voor de rollende waterslag een waardering die overeen kwam met 27 pnt. of hoger voor de klok.
Ook de waardering voor het binnenlied was op Urk lager dan in Katwijk: Voor een willekeurige binnenliedtoer kon in december 2019 op Urk 5 keer een waardering in het ‘zeer goed’ gegeven worden, terwijl dat in Katwijk gedurende de jaren 2017-2019 6-9 keer was.
Als we de in december 2019 op Urk georganiseerde wedstrijd gebruiken als een referentie aan de hand waarvan we de betrouwbaarheid van de op basis van de clubkampioenschappen van de NZHU getrokken conclusies kunnen verifiëren, dan kunnen we stellen dat de wedstrijdresultaten op Urk op z’n minst het algemene beeld bevestigen dat voor de clubkampioenschappen van
de NZHU werd vastgesteld. In vergelijking tot de resultaten op Urk valt de discrepantie in de beoordeling van de rollende waterslag t.o.v. de andere toeren in Katwijk zelfs nog mee.

Overwegingen en suggesties
Naar aanleiding van bovenstaande analyse en conclusies komen we tot de volgende overwegingen en suggesties:

Rollende waterslag
In bovenstaande werd de conclusie getrokken dat er een significant verschil bestaat tussen de waardering van rollende waterslag ten opzichte van de overige waterslagertoeren. Niet alleen werd van meer dan de helft van het aantal vogels de rollende waterslag als ‘zeer goed’ gekwalificeerd, maar ook de waardering liep op tot bijna 90% van de maximale score. De vraag is nu of deze waardering het gevolg is van het feit dat de kwaliteit van de rollende waterslag in Nederland zoveel uitstijgt boven het niveau van de overige toeren. Enige twijfel hieromtrent lijkt op z’n plaats. Het ligt eerder voor de hand te concluderen dat de rollende waterslag ten opzichte van de andere toeren over de hele linie veel hoger wordt gewaardeerd. Wil de beoordeling van de rollende waterslag enigszins met die van de huidige waarderingen voor de klokkende waterslag en het binnenlied in de pas lopen dan zouden de scores voor de rollende waterslag, wanneer we het rekenmodel als referentie nemen, met gemiddeld 3-4 pnt. moeten dalen.
Een lagere waardering zou bereikt kunnen worden door de normering aan te passen en de cesuur tussen ‘goed’ en ‘zeer goed’ te verhogen. Dit zou gerea
-liseerd kunnen worden door in de beoordeling de lengte van de toer, het aantal keren dat de toer tijdens de zangbeurt wordt gezongen, de intensiteit waarin de medeklinker ‘l’ waarneembaar is, dus het ‘watergehalte’ van de toer, en de volheid van de klank zwaarder in de overwegingen te betrekken.

Klokkende waterslag
Het is de vraag of de kwaliteit van de klokkende waterslag in Nederland van zo’n bedenkelijk niveau is. Terwijl de kwekers op de studiedag van de NZHU de klokkende waterslag van de vogels van Willy Kling als ‘mooi’ kwalificeer-den, kwamen de keurmeesters niet verder dan een beoordeling op de grens van ‘goed’ en ‘zeer goed’. De vraag is of het een reëel beeld dat in 2017-2019 maar 4-6% van de waterslagers te Katwijk en 1,6%  op Urk in 2019 een ‘zeer goede’ klokkende waterslag zingen. Ter vergelijking: Voor een eindexamen behalen van de 100 kandidaten 3 leerlingen een 7,5 of hoger en dus 97 leerlingen lager dan 7,5. Concluderen we dan dat de examenkandidaten niet zo bijster intelligent waren, of dat het examen mogelijk te moeilijk was? Wanneer bovenstaande cijfers omtrent de klokkende waterslag een reëel beeld geeft van het niveau van de klok in Nederland dan is het met de kwaliteit van de klokkende waterslag in Nederland allerbelabberdst gesteld en zou het een punt van ieders aandacht moeten zijn om het niveau van deze hoofdtoer in het waterslagerlied op te krikken. In plaats van de conclusie dat het uitermate droevig gesteld is met de klok in Nederland zou men ook de vraag kunnen stellen of de door de keurmeesters toegepaste normering wel een reëel beeld geeft van de huidige kwaliteit van de klokkende waterslag. Oftewel, wordt de lat tussen ‘goed’ en ‘zeer goed’ in de beoordeling van de klokkende waterslag te hoog gelegd?
Een tweede reden om te veronderstellen dat er een forse discrepantie
bestaat tussen de beoordeling van de klokkende en rollende waterslag is de door de keurmeesters hoogst toegekende waardering. Op de wedstrijden van de NZHU werd voor de rollende waterslag in 2017 aan 4 vogels, in 2018 aan 1 en in 2019  aan 5 waterslagers een waardering van 24 pnt. toegekend. Op Urk werd in 2019 aan 7 vogels een waardering van 24 pnt. toegekend. Het beoordelen van de rol met 24 pnt. is in den lande dus een verre van hoogst zelden voorkomend fenomeen. Met een beoordeling met 24 pnt. voor de rollende waterslag wordt een waardering gegeven van 88,8% van de maximaal toe te kennen score van 27 pnt. Voor de klokkende waterslag is 88,8% van de maximale score 32 pnt. Welke keurmeester kan zich heugen ooit 32 pnt. voor een klok te hebben gegeven en zo ja, hoeveel keer in zijn loopbaan is hem dat overkomen? Alleen al in 2019 werd op de wedstrijd van de NZHU 5  keer en op Urk 7 keer 24 pnt. voor de rollende waterslag gegeven; ik vraag me af of er überhaupt gedurende het gehele wedstrijd-seizoen 2019 in heel Nederland, op welke wedstrijd dan ook, één keer 32 punten aan een klokkende waterslag is toegekend.
Op grond van bovenstaande komen we tot de conclusie dat de normering en daarmee verbonden cesuur voor het onderscheid tussen ‘goed’ en ‘zeer goed’ voor de klokkende waterslag erg hoog ligt en de klokkende waterslag in het algemeen, en ten opzichte van de rollende waterslag in buitengewone mate, wordt ondergewaardeerd.

Foto. 22 december 2008. De koffers worden klaargezet in de gang van het ID College.

Binnenliedtoeren
Hetgeen in bovenstaande is opgemerkt met betrekking tot de klokkende waterslag geldt eigenlijk ook, weliswaar in iets mindere mate, voor de binnenliedtoeren. De regelmatige waardering van 24 pnt. voor waterslag komt overeen met 16 punten voor een binnenliedtoer. Ik kan me niet heugen ooit een keurlijst gezien te hebben waarop een binnenliedtoer met 16 pnt. werd gewaardeerd. Het is in de geschiedenis van de drie laatste wedstrijden van de NZHU zelfs een zeldzaam verschijnsel wanneer een binnenliedtoer met 15 pnt. wordt beoordeeld. Alleen in 2017 werd vijf keer 15 pnt. aan een binnenliedtoer toegekend; in 2018 en 2019 was de maximale waardering voor een  binnenliedtoer 14 pnt.
Op Urk scoorde in december 2019 een willekeurige binnenliedtoer twee keer 15 pnt. Ik heb de indruk dat de schroom die er bij keurmeesters bestaat om voor een binnenliedtoer naar een waardering van 15 pnt. te gaan er toe leidt dat op dit moment  in de range van 10-14 pnt. het puntenverschil niet altijd het kwaliteitsverschil voldoende tot uitdrukking brengt. De kwaliteit van de binnenliedtoer waarvoor 11 punten wordt gegeven is in de regel een wereld van verschil met de vogel die voor desbetreffende toer 14 pnt. krijgt toebedeeld. Het 16 % puntenverschil staat in geen verhouding tot het hoorbare kwaliteitsverschil. Dit verklaart ook waarom Andries Gort de opmerking maakte dat de keurmeesters met het waarderen van sommige binnenliedtoeren van de vogels van Willy Kling met 14 pnt. ‘zuinig’ waren geweest: het kwaliteitsverschil van, bijvoorbeeld, de knorren, fluiten en fluitenrollen van de vogels van Willy Kling stond niet in verhouding tot andere vogels waarvan desbetreffende toeren met 12-13 pnt. waren gewaardeerd. Mochten keurmeesters 15 pnt. en zeker 16 pnt.  willen reserveren voor de uitzonderlijk mooie toervormen dan zal men met het beoordelen in de range van 10-12 pnt. minder scheutig moeten zijn om het kwaliteitsverschil met de puntenwaardering in de range van 13-14 pnt. in balans te houden.

Geven en nemen
Bovenstaande geeft aanleiding om te concluderen dat de rollende waterslag op dit moment in hoge mate wordt overgewaardeerd. Wanneer keurmeesters niet genegen zijn de waarderingsgrens tussen ‘goed’ en ‘zeer goed’ bij de beoordeling van klokkende waterslag en binnenliedtoeren te verlagen zal, om balans in de beoordeling te verkrijgen, over de hele linie de rollende waterslag  met 3-4 punten lager gewaardeerd moeten worden.
In een poging de verstoorde verhoudingen beter in balans te krijgen zou, in plaats van het fors verhogen van de waarderingsgrens tussen ‘goed’ en ‘zeer goed’ van de rollende waterslag, het naar elkaar toe bewegen van enerzijds een lagere beoordeling van de rollende waterslag en anderzijds hogere waarderingen voor klok en binnenliedtoeren mijn voorkeur hebben.
Gaan we over tot een proces van ‘geven en nemen’ dan lijkt op dit moment de beoordeling van de klokkende waterslag over de gehele linie wat aan de lage kant. Gezien de maximale score van 36 punten zou voor een evenwichtige balans de waardering van de klokkende waterslag met ca.2 punten omhoog moeten en een maximale waardering van 28 pnt. voor de klok eerder regel dan zeer hoge uitzondering moeten worden. Gezien de kwaliteit van binnenliedtoeren waarvoor nu 11-12 pnt. worden toegekend zou met een beoordeling waarin ook een waardering met 15 pnt. serieus meedoet het kwaliteitsverschil beter tot uitdrukking gebracht kunnen worden.
Wanneer voornoemde corrigerende opwaarderingen voor klok en binnenlied worden ingevoerd zou met een algehele verlaging van de rol met 2-3 punten kunnen worden volstaan.  In dat geval is de beoordeling van de afzonderlijke waterslagertoeren meer met elkaar in balans gekomen. In de praktijk zou dit betekenen dat een waterslager die nu 24-25 pnt. voor de klokkende waterslag krijgt toebedeeld in de toekomst 26-27 pnt. zou moeten krijgen; de 21-22 punten voor rollende waterslag teruggebracht zou moeten worden tot 18-19 pnt. en een substantieel deel van de binnenliedtoeren, waaraan nu 14 punten worden toegekend, gewaardeerd zouden moeten worden met 15 pnt.

Slot
We begonnen dit artikel met de vraag of de door de waterslagerkeurmeesters gegeven scores voor de afzonderlijke waterslagertoeren met elkaar in balans zijn. Nadat we een rekenmethode hebben losgelaten op de beoordelingen tijdens onze laatste drie clubkampioenschappen en een recent georganiseerde nationale wedstrijd op Urk komen we tot de conclusie dat er voldoende aanwijzingen zijn dat niet alle toeren gelijkwaardig worden beoordeeld. De kwalitatieve grens tussen de kwalificatie ‘goed’  en ‘zeer goed’ verschilt tussen de afzonderlijke toeren substantieel. Hierdoor staat het belang van de afzonderlijke toeren voor de totaalscore van het lied in de huidige keurpraktijk niet meer in verhouding tot de rangorde die de afzonderlijke toeren hebben, op basis van de maximumscores op de keurlijst. In het bijzonder geldt dit voor de rollende waterslag. De huidige waardering van de rollende waterslag en toegekende scores veroorzaken een significante balansverstoring in het eindresultaat van een keuring. In de gewogen verhouding tussen de afzonderlijke toeren lijkt op dit moment, als gevolg van de keurpraktijk, de rollende waterslag de belangrijkste toer in het waterslagerlied, terwijl dit de klokkende waterslag zou moeten zijn.
Als de wens bestaat de waardering van de afzonderlijke toeren met elkaar in balans te laten zijn dan is actie geboden en
zijn passende maatregelen onvermijdelijk. Tot slot is er daarom de oproep aan de waterslagerkeurmeesters om van bovenstaande analyse op basis van harde feiten goede notitie te nemen. Mocht desondanks bovenstaand onderzoek toch nog als te beperkt worden beschouwd, dan geven de resultaten op z’n minst aanleiding  tot nader onderzoek.

 

Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub Zang NZHU is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

Juni 2021, 37e jaargang, nr. 2

Voorwoord

door Jaap Plokker

Editie 2021-2 van ons clubblad is een speciale. Het is een pamflet over de toekomst van de zangsport met de bedoeling dat het niet alleen gelezen wordt door leden van de NZHU, maar ook door besturen, mogelijk leden, van andere speciaalclubs, keurmeesters, kortom, iedereen die de zangsport een warm hart toedraagt.
Al langer dan een half jaar loop ik met de gedachte de toekomst van de zangsport aan de orde te stellen. Om ons heen zien we de zangsport met rasse schreden teruglopen en wanneer we zonder ingrijpen de tijd zo zijn gang laten gaan worden er over 15-20 jaar in Nederland geen wedstrijden voor zangkanaries meer georganiseerd.
In ons clubblad schreef ik vorig jaar twee artikelen waarin ik mijn zorgen over het functioneren van ons (waterslager)keurmeesterkorps onder woorden heb gebracht. In de eerste editie van deze jaargang heb ik na bestudering van diverse wedstrijdcatalogi moeten constateren dat de balans in de beoordeling van de waterslagertoeren niet is zoals ze zou moeten zijn. Dit zijn maar een paar voorbeelden van wat in onze sport verbeterd zou moeten worden. Ik zie de toekomst somber in als we ons niet vernieuwen.
Het leek me daarom tijd om eens goed na te denken of er voor onze sport nog wel toekomst is en hoe die dan zou moeten zijn. Ik heb er dus ruim een half jaar over gedaan om voor mezelf e.e.a. op een rijtje te zetten en als resultaat van dat proces ontvangen jullie hierbij het pamflet met mijn kijk op de zang-sport anno 2021 en de periode daarna.
Voor de goede orde: deze tekst  is mijn persoonlijk standpunt en het pamflet wordt zeker niet uit naam van het bestuur van de NZHU verspreid.
Het is een uitgebreid betoog geworden en wie de moed niet kan opbrengen om het allemaal te lezen wil ik er op wijzen dat aan slot van elk deel een samenvatting staat. Op pp. 31-32, 50-51 en 67-73 staat de kern van het betoog verwoord.
Ik hoop dat het pamflet de zangkanariewereld aan het denken zet en dat leden,  bestuursleden en keurmeester, die met mij van mening zijn dat we het roer moeten omgooien, elkaar kunnen vinden om in eendrachtige samenwerking een plan voor de toekomst van onze sport op te zetten. Als het al niet te laat is….                                                       

Eigen schuld, dikke bult?

Een pamflet over de toekomst van de zangkanariesport

door Jaap Plokker

In Nederland werd in 1901 door de vogelvereniging ‘Luscinia’ voor het eerst een wedstrijd georganiseerd voor harzers waarop de vogels werden beoordeeld op hun individuele zangkwaliteiten. Later volgden de waterslagers en sinds de COM kampioenschappen in Zutphen in 1985 worden er ook in Nederland timbrado’s gekweekt.
Is anno 2021, 120 jaar na de eerste kanariezangwedstrijd,  de zangkanariekweek in Nederland op sterven na dood? Moeten we gelaten toezien dat de ‘moeder van de georganiseerde zang- en siervogelliefhebberij’ ten onder gaat aan de geest van de
huidige tijd?
Jaap Plokker analyseert de teruglopende belangstelling voor het kweken van zangkanaries en blikt vooruit. Allereerst kijkt hij naar ontwikkelingen buiten de vogelliefhebberij en hun effect op het houden en kweken van zang- en siervogels. Vervolgens onderzoekt hij de sterke en zwakke punten in de zangkanariesport en mogelijke interne oorzaken voor de dalende populariteit van de zangkanariekweek. Tenslotte komt hij uit op de vraag of er nog toekomst is voor de zangkanariesport en, zo ja, hoe die er uit zou kunnen zien.
Gezien zijn eigen ervaringen gaat hij vooral uit van de wereld van de waterslagers. In hoeverre zijn betoog ook geldt voor die van de harzers en timbrado’s zullen vooral kwekers uit die kringen moeten beoordelen.

Inleiding

Deel 1 - Externe oorzaken
         
Herinneringen
                   Minder kooien in de huiskamers
                   Minder zangkanariekwekers
                   Slot

          Gezelschapsdieren
                   Ontwikkelingen in het huisdierenbezit
                            Dalend huisdierenbezit vanaf eind 20e eeuw

          Ontwikkelingen in het bezit van zang- en siervogels
                  Teleurstellend wetenschappelijk onderzoek
                           
Rapport ‘Gedeelde Zorg’2006
                            Huisdierenbezitters met vogels vanaf 1979
                            Feiten en Cijfers 2011 en 2015
                            Wetenschappelijke onderzoeken nauwelijks bruikbaar

       Rapporten brancheorganisatie
                   Zang- en siervogelbezit daalt  in Nederland al 40 jaar
                   Nederland in Europa
                   Motieven voor afnemend huisdierenbezit
                   Zang- en siervogelfokkers in het algemeen
                   Zangkanariekwekers in het bijzonder
                   Verzilveren wordt steeds lastiger
                   Veranderende moraal

          Samenvatting en slotconclusie 

Deel 2 - Interne oorzaken
         
Sterkte/zwakte analyse
          Aantrekkelijkheid van zangkanariesport
                   Gevarieerdheid
                   Betrokkenheid

          Voetangels en klemmen
                   Een complexe en veeleisende hobby
                            Toerenherkenning en -waardering
                            Uitrusting
                            Woon-, werk- en gezinssituatie
                   Verenigingen en speciaalclubs
                            Zangkweker steeds vaker solist
                            Regionale functie verenigingen met zangkwekers
                            Speciaalclubs onvoldoende ingesteld op toetreders
                            Subgroepvorming
                            Splendid isolation
                   Negatief imago
                   Wedstrijd achilleshiel
                            Keurlijst is vaak een indicatie zangcapaciteiten
                            Prijswinnaars zonder collegiale consultatie
                            Achterkamertjesgebeuren
                            Solistische keurmeesters
                            Keurbriefje zangkanaries advies met ???
          Slot

 

Deel 3: Kansen en suggesties
          Noodzaak fundamentele veranderingen
                   Achterom kijken is zinloos
                   Speciaalclubs en keurmeesters stellen een ‘deltaplan’ op
          Promotie
                   Onze Vogels
                   Clubwebsites-gezamenlijke website
                   De boer op
          Verenigingsleven speciaalclubs
                   Intensievere contacten speciaalclubleden
                   Opvang toetreders
                   Communicatie-instrumenten
                   Sociale ontmoetingsmomenten
          Nederlanders met wortels in andere culturen
          Opzet wedstrijden voor zangkanaries op de schop
                   Waarborgen voor eerlijkheid leiden tot ondoorzichtigheid
                   Transparantie en participatie
                   Gedragscode
                   Eendaagse wedstrijden
                   Keurtechnisch collegiaal overleg
                   Consulterend collegiaal overleg tijdens wedstrijden
                   Eerlijke competitie in plaats van loterij
          Slot
Samenvatting
Verantwoording
          Noten

Inleiding

Getuige het aantal afdelingen van de NBvV dat jaarlijks wordt opgeheven is de belangstelling voor het houden en kweken van zang- en siervogels in Neder-land op haar retour. Gedwongen door ledendaling en vaak ook als het gevolg van het ontbreken van opvolgers voor vertrekkende bestuursleden heeft sedert de eeuwwisseling, maar met name in het laatste decennium, menige vogelvereniging een punt achter haar bestaan moeten zetten.1 Regelmatig word ik geconfronteerd met zangkanariekwekers die zich zorgen maken over de toekomst van de zangsport. ‘Zullen er over 10-15 jaar nog zangkanariekwekers en wedstrijden voor harzers, waterslagers en timbrado’s zijn?’, vragen zij zich af.  Om zich heen zien zij namelijk collega kwekers ouder en het kringetje liefhebbers steeds kleiner worden. Is het houden en kweken van zangkanaries een sport die letterlijk aan het uitsterven is? Het heeft er alle schijn van, met name voor de wereld van de harzers en zeker ook voor die van de waterslagers, waarvan ik het meest op de hoogte ben.
Voor de oorzaak van de teloorgang van de zangsport wordt vaak met de vinger naar buiten de vogelliefhebberij gewezen. ‘Mensen kiezen voor een andere vorm van vrijetijdsbesteding dan het houden en kweken van vogels’ is een veelgehoorde reden voor de tanende populariteit van de vogelliefhebberij. De vraag is of dit de enige oorzaak is. Moeten zangkanariekwekers soms ook de hand in eigen boezen steken, omdat ze  te lang zijn blijven hangen in een op een 19e eeuwse wijze beoefenen van hun liefhebberij? Als dat zo is en de bereidheid bestaat om het kweken van zangkanaries aan te passen aan de wensen en verlangens van de 21e eeuwse vogelliefhebber, mogelijk heeft de zangkanariesport dan toch nog toekomst en zullen er in de komende decennia, voor weliswaar veel minder liefhebbers dan in het verleden het geval was,  wedstrijden voor harzers, waterslagers en timbrado’s georganiseerd blijven worden.

Deel 1 - Externe oorzaken

De tanende populariteit voor het houden en kweken van vogels in het algemeen en van zangkanaries in het bijzonder is een gevolg van de afnemende interesse in de Nederlandse samenleving voor deze vorm van vrijetijdsbesteding. Het kweken van zangkanaries kan niet concurreren met het scala aan andere vormen van vrijetijdsbesteding. Zo is althans de veelgehoorde verklaring.
De terugloop van het aantal zangkanariekwekers heeft dus oorzaken die buiten de sport liggen en waaraan de sport ook niets kan doen. Ze moet dit gelaten accepteren als een gegeven en zich neerleggen bij de consequentie dat dit het einde van de zangkanariesport kan betekenen. In onderstaande onderzoeken we in welke mate in Nederland de interesse voor de vogelliefhebberij in het algemeen, en die voor de zangkanariekweek in het bijzonder, daadwerkelijk afneemt en wat buiten de invloedsfeer van de zangkanariesport liggende oorzaken kunnen zijn van die dalende populariteit.

Herinneringen
Naar het bezit van zang- en siervogels is in het verleden nauwelijks gestructureerd onderzoek gedaan. We hebben dus weinig, op ‘harde’ feiten gebaseerd, inzicht over de ontwikkeling van het sier- en zangvogelbezit in Nederlandse huishoudens gedurende de laatste vijftig jaar. We moeten ons daarom, vnl. voor de 20e eeuw, behelpen met ‘zachte’, en dus minder betrouwbare, gegevens, zoals persoonlijke herinneringen. Die mogen uiteraard niet als onderbouwing fungeren voor algemeen geldende uitspraken, maar bij gebrek aan beter moeten we het voorlopig hiermee doen.

Minder kooien in de huiskamers
Ik ben er van overtuigd dat ik nu veel minder vogelkooien in huiskamers zie dan tijdens mijn jeugd en de eerste jaren dat mijn vader, en ik aan de zijlijn, waterslagers kweekten. Een collega van me was gedurende de jaren ’80 en beginjaren ’90 actief  met het organiseren van een markt voor tweedehands artikelen ten bate van een mannenkoor. Ze betrokken hun spullen voor een belangrijk deel van nabestaanden van overleden personen. In de praktijk waren dat vnl. ouderen. Ik vertelde hem over de tombola op de tentoonstelling van de vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ waar we als blikvangers en hoofdprijzen waterslagers in een sierkooi hadden. De zangkanaries waren


Veertig jaar geleden was het nog heel gebruikelijk dat in een huiskamer een sierkooi met een zangkanarie stond of hing. Tegenwoordig moet je er naar zoeken.

 geschonken, maar de aanschaf van de sierkooien was voor de vereniging een behoorlijke kostenpost. Hij bood me toen aan eens in de opslag van hun ‘markt’ te komen kijken, omdat ze ‘stapels’ vogelkooien hadden staan, die  met ‘bosjes’ binnenkwamen en waar nauwelijks vraag naar was.
Tussen 1976 en 1984 schommelde het aantal inzenders van zangkanaries, harzers en waterslagers, voor de onderlinge tentoonstelling van ‘De Kanarievogel’ tussen 25 en 34 leden.  Het aantal ingeschreven zangkanaries, overwegend waterslagers, varieerde in die tijd tussen 260 en 350 vogels. Het overgrote deel van de inzenders van zangkanaries was woonachtig in de regio Katwijk en directe omstreken. De meeste kwekers raakten toen hun overtollige vogels kwijt op de onderlinge tentoonstelling, aan huis of aan lokale dierenwinkels. Ik bezit nog een soort kasboekje met inkomsten en uitgaven betref
-fende onze vogelliefhebberij uit de periode 1974-1985. Daaruit valt op te maken dat we in de tweede helft van de jaren ’70 een waterslagerman voor ƒ25,00 en in de eerste helft van de jaren ’80 voor ƒ30,00, soms zelfs ƒ35,00, verkochten. Rond 1985 was de verkoopprijs van de waterslagermannen gezakt naar ƒ22,50 – ƒ25,00. In mijn beleving werd het vanaf dat moment, dus medio de jaren ’80, steeds lastiger om waterslagers te verkopen, zowel aan particulieren aan huis als aan winkeliers. De verkoopprijzen zakten verder en ik kan me nog wel herinneren dat ik op het eind van de jaren ’90 op de tentoonstelling van ‘De Kanarievogel’ in de verkoopklasse ca. ƒ 12,50 voor een waterslagerman vroeg, om ze maar kwijt te kunnen raken. Dat was dus een halvering van de verkoopprijs t.o.v. 1980  als gevolg van een sterk afgenomen vraag.

Minder zangkanariekwekers
De door mij geconstateerde dalende belangstelling voor een vogel als huiskamerzanger vanaf medio de jaren ’80 valt, opvallend genoeg, samen met een teruglopende interesse voor het kweken van zangkanaries, althans als we ontwikkelingen rondom vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ te Katwijk  als uitgangspunt nemen. Werden in 1984 nog door 34 leden zangkanaries ingezonden, in 1990 was dat gezakt naar 20, in 1995 naar 16, in 1999 naar 15 en in 2005 schreven nog 11 leden zangkanaries in.2
Hierbij moeten we ook in de beschouwing betrekken dat ‘De Kanarievogel’ in die periode
, w.b. de waterslagerkwekers, zich steeds meer ontwikkelde van een lokale naar een regionale vereniging. De regio waaruit de waterslagers kwekende leden afkomstig is breidde zich uit van vnl. Katwijk en omstreken tot nu een gebied dat zich uitstrekt van het Westland, via  Alphen aan den Rijn en Amsterdam tot Haarlem. Gezien bovenstaande cijfers voor ‘De Kanarievogel’ werd de afname van het aantal in Katwijk en directe omgeving woonachtige waterslagerkwekers dus niet gecompenseerd door nieuwe leden uit de groter wordende regio. Ondanks het zich steeds verder uitdijende rekruteringsgebied daalde het aantal inzenders met waterslagers voor de onderlinge tentoonstelling.
Kijken we naar het ledenbestand en het aantal inzenders voor de clubkampioenschappen van de Speciaalclub Zang NZHU, dan kent de vereniging het grootste aantal leden en inzenders voor de onderlinge wedstrijd kort na de oprichting, in de tweede helft van de jaren ’80. Over het
verloop van het ledenbestand zijn we niet volledig geïnformeerd, maar in 1990 telde de club 67 leden en in 2001 59, om daarna terug te vallen tot 32 eind 2005. Het aantal deelnemers aan de clubkampioenschappen was in 1985 57, in 1990 39 en in 1999 38. Gedurende de jaren ’90 werd de NZHU dus geconfronteerd met een langzame ledendaling, maar bleef het aantal inzenders voor de clubkampioenschappen vrijwel gelijk. De grootste terugval in zowel het ledenbestand als het aantal inzender viel voor de Speciaalclub Zang NZHU in de periode 2000-2005. In 2005 schreven nog maar 15 leden vogels in voor de wedstrijd.3

Slot
Op grond van persoonlijke herinneringen, zoals bovengenoemde, vermoed ik dat de grote daling van het aantal vogelkooien in de Nederlandse huishoudens in de eerste helft van de jaren ’80 is begonnen en zich tot in de jaren ‘90 heel sterk heeft doorgezet. Gelijktijdig met deze ontwikkeling begon ook de daling voor de belangstelling voor het houden en kweken van zangkanaries, aanvankelijk snel, later langzaam, maar gestaag, tot op de dag van vandaag. Er zijn, zoals we hierna zullen zien, aanwijzingen dat het landelijke beeld niet veel afwijkt van hetgeen zich volgens mijn waarnemingen in de regio Katwijk en in West-Nederland heeft voltrokken.

Gezelschapsdieren
Het houden en kweken van zang- en siervogels is een onderdeel van een fenomeen dat onlosmakelijk met de mensheid verbonden lijkt: de behoefte aan gezelschapsdieren. Vermoed wordt dat al 12.000 jaar geleden de wolf werd gedomesticeerd om de mens van nut te zijn. Sindsdien is de hond onderdeel van de mensenmaatschappij geworden. Tegenwoordig wordt het gezelschapsdier, in toenemende mate, sociaal-emotioneel als een gezinslid beschouwd. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat ontwikkelingen in het huisdierenbezit ook effect hebben op het houden en kweken van zang- en siervogels.4

Ontwikkelingen in het huisdierenbezit
Structureel onderzoek naar het huisdierenbezit in Nederland is van relatief recente datum. Kort na de eeuwwisseling is men begonnen het honden- en kattenbezit jaarlijks te inventariseren en zijn ontwikkelingen sindsdien in kaart gebracht. Voor de overige huisdieren, zoals zang- en siervogels, gebeurt dat pas sedert 2015 periodiek. Willen we ons een beeld vormen van de ontwikkelingen betreffende het huisdierenbezit in het algemeen en dat van zang- en siervogels in het bijzonder vanaf de laatste decennia van de 20e eeuw, dan moeten we ons dus voornamelijk baseren op incidentele gegevens.

Tabel 1. Aantal gezelschapsdieren in Nederland in 2003-2005.9

Het aantal zang- en siervogels in Nederland werd  in 2003 geschat op 3,4 miljoen, op basis van gegevens van Divebo, een organisatie voor ondernemers in de huisdierenbranche.

Dalend huisdierenbezit vanaf eind 20e eeuw
Het in 2006 door het Forum Welzijn Gezelschapsdieren gepubliceerde rapport ‘Gedeelde Zorg’ schetst de volgende historische ontwikkeling: Eind jaren ’70 was in 74% van de Nederlandse huishoudens één of meerdere huisdieren aanwezig. Dat percentage nam in jaren ’80 sterk af en dat zette door tot in de jaren ’90. Bij de eeuwwisseling had 50% van de huishoudens een gezelschapsdier. Het Forum constateerde na 2000 weer een toename van het percentage huishoudens met een huisdier, naar 55% in 2005. Een belangrijk aandeel in deze stijging hadden de honden-, katten- en konijnenbezitters.5
Het in 2011 uitgebrachte ‘Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2011’ constateerde dat gedurende de periode 2005-2010 de groei had doorgezet naar 59%.6  In het vervolg op dit rapport is te lezen dat gedurende de jaren 2010-2014 het percentage van 59% stabiel was gebleven.7  In de tweede helft van het tweede decennium daalde het percentage huishoudens met een gezelschapsdier in fors tempo, naar 47,7
%  in 2019, zoals Tabel 5 laat zien. Sedert 2014 is in Nederland het percentage huishoudens met een huisdier met 19% gedaald. Op dit moment is het aantal huishoudens met een huisdier procentueel dus iets lager dan rond de eeuwwisseling, en dalende.

Ontwikkelingen in het bezit van zang- en siervogels
De 21e  eeuwse onderzoeken naar het huisdierenbezit in Nederland concentreerden zich aanvankelijk op honden en katten.  Opvallend is hoe weinig aandacht in de studies werd besteed aan het bezit van zang- en siervogels.

Teleurstellend wetenschappelijk onderzoek
In 2002  werd door Divebo, een organisatie voor ondernemers in de huisdierenbranche, voor de eerste keer een onderzoek ingesteld naar het bezit van honden en katten in Nederland. De oprichting van het Forum Welzijn Gezelschapsdieren door de Raad voor Dierenaangelegenheden was een stap om het huisdieren-bezit meer wetenschappelijk te benaderen, maar in hun rapportage voerde het honden- en kattenbezit eveneens de boventoon.

Rapport ‘Gedeelde Zorg’ 2006
In de in 2006 door het Forum uitgebrachte publicatie ‘Gedeelde Zorg’ werd namelijk summier aandacht besteed aan het bezit van zang- en siervogels in de Nederlandse huishoudens. Bij de schatting hoeveel zang- en siervogels in Nederland aanwezig waren hinkte het Forum op twee gedachten. Zo meende men het aantal in Nederland aanwezige zang- en siervogels bij benadering te kunnen bepalen aan de hand van de productie van vaste voetringen door organisaties van vogelhouders. Op basis van deze gegevens kwam men tot een schatting van ruim 2 miljoen zang-, sier- en watervogels, die in 2005 in Nederlandse huishoudens als gezelschapsdier werden gehouden.  Daarnaast hanteerde men ook een schatting op basis van door Divebo verstrekte gegevens, waaruit bleek dat in 2003 in Nederland 3,4 miljoen zang- en siervogels aanwezig waren. Beide cijfers zijn volkomen onvergelijkbaar, omdat ze totaal verschillende informatie verschaffen. De door Divebo uit een enquête verkregen aantallen was een schatting van het totale aantal vogels in de Nederlandse huishoudens in 2003; de ringenproductie van 2005 is een indicatie  hoeveel jonge vogels de zang- en siervogelfokkers in dat jaar hoopten te kunnen kweken. Dit zijn totaal verschillende grootheden, appels en peren. Het signi-ficante verschil tussen beide getallen van 39% is dan ook veelzeggend.

Tabel 2. Percentages huisdieren, per soort, in Nederlandse huishoudens met gezelschapsdieren gedurende 1979 en 2005.10  

Huisdierenbezitters met vogels vanaf 1979
In het ‘Forum’ rapport vinden we een interessante tabel die de ontwikkeling tussen 1979 en 2005 in beeld brengt. In 1979 was in 50% van de huishoudens met gezelschapsdieren één of meerdere zang- of siervogels in huis. In 1993 was dat percentage gedaald tot 26% en in 1995 tot 20%. In 15 jaar was dus in Nederland het percentage  huisgezinnen met gezelschapsdieren dat één of meerdere vogels in huis had gedaald met 60%. Na 1995 was nog wel sprake van een daling, maar die ging lang niet zo snel als in de periode 1980-1995 het geval was geweest. Deze cijfers passen overigens prima in het beeld dat hiervoor werd geschetst op basis van persoonlijke herinneringen en ontwikkelingen bij vogelvereniging. ‘De Kanarievogel’ te Katwijk en de Speciaalclub Zang NZHU gedurende de laatste decennia van de 20e eeuw.
Overigens heeft de daling van het percentage zang- en siervogels bij de huisdierenbezitters zich tot onze tijd gestaag voortgezet. Had in 2005 nog 17% van de huisdierbezitters
één of meerdere vogels, in 2019 was dat gedaald tot 11,1%.11

Tabel 3. Absolute aantallen huisdieren, per soort, in Nederlandse huishoudens in 2005 en 2010.
13

In deze tabel worden m.b.t. de zang- en siervogels appels met peren vergeleken. Het voor 2006 opgegeven aantal van 3,4 miljoen is gebaseerd op een schatting van Divebo (uit 2003), terwijl de opgave voor 2010 is gebaseerd op het door organisaties van vogelhouders verspreide aantal ringen. Het verschil tussen de Divebo schatting en de ringenverkoop bedroeg in 2003-2005 al 39%.

‘Feiten en Cijfers’ 2011 en 2015
Het vervolg op de publicatie van het Forum uit 2006 verscheen in 2011. Dit keer werd het rapport ‘Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2011’ uitge-bracht door HAS Kennistransfer/HAS Hogeschool Den Bosch.12  Ook in dit rapport is er minieme aandacht voor de ontwikkelingen m.b.t. het sier- en zangvogelbezit. Wederom is de ringenuitgifte de belangrijkste bron om de omvang van het aantal zang- en siervogels als huisdier in Nederland aan te geven. Er blijken in 2010 1,96 miljoen vogelringen te zijn verspreid, hetgeen een daling van 5% betekende tussen 2005 en 2010.
De uit het HAS rapport overgenomen Tabel 3 is onbetrouwbaar betreffende de ontwikkelingen
in het aantal zang- en siervogels in Nederland, omdat het verschillende grootheden met elkaar vergelijkt. Voor de vergelijking tussen 2005 en 2010 ging men voor 2005 uit van de in het uit 2006 daterende rapport gehanteerde schatting uit 2003 van Divebo van 3,4 miljoen vogels, terwijl men voor 2010 het door de organisaties voor vogelhouders uitgegeven aantal voetringen heeft genomen.

Tabel 4. Absolute aantallen huisdieren, per soort, in Nederlandse huishoudens in 2014 en 2010.
15  

Ook in deze tabel worden m.b.t. de zang- en siervogels appels met peren vergeleken. Het voor 2010 opgegeven aantal van 2 miljoen is gebaseerd op het door organisaties van vogelhouders verspreide aantal ringen. Het voor 2014 opgegeven aantal van  3,9 miljoen is gebaseerd op een schatting van Divebo. Het geconstateerde verschil van +95% kan daarom regelrecht in de prullenbak.

We zagen hiervoor dat tussen de Divebo-schatting en de ringenproductie een significant verschil van 39% zat. De in Tabel 3 aangegeven daling van het aantal zang- en siervogels in Nederland tussen 2005 en 2010 met 41% is daarom uiterst dubieus, omdat men appels met peren vergelijkt.
Onderzoekers van de HAS Hogeschool Den Bosch en de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht  (UU) waren verantwoordelijk voor het derde rapport dat in 2015, onder de naam ‘Feiten & Cijfers Gezelschapsdieren
-sector 2015’, verscheen. Het was gebaseerd op in 2014 verzamelde cijfers. Ook van dit rapport kan geconcludeerd worden dat niet alleen de aandacht zich vooral concentreert op honden en katten, maar de studenten en medewerkers van de hogeschool en universiteit, wederom op de zang- en siervogels betrekking hebbende cijfers niet al te zorgvuldig hanteren.
Voor de gebruikelijke tabel met het aantal zang- en siervogels in Nederland vallen de onderzoekers voor 2014 weer terug op Divebo schattingen, die deze keer opnieuw worden vergeleken met de ringenverkoop van de organisaties voor vogelhouders in 2010. We zagen hiervoor dat tussen beide waarnemingen op hetzelfde moment een verschil van ca. 40% kan bestaan. Het rapport constateerde voor de periode  2010-2014 een spectaculaire toename van het aantal zang- en siervogels in Nederland met 95%. We kunnen 99,9% van deze groei op het conto schrijven van het rekenen met verschillende grootheden. De in dit rapport getrokken conclusies betreffende de zang- en siervogels moeten daarom niet altijd serieus genomen worden.14

Wetenschappelijke onderzoeken nauwelijks bruikbaar
Slotsom van drie door HAS Hogeschool Den Bosch en Universiteit Utrecht ondernomen onderzoeken naar de ontwikkelingen wat betreft het gezelschapsdierenbezit in Nederland, gedurende de periode 2005 t/m 2014, kan niet anders zijn dan dat als gevolg van het onder toezicht van de dames en heren academici uiterst ondoordacht omgaan met de cijfers over zang- en siervogels het erg lastig is op grond van deze studies zinnige conclusies te trekken betreffende de populariteit van zang- en siervogels in Nederlandse huishoudens gedurende genoemde periode. Voor onderzoek naar de ontwikkelingen van het zang- en siervogelbezit zijn de rapporten alleen waardevol vanwege de cijfers omtrent het vogelbezit en de ringenproductie in bepaalde jaren.
De laatste jaren wordt er door Aeres Hogeschool in Dronten en de HAS Hogeschool Den Bosch periodiek de zogenaamde ‘Pet Monitor’ gepubliceerd. Het verzamelen van gegevens en door de medewerkers van genoemde instellingen getrokken conclusies hebben vrijwel uitsluitend betrekking op honden- en kattenbezitters. Naar zinnige informatie omtrent het zang- en siervogelbezit zal men in de ‘Pet Monitor’ tevergeefs zoeken. 

 

Tabel 5. Percentages van Nederlandse huishoudens met huisdier, onderverdeeld naar diersoort, gedurende de periode 2017-2019.21 
 

 

2017

2018

2019

%

%

%

 

 

 

 

Huishoudens met huisdieren

51

49

47,7

 

 

 

 

Katten

23,9

23,8

23,4

Honden

18,9

18,4

17,8

Siervissen

9,2

7,8

7,2

Vijvervissen

6,1

5,8

5

Konijnen

6

4,8

3,8

Zang- en siervogels

4,9

4,8

5,3

Knaagdieren

4,8

4,1

3,1

Pluimvee

2,9

2,8

2,6

 

 

 

 

Percentage huishoudens met zangvogels van percentage huisdierenbezitters

9,6

9,8

11,1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


N.B. Percentages beneden 1% zijn niet meegenomen.

Rapporten brancheorganisaties
Werden en worden we op grond van door hogescholen ondernomen onder-zoeken naar het gezelschapsdierenbezit, behoudens enige data omtrent ringenproductie en Divebo-schattingen, weinig wijzer omtrent de ontwikkelingen in het zang- en siervogelbezit in Nederlandse huishoudens gedurende de laatste decennia, mogelijk dat we wel enig inzicht kunnen verwerven uit rapporten van belangenorganisaties in de wereld van de gezelschapsdieren.

In Nederland wordt het huisdierenbezit periodiek geïnventariseerd door Divebo, een organisatie voor ondernemers in de huisdierenbranche en de NVG, de Nederlandse Voedingsindustrie Gezelschapsdieren. Vanaf  2002 geven Divebo en NVG aan het bureau SAMR/MarketResponse de opdracht het huisdierbezit te onderzoeken. Dit gebeurt in de vorm van een steekproef onder een representatieve groep Nederlandse huishoudens. Aanvankelijk concentreerde men zich op honden en katten en pas vanaf 2015 wordt ook het bezit van zang- en siervogels in het onderzoek betrokken.16  De resultaten van het jaarlijks onderzoek door SAMR/MarketResponse worden door Divebo in een persbericht gepubliceerd, maar  met betrekking tot het zang- en siervogelbezit hult men zich in de grootst mogelijke algemeenheden. Een structurele inventarisatie van het aantal zang- en siervogels in Nederland vanaf 2015 ontbreekt ook in de publiek toegankelijke Divebo/NVG-rapportage. We moeten dus volstaan met losse feiten, zonder enige samenhang in de tijd: in het in 2016 uitgebrachte persbericht, gebaseerd op uit 2015 daterende gegevens, blijven de zang – en siervogels onvermeld; hetzelfde geldt voor het uit 2017 daterende rapport. In het in 2018 gepubliceerde persbericht met data uit 2017 kunnen we lezen dat 4,9 % van de huishoudens één of meer zang- of siervogels bezit. In het uit 2019 daterende rapport staat dat in 2018 in Nederland 2,0 miljoen zang- en siervogels werden  gehouden en dat in 4,8 % van de Nederlandse huishoudens één of meer zang- of siervogels aanwezig zijn. Het in september 2020 gepubliceerde persbericht meldt dat het aantal zang- en siervogels in Nederland in 2019 is toegenomen tot 2,4 miljoen en het percentage huishoudens met zang- en siervogels is gestegen tot 5,3%.17 

Wat leert ons de onderzoeken over Nederland?
Op basis van de incidentele gegevens concluderen we dat de populariteit van het hebben van een huisdier in Nederland een golvende beweging vertoont, maar de trend in de laatste 40 jaar in neerwaartse richting gaat. Ca. 1980 hadden drie van de vier Nederlandse huishoudens één of meerdere huisdieren, rond de eeuwwisseling was dat nog één op de twee. In de daaropvolgende 15 jaar was er een stijging van het percentage huishoudens met een huisdier naar bijna 60%, om sinds 2015 weer te dalen naar ca. 48% in 2019. De populariteit van het huisdierbezit is op dit moment dus gezakt tot iets beneden het percentage van rond de eeuwwisseling, en dalende. De opleving van het gezelschapsdierenbezit gedurende de eerste 15 jaar van deze eeuw is bij gebrek aan voldoende  gegevens niet aantoonbaar terug te vinden in de populariteit van het hebben van een vogel als huisdier. De indruk bestaat dat in het eerste decen-nium van de 21e eeuw er niet of nauwelijks  een opbloeiende belangstelling voor vogels als gezelschapsdieren is geweest. Met name het honden- en kattenbezit is in die periode toegenomen.
Na twee decennia periodiek onderzoek naar het gezelschapsdierenbezit in Nederland is de oogst betreffende de ontwikkeling in de populariteit van zang- en siervogels in Nederland bijzonder schamel: Aangaande  het absolute aantal hebben we vier cijfers: In 2003 schatte Divebo het aantal zang- en siervogels in Nederland op 3,4 miljoen18,  in 2014 was dat 3,9 miljoen19   en voor 2018 en 2019 was dat respectievelijk 2,0 en 2,4 miljoen. Dit betekent dat tussen 2003 en 2019 het aantal zang- en siervogels in Nederlandse huishoudens met 29% is gedaald.20
Wat betreft het percentage Nederlandse huishoudens met één of meerdere zang- of siervogels vonden we voor de 21e  eeuw uitsluitend gegevens vanaf 2017. Dat waren achtereenvolgens 4,9, 4,8 en 5,3%. Dit betekent dat op dit moment in één op de twintig Nederlandse huishoudens één of meerdere vogels aanwezig is.
Omtrent de populariteit van zang- en siervogels onder huisdierbezitters beschikken we over cijfers over de periode 1979-2005 en vervolgens vanaf 2017. In 1979 bezat 50% van de huisdierenbezitters een of meerdere zang- of siervogels; in 1993 was dat gedaald naar 26%;  in 2001 naar 16%; in 2019 naar 11,1%.
Kortom, de populariteit van zang- en siervogels onder de huisdierbezitters vertoont sedert 1980 een dalende trend. Van de huishoudens met een gezelschapsdier had in 1979 1 op de 2 gezinnen één of meerdere vogels; in 2019 was dat 1 op de 10 huishoudens. De sterkste daling voltrok zich overigens in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw. Of de in 2019, ten opzichte van 2018, gestegen populariteit structureel of incidenteel is geweest zal de komende jaren moeten blijken.

Nederland in Europa
FEDIAF, de organisatie van de Europese huisdiervoedersindustrie, brengt vanaf 2018 jaarlijks een rapport uit over het gezelschapsdierenbezit in de Europese landen. De gegevens zijn gebaseerd op steekproeven, kunnen jaarlijks fors wisselen en vanuit wetenschappelijk oogpunt kunnen we er daarom niet blind op varen, maar ze geven wel een indicatie.22 
De meest recente Europese gegevens waarover ik beschik staan in het in 2020 gepubliceerde FEDIAF rapport over 2019. Hieruit bleek dat, wat betreft
het aantal zang- en siervogels, ons land, na Italië, Turkije, Frankrijk, Spanje, Duitsland en Rusland, met 2.440.000 vogels in Nederlandse huishoudens, op de zevende plaatst stond. In België werd het aantal zang- en siervogels in 2019 geschat op 450.000.
Wanneer we deze acht landen eens nader beschouwen en dan rekening houden met het bevolkingsaantal ontstaat een heel ander plaatje. Op 1000 inwoners waren er in Rusland 23 siervogels; in Duitsland 50, in Frankrijk 69, in Turkije 136, in Spanje 139, in Nederland 141 en in Italië 206. Het hebben van vogels als huisdier lijkt dus van de genoemde Europese landen in Italië verreweg het populairst, gevolgd door Nederland. In alle overige West-Europese landen lag het siervogelbezit aanzienlijk lager. Ter vergelijking: in 2019 waren in België op de 1000 inwoners 38 vogels.23
Europees bezien, met name Noordwest-Europees, staat Nederland wat betreft de populariteit van zang- en siervogels als huisdier er dus helemaal niet zo slecht voor. Men zou zelfs kunnen stellen dat de populariteit van zang- en siervogels als huisdier in Nederland met kop en schouders uitsteekt boven die in de ons omringende landen.

Motieven voor afnemend huisdierenbezit
In voorafgaande werd geconstateerd dat in Nederland al vanaf de laatste decennia van de 20e eeuw een dalende trend in het huisdierenbezit te bespeuren valt. Voor de toekomst van de vogelliefhebberij is uitermate belangrijk te weten welke motieven aan die dalende populariteit ten grondslag liggen.
Met de groei van de welvaart sinds de jaren ’60 is met de hoeveelheid ‘vrije tijd’ ook het aantal vormen van vrijetijdsbesteding toegenomen. Dat de belangstelling voor het houden en kweken van vogels hiervan concurrentie ondervindt is evident. Ik heb echter wel mijn twijfels om dit als enige oorzaak te zien voor de tanende belangstelling voor het houden en kweken van zang- en siervogels. Toen de vereniging ‘De Kanarievogel’, waarvan ik bestuurslid en vanaf 1985 voorzitter was,  begin jaren ’80 werd geconfronteerd met ledendaling werd, uiteraard, ook naar oorzaken gezocht. Meerdere malen kwam ter tafel dat dit een teken van de tijd was: onvermijdelijk en vechten tegen de bierkaai om daar wat aan te doen, want de mensen hadden nieuwe invullingen voor hun vrije tijd gekregen en gekozen, zoals tv kijken,  op een camping een permanent plekje voor een caravan, etc. Vanaf de tweede helft van de jaren ’80 trok het ledenbestand van ‘De Kanarievogel’ weer aan en beginjaren ’90 had de club het grootste aantal leden en de meeste vogels op de onderlinge tentoonstelling sedert haar oprichting in 1949. De teruggang ca. 1980 was in de regio Katwijk dus duidelijk niet het gevolg geweest van de televisie en het caravanbezit. Alternatieve ontspanningsmogelijkheden zijn dus niet de reden voor een afnemende belangstelling voor het houden en kweken van sier- en zangvogels gedurende de laatste decennia. Dit neemt niet weg dat het een factor van betekenis kan zijn.
Interessant is te vernemen welke motieven anno 2020 voor de afnemende populariteit van een gezelschapsdier worden aangedragen. Tijdgebrek wordt als voornaamste reden genoemd om geen huisdier te nemen. Verder wordt ook aangegeven dat het hebben van één of meerdere huisdieren te complex is binnen de woon-werksituatie. De verzorging die het huisdier vraagt wordt als een belemmering gezien, terwijl overlast, zoals rommel, haren, stank en allergische reacties ook als motieven worden genoemd geen huisdier (meer) te nemen. Het lijkt er op dat mensen tegenwoordig, meer dan in het verleden, veel bewuster kiezen voor het wel of niet aanschaffen van een huisdier en goed gekeken wordt of het bezit van een huisdier met de bestaande werk-, woon- en gezinssituatie te combineren valt.8 


Een midweekje bivakkeren aan zee, in een huisje op het Katwijkse strand. Wie voert thuis de vogels?

Voor de hand ligt om te veronderstellen dat met deze oorzaken voor het afnemende huisdierbezit het hebben van één of meerdere zang- en siervogels als gezelschapsdier en het fokken van zang- en siervogels in het bijzonder, substantieel meer afneemt, omdat met name het verzorgen van één of meerdere vogels de nodige dagelijkse verplichtingen vereist en de flexibiliteit in de huisvesting en verzorging gering is. Je neemt namelijk niet zo gemakkelijk je vogel(s) mee op vakantie. Bovendien maakt het uiteraard voor de belasting op het woon-, werk- en gezinsleven een groot verschil of het bezit van een huisdier zich beperkt tot één vogel of dat men vogels in grotere aantallen houdt en kweekt.
Wonen, werken en recreëren zijn in Nederland in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Het houden en verzorgen van dieren, in het bijzonder vogels, is steeds meer een onwelkome handenbinder geworden. Onregelmatige werktijden/overwerk, meer dan één persoon die voor het gezinsinkomen zorgt, het even een paar dagen van huis zijn of, wat langer, op vakantie, zorgen voor huisvestings
- en/of verzorgingsknelpunten, die om een oplossing vragen. Vaak vormt dit vooruitzicht cq. deze ervaring een te hoge drempel om tot aanschaf over te gaan of opnieuw een gezelschapsdier in huis te nemen, hoe graag men dat ook zou willen. Het is een kwestie van prioriteiten stellen. Gezien bovenstaande zou men mogen verwachten dat tegenwoordig niet zozeer het bezit van één vogel, maar in het bijzonder het fokken van zang- en siervogels hierdoor steeds vaker als vrijetijdsbesteding afvalt.

Zang- en siervogelfokkers in het algemeen
In bovenstaande hebben we ons voornamelijk geconcentreerd op de huishoudens  met één of meerdere  zang- en siervogels als huisdier. Een bijzondere groep hierbinnen zijn de vogelliefhebbers die er genoegen in scheppen om naast het houden van vogels deze ook te fokken. In hoeverre gelden de hierboven geschetste ontwikkelingen van het zang- en siervogelbezit ook voor de specifieke groep van de zang- en siervogelkwekers? Voor een antwoord op deze vraag nemen we de ontwikkelingen binnen de grootste Nederlandse bond voor zang- en siervogelfokkers, de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers (NBvV), als graadmeter. We beschikken over gegevens van het ledenbestand en de ringenproductie voor de periode 2010-2019. Een probleem om de aangeleverde cijfers goed te kunnen duiden is de fusie van de NBvV en de Algemene Nederlandse Bond van Vogelhouders (ANBV) op 1 januari 2017. Vanaf dat moment zijn de voor de ‘nieuwe’ NBvV geldende cijfers die van de voormalige ANBV en ‘oude’ NBvV gezamenlijk. We beschikken niet over vergelijkbare cijfers van de ANVB van voor 2017.
In 2011 werden door de NBvV ca. 135.000 ringen geproduceerd, in 2019 waren er dat ca. 113.000. Wanneer we de ringenproductie in absolute aantallen na de fusie tussen NBvV en ANBV buiten beschouwing laten, maar wel de trend volgen, dan zou zonder fusie de productie van de NBvV in 2019 zijn
uitgekomen op ca. 90.000 ringen. Tussen 2011 en 2019 zou er dan sprake zijn geweest van een daling van de ringenverkoop met ca. 33 %.

Grafiek 1. Ringenproductie Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers 2011-202124


Wat betreft het ledenbestand hanteren we dezelfde rekenmethode. In 2010 had de NBvV bijna 30.000 leden, in 2019 was dat 22.000. Wanneer we het
ledenbestand in absolute aantallen na de fusie tussen NBvV en ANBV buiten beschouwing laten, maar wel de trend volgen, dan zou zonder fusie het aantal leden van de NBvV in 2019 zijn uitgekomen op ca. 19.250. Tussen 2010 en 2019 zou er dan sprake zijn geweest van een daling van het ledenbestand met ca. 35%. Het verschil in de ledendaling en de ringenverkoop is nagenoeg gelijk. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat vooral vogelfokkers in 2010-2019 het lidmaatschap van de NBvV hebben opgezegd en dus met de uitoefening van hun hobby zijn gestopt.
Op basis van Diveboschattingen veronderstellen we een afname van het sier- en zangvogelbezit in Nederland tussen 2003 en 2019 met 29 %. De ledendaling van de NBvV in het tweede decennium is dus sterker geweest dan de afname van het sier- en zangvogelbezit in Nederland. Het ligt daarom voor de hand te veronderstellen dat de populariteit van het  fokken
van zang- en siervogels sterker is gedaald dan die voor het hebben van één of meerdere vogels als huisdier.

Grafiek 2. Ledenbestand Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers 2011-202125

Zangkanariekwekers in het bijzonder
Hoe ontwikkelde de populariteit van het fokken van zangkanaries zich gedurende de laatste decennia? Voor een antwoord op deze vraag nemen we als graadmeter de ontwikkeling van het ledenbestand van vier speciaalclubs voor zangkanariekwekers: de waterslagerspeciaalclub ‘De Nachtgaal’ (1921), de Landelijke Speciaalclub Harzers (LSH) (1976), de Speciaalclub Zang NZHU (1985) en The Spanisch Timbrado Society NL (2001).

De wortels van de speciaalclub voor waterslagerkwekers ‘De Nachtegaal’ gaan terug tot 1921. Traditioneel rekruteerde ‘De Nachtegaal’ haar leden uit zowel de ANVB als de NBvV. In de afgelopen decennia functioneerde de vereniging, tot aan de fusie in 2017, ook als de speciaalclub voor waterslagerkwekers binnen de ANBV. Van de waterslagerspeciaalclub ‘De Nachtegaal’ beschikken we over cijfers van het ledenbestand vanaf 1988. In dat jaar telde de waterslagerclub 91 leden. Na een opmerkelijke groei vanaf 1994, naar 108 leden in 1997, die mogelijk verband hield met de verplaatsing van de wedstrijdlocatie van Amersfoort naar Rijssen, daalde vanaf  2001 het ledenbestand gestaag tot 51 in 2021. Over de periode 1988-2021 was er sprake van een ledendaling met 44,4 % en tussen 2010 en 2021 was dat 43,3 %.
De Landelijke Speciaalclub Harzers is opgericht in 1976 als speciaalclub voor harzerfokkers binnen de ANBV. Na de fusie van de ANBV met de NBvV op 1 januari 2017 is de LSH onderdeel van de NBvV. Helaas kon het bestuur van de LSH weinig cijfers overleggen m.b.t. het ledenbestand. In 2000 had de LSH 63 leden; in 2021 waren er dat 27. Dit betekent dat over de periode 2000-2021 het ledenbestand van de LSH met 57,1% is afgenomen. Gezien de ontwikkelingen bij De Nachtegaal en de NZHU wordt verondersteld dat de afname van het ledenaantal van de LSH zich ook met name na 2010 heeft gemanifesteerd en er in de periode 2010-2021 sprake was van een ledendaling met ca. 45%.
De Speciaalclub Zang NZHU is in 1985 opgericht, als een studieclub voor zangkanariekwekers in de regio Noord- en Zuid Holland en Utrecht. Aanvankelijk bestond  het ledenbestand uit fokkers van  harzers en waterslagers, maar van 1992 tot 2005 werden voor de clubkampioenschappen ook timbrado’s ingeschreven. Bij de erkenning als landelijke speciaalclub in 2012 was de NZHU de enige speciaalclub voor zangkanariefokkers van alle zangkanarierassen in de NBvV. Met uitzondering van de tweede helft van de jaren ’90 beschikken we over cijfers omtrent het ledenverloop van de NZHU gedurende haar bestaan. De vereniging had met 90 leden haar grootse ledenbestand in 1987.  Op 1 januari 2010 bedroeg het aantal leden 73 en op 1
januari 2021 41. Over de periode 1987-2021 was er sprake van een ledendaling met 54,4 %. Bekijken we het tweede decennium van de 21e eeuw in het bijzonder dan is het ledenbestand van de NZHU tussen 2010 en 2021 gedaald met 43,8%.

Grafiek 3. Ontwikkeling ledenbestand speciaalclubs zangkanaries sinds 1985

 Ledenverloop van de vier speciaalclubs voor zangkanariefokkers van de NBvV: waterslagerspeciaalclub ‘De Nachtegaal’ (vanaf 1988), Speciaalclub Zang NZHU (NZHU-vanaf 1985), Landelijke Speciaalclub Harzers (LSH) en The Spanisch Timbrado Society. De LSH beschikte uitsluitend over gegevens m.b.t. 2000 en 2021. Voor de tussenliggende jaren is het ledenbestand geschat. The Timbrado Society beschikte alleen over gegevens vanaf 2011. 26

 ‘The Spanish Timbrado Society’ is in 2001 opgericht als alternatief voor de eind jaren ’90 door leden van de NBvV opgerichte ‘Speciaalclub voor harzers en timbrado’s’. Van laatstgenoemde is daarna nog maar weinig vernomen. Sedert 2018 is de vereniging een officiële speciaalclub van de NBvV. Over de periode vanaf de oprichting tot 2011 beschikt  ‘The Spanish Timbrado Society’
niet over gegevens omtrent de omvang van het ledenbestand. In 2011 telde de vereniging 76 leden, in 2017 was dat gedaald tot 40. Vanaf dat moment steeg het aantal leden gestaag naar 52  in 2020. Het ledenbestand van ‘The Spanish Timbrado Society’ daalde van 2011 tot 2018 met 47,4 %; tussen 2018 en 2020 steeg het weer met 30%. Per saldo daalde het aantal leden van The Spanish Timbrado Society tussen 2011 en 2020 met 31,6%.
Bovenstaande cijfers voor de vier speciaalclubs gezamenlijk duiden op een ledendaling in het laatste decennium met ca. 41%. Nemen we de ontwikkelingen bij de speciaalclubs voor zangkanaries sedert 2010 als graadmeter voor de populariteit van de zangkanariekweek en die van het ledenbestand van de NBvV als indicatie voor de populariteit van het fokken van zang- en siervogels in het algemeen, dan is gedurende het tweede decennium de populariteit van het fokken van zangkanaries sterker gedaald dan die van het fokken van zang- en siervogels, namelijk met respectievelijk gemiddeld ca. 41% en ca. 35% .
Wonen, werken en recreëren zijn in Nederland in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Het houden en verzorgen van één of meerdere gezelschapsdieren is voor een groeiend aantal huishoudens te complex geworden. Het heeft er alle schijn van dat deze
situatie  voor de zang- en siervogelkweek in het algemeen en die voor de zangkanariekweek in het bijzonder, zeer ingrijpende gevolgen heeft gehad.

Verzilveren wordt steeds lastiger
Naast voornoemde oorzaken voor de teruglopende populariteit van het kweken van zang- en siervogels zou de daling van het aantal fokkers mede veroorzaakt kunnen worden door de tanende mogelijkheden de gekweekte vogels om te zetten in aantrekkelijke klinkende munt. Het vooruitzicht dat met het kweken van sier- en zangvogels neveninkomsten waren te verwerven was na 1900  een van de belangrijkste redenen voor het ontstaan van de georganiseerde zang- en siervogelliefhebberij in Nederland. De zangkanariekweek was toen de motor achter deze ontwikkeling. Tot op de dag van vandaag is er een verband te constateren tussen enerzijds vogels kweken en anderzijds daaruit inkomsten te genereren. Al was het alleen maar om de hobby (deels) te kunnen bekostigen.27 


Vogelhandelaar Michael van Vliet op 14 januari 2019 bij de Speciaalclub Zang NZHU. Het kunnen verzilveren van de overtollige vogels, voor een redelijke prijs, wordt door zangkanariekwekers nog altijd erg belangrijk gevonden.

In de tweede helft van de 19e eeuw leidde de vogelexport tot een bloei van de Duitse zangkanarieteelt. Is er iets voor te zeggen dat in de 20e eeuw Nederland deze positie van Duitsland heeft overgenomen met dit verschil dat in Duitsland de aandacht volledig was geconcentreerd op het kweken van harzers en de georganiseerde zang- en siervogelteelt in Nederland gedurende de vorige eeuw zich over een veel breder terrein heeft ontwikkeld? Oftewel heeft de Nederlandse georganiseerde zang- en siervogelkweek bijna een eeuw lang geprofiteerd van een relatief grote binnenlands afzet en vogelexport en is de in verhouding tot de ons omringende landen grote populariteit van het houden en kweken van zang- en siervogels in Nederland hiervan een gevolg? Naar ik heb begrepen vertrok een substantieel deel van de in Nederland gekweekte vogels naar het buitenland en dat zou een aanwijzing kunnen zijn dat bovenstaande veronderstelling een nadere bestudering verdient. Waar populariteit deels afhangt van de revenuen mag je verwachten dat de interesse voor het fokken van vogels ook daalt wanneer voor de gekweekte vogels in binnen- en buitenland minder gretig aftrek gevonden wordt.
Het verzilveren van gefokte vogels is, traditioneel, binnen de zangkanariekweek een factor van betekenis. Naar harzers is al jaren op de particuliere markt weinig vraag. Ik veronderstel dat tot op heden de grootste teruggang van het aantal zangkanariekwekers in de harzerwereld te bespeuren valt. Dit is, mijn inziens, niet toevallig, maar gezien voorafgaande heel verklaarbaar. Voor waterslagers is (tot op heden ) nog steeds belangstelling: bij winkeliers is meer vraag naar een waterslager dan naar een harzer als huiskamerzanger. Dit komt tot uitdrukking in de verkoopprijzen die de kwekers voor hun vogels ontvangen. Ook de export van zangkanaries bestaat voor het grootste deel uit waterslagers: ‘Opkopers’ met internationale contacten hebben voor harzers nauwelijks belangstelling. Wat de gevolgen kunnen zijn voor de populariteit van het houden en kweken van waterslagers wanneer de export wegvalt en de meeste in Nederland gekweekte waterslagers ook op de Nederlandse markt moeten worden afgezet laat zich raden. Toen in de winter van 2019/2020, vanwege uitbraken van vogelgriep in Polen en Duitland, de Nederlandse export van zangvogels stokte, als gevolg waarvan waterslagerkwekers op het moment dat men in voorafgaande jaren al ‘los’ was nog met een deel van hun overtollige vogels in hun maag zaten, waren de door mij gehoorde reacties veelzeggend. Valt de buitenlandse vraag naar waterslagers weg, dreigen kwekers hierdoor met hun overtollige vogels te blijven zitten en moet men ze ten langen leste voor ‘dumpprijzen’ van de hand doen, dan volgt de waterslagerkweek in Nederland in rap tempo die van de harzers in neerwaartse richting. Daar ben ik van overtuigd.
Dat met de daling van de afzetmogelijkheden, vanaf medio de jaren ’80, mede veroorzaakt door een dalende populariteit van het hebben van een vogel als huisdier, ook vanaf dat moment een keerpunt te constateren valt in de populariteit van de zangkanariekweek is, mijn inziens, niet toevallig. De daling van het aantal kwekers van zang- en siervogels is, volgens mij, mede veroorzaakt doordat kwekers hun overtollige vogels steeds lastiger konden slijten of tegen een voor hen te lage prijs moesten verkopen. Dit heeft ontegenzeggelijk te maken met een afnemende binnenlandse vraag en mogelijk ook vanwege een afnemende vraag uit het buitenland.  Dit aspect doet zich het sterkst gelden in die tak van sport waar, traditioneel, het commerciële aspect belangrijk is, de zangkanariekweek. Zo lang de vraag naar zangkanaries vanuit binnen- en buitenland bescheiden blijft en de kwekers moeite hebben de door  hen gekweekte vogels voor een redelijke prijs te verzilveren zal, naar mijn inschatting, het kommer en kwel in de zangkanarieliefhebberij blijven. In deze gedachtegang zou het tegendeel dan
ook waar moeten zijn. Wanneer een goede waterslager of harzer op de markt 150 euro per stuk opbrengt, dus zoals de verhoudingen ongeveer lagen aan het begin van de 20e eeuw, dan zou dat een impuls voor de zangkanariesport moeten betekenen. Vooralsnog zijn er weinig voortekenen dat zo’n toekomst de zangkanariekwekers te wachten staat.


De vermenselijking van de dierenwereld neemt steeds absurdere trekken aan. Hier worden door demonstranten grote grazers in de Oostvaardersplassen gelijk gesteld met slachtoffers van de concentratiekampen in WO II. Er hoeft in de bovenkamer van dergelijke demonstranten niet veel te veranderen of zangkanariekwekers worden nazibeulen.

Veranderende moraal
Ik zou onze tijd zeker niet willen kenschetsen als één met minder aandacht voor de natuur en de dierenwereld, integendeel. Je kunt de tv niet aanzetten of er wordt een natuurdocumentaire uitgezonden. Hongerige herten en Konik-paarden in het Oostvaardersplassengebied weten hoogst verontwaardigde volksstammen op de been te krijgen. Het lijkt er zelfs op dat hoe verder de mens in z’n westerse, verstedelijkte, leefomgeving zich in het dagelijks leven heeft losgemaakt van de natuur, des te meer het natuurlijk wild als een knuffelbeer vertroeteld moet worden.
Waar tofu
, of tahoe, steeds meer op de borden verschijnt, de karbonade stilaan verdwijnt. Zoals de toenemende betrokkenheid bij natuur en milieu in de afgelopen decennia heeft geleid tot ander consumentengedrag is ook de omgang van de mens met het dier aan het veranderen. Dat in Nederland een Dierenpartij kon ontstaan, gehoor vindt bij een deel van het electoraat, andere politieke partijen in hun keuzes steeds meer rekening houden met kiezers die mogelijk gevoelig zijn voor door de Dierenpartij uitgedragen standpunten, zijn stuk voor stuk aanwijzingen dat waarden en normen omtrent het omgaan met dieren in ons land wezenlijk aan het veranderen zijn. In het verlengde van de gewijzigde houding tegenover in het wild levende dieren in onze westerse wereld is het ook begrijpelijk dat het hebben van een dier in gevangenschap, zoals het bezitten van een vogel in een kooitje, steeds meer als moreel verwerpelijk wordt beschouwd.
Vanuit dit perspectief zal een zang- en siervogelfokker in Nederland rekening moeten houden met toenemende oppositie jegens zijn liefhebberij en zal de nieuwe
dierenmoraal ook drempelverhogend werken om vogels in gevangenschap te houden en te fokken. 

Samenvatting en conclusies
Op grond van bovenstaande komen we tot de volgende slotsom. Op het einde van de 20e eeuw begon de belangstelling voor het hebben van één of meerdere vogels als huisdier te dalen, in ieder geval vanaf de jaren ’80. In de 21e eeuw heeft die daling zich voortgezet tot op dit moment. Van de gezinnen met een huisdier bezat in 1979 1 op de 2 huishoudens één of meerdere vogels; in 2019 was dat 1 op de 10. In de periode tussen 2003 en 2019 nam in Nederland het aantal zang- en siervogels af met 29 %.
Voor de periode 2010-2019 werd geconstateerd
dat met het dalen van de populariteit van het bezitten van vogels als huisdier ook de belangstelling voor het fokken van vogels afnam. 
Dit blijkt uit het slinkende  ledenbestand van de Nederlands
e vogelverenigingen, met als gevolg dat de laatste decennia tal van vogelverenigingen werden ontbonden.  De belangstelling voor het fokken van zangkanaries in het bijzonder daalde na 2010 sterker dan die voor het kweken van zang- en siervogels in het algemeen.
We zagen dat alternatieve vrijetijdsbestedingen vaak als oorzaak voor deze ontwikkeling worden genoemd, maar er meerdere factoren invloed hebben op de dalende populariteit van vogels als huisdier en om vogels te kweken. In de afgelopen decennia is het wonen, werken en recreëren van Nederlandse huishoudens zodanig veranderd dat het hebben van huisdieren, en het fokken van vogels in het bijzonder, steeds vaker als te complex binnen de gezinssituatie wordt ervaren.
Nederland bekleedt ten opzichte van de ons omringende landen, naar we aannemen al vele tientallen jaren, een uitzonderingspositie wat betreft het vogelbezit. Die is veel groter dan in de andere Noordwest-Europese landen.
Vermoedelijk geldt dit ook voor het aantal vogelfokkers. Binnen- en buitenlandse afzetmogelijkheden van sier- en zangvogels lijken hiermee verband te houden. Toen beide afzetmarkten terugvielen, nam de belangstelling voor het kweken van vogels in Nederland zienderogen af.
Ook een veranderende ethiek betreffende het houden van dieren in gevangenschap zou een steeds groter wordende negatieve invloed kunnen hebben op de belangstelling voor het houden en kweken van zang- en siervogels, in het bijzonder zangkanaries.
De eindconclusie van bovenstaande is dat de afgelopen decennia onomkeerbare maatschappelijke  ontwikkelingen hebben plaatsgevonden waardoor het houden en fokken van zang- en siervogels steeds meer naar de marges van de samenleving zullen verdwijnen. Het houden en kweken van zangkanaries heeft langzamerhand het stadium van marginaal verschijnsel al bereikt. Voor degene die de zangkanariesport na aan het hart ligt betekent dit een bittere boodschap en een oproep tot reflectie. Omzien naar het roemrijke verleden is volkomen zinloos. Tijden van weleer zullen nooit terugkeren. Een blik vooruit met 21e eeuwse aanpassingen zijn de enige die voor de zangsport enig perspectief kunnen bieden. We zullen
daarom los moeten kunnen laten wat ons vertrouwd is en ons moeten inleven in wat mogelijke toekomstige zangkanariekwekers van de zangkanariesport zouden kunnen wensen en verlangen. Niet het verleden bepaalt de norm, maar de toekomst. Gebeurt dit niet dan is de traditionele zangkanariesport op den duur ten dode opgeschreven.
 

Deel 2 - Interne oorzaken

Ondanks bovengenoemde ontwikkelingen zullen, naar mijn vaste overtuiging, er altijd mensen blijven die liever één vogel in de hand hebben, dan tien in de lucht. Helaas kiezen deze mensen steeds minder voor een harzer, waterslager of timbrado in de huiskamer en de animo om zangkanaries te gaan fokken is nog kleiner. Ligt nu de oorzaak van de teloorgang van de zangkanariesport aan ontwikkelingen in de grote boze buitenwereld of mag de zangkanariewereld ook de hand in  eigen boezem steken? Cijfers over de aanwezigheid van gezelschapsdieren in Nederlandse huishoudens duiden weliswaar op een daling van het sier- en zangvogelbezit gedurende de laatste tien jaar, maar de teruggang in het kweken van zang- en siervogels houdt hiermee geen gelijke tred; die is veel sterker. De populariteit van het kweken van zangkanaries daalt nog sneller. Over heel Nederland slinkt het ledenbestand van de gezamenlijke speciaalclubs voor zangkanaries sneller dan van de landelijke organisatie NBvV. Wie zijn ogen de kost geeft constateert dat het bestand zangkanariekwekers in Nederland sterk vergrijst, er nauwelijks sprake is van toetreders tot de sport en het kweken van zangkanaries dus letterlijk dreigt uit te sterven. Met name geldt dit voor de kweek van harzers en waterslagers. Op de groep van timbradofokkers lijkt dit relatief nog het minst van toepassing, alhoewel The Spanish Timbrado Society vanaf 2011 ook met een ledendaling van 31,6 % werd geconfronteerd. Wanneer de huidige ontwikkelingen zich onveranderd doorzetten is de vraag in hoeverre er over 10-15 jaar nog zangkanariekwekers en wedstrijden voor harzers, waterslagers en timbrado’s worden georganiseerd dus verre van hypothetisch.
Kiezen steeds minder mensen voor de zangsport, omdat het gewoonweg de landelijke trend is dat er minder vogels worden gehouden of treft de dalende populariteit de zangkanariesport meer in het bijzonder, omdat binnen de vogelliefhebberij de georganiseerde zangkanariekweek de minst aantrekkelijke tak van sport is? Als dat zo is valt er, ondanks de sombere vooruitzichten, toch  nog iets te winnen. Immers, aan onaantrekkelijkheid valt iets te verbeteren.
Konden we in bovenstaande gebruik maken van feiten en cijfers, bij het analyseren van interne factoren die hebben bijgedragen tot de dalende populariteit van de zang- en siervogelfokkerij in het algemeen en de zang
-kanariekweek in het bijzonder zullen we moeten terugvallen op subjectieve waarnemingen, keuzes en interpretaties. Het feit dat ik sinds 1974 me in de kringen van zangkanariekwekers begeef en ik gedurende die periode inmiddels 35 jaar bestuurlijke ervaring in de vogelwereld heb opgebouwd komt mij hierbij bijzonder van pas. Wel dient hierbij opgemerkt te worden dat mijn expertise vooral de kweek van waterslagers betreft, die van harzers in veel mindere mate en met betrekking tot de wereld van de timbrado’s is mijn kennis uiterst bescheiden.

Sterkte/zwakte analyse
Tijdens de door de NBvV georganiseerde Nederlandse kampioenschappen in  Zwolle in januari 2020 sprak ik kort met tropen keurmeester Peter Bredenbeek. Sprekend over de zangkanaries kwamen we samen tot een uiterst beknopte sterkte/zwakte analyse van de zangsport. Zangkanariekwekers zijn veel intensiever met vogels bezig dan tropenkwekers. Het hele jaar door is er in de zangsport voor de vogelhouder iets anders te beleven. Dat is een sterk punt, want als de tropenkwekers eenmaal vogels op stok hebben is het kwestie van in conditie houden. Peter Bredenbeek en ik constateerden beiden dat de wedstrijden de achilleshiel van de zangkanariesport waren. Waar de tropenkweker er van mag uitgaan dat zijn vogels naar reële kwaliteit zijn beoordeeld en de beste vogels ook de prijswinnaars zijn, vertonen de wedstrijden van zangkanaries veeleer eigenschappen van een loterij. Kenmerken van de zangkanariesport langslopend kom ik tot de volgende opsomming van sterke en zwakke punten:

Sterke punten:
-          Zangkanaries kweken is een afwisselende liefhebberij.
-          Zangkanariekwekers zijn
uiterst intensief  betrokken bij hun vogels.

Zwakke punten:
-          Zangkanaries kweken is in diverse opzichten complex.
-          Het vogelverenigingsleven is niet uitnodigend voor zangkanariefokkers; speciaalclubs blijven op dit vlak in gebreke.
-          Zangkanaries kweken heeft een negatief imago, vnl. vanwege het inzetkooitje.
-          Wedstrijden voor zangkanaries vertonen kenmerken van een loterij en hebben daardoor bij de liefhebbers ook onzekerheid en frustraties tot gevolg.

Achtereenvolgens zullen we voornoemde aspecten aan de orde stellen.


Een zogenaamde ‘film still’ uit de minidocumentaire ‘De beesten de baas’ uit 1995, waarin o.m. Wim Schimmel vol emotie spreekt over de schoonheid van het harzerlied.

Aantrekkelijkheid van zangkanariesport
De zangkanariesport is één van de meest gevarieerde takken van de vogelliefhebberij en meer dan bij andere vormen van het fokken van zang- en sier-vogels bouwt de zangkanariekweker een band op met zijn vogels.

Gevarieerdheid
Met enige vorm van jaloezie kijken zang- en siervogelliefhebbers naar de intensiteit waarmee zangkanariekwekers met hun hobby bezig zijn. Het hele jaar door is er iets spannends en uitdagends te beleven: broed, zangontwikkeling; opkooien, afluisteren, selecteren, wedstrijden. Ieder seizoen heeft z’n eigen karakteristieke, arbeidsintensieve activiteiten. Van alle vogelliefhebbers zijn de zangkanariekwekers het meest gevarieerd en het intensiefst met hun vogels bezig.

Betrokkenheid
Een zangkanariekweker onderhoudt een bijzondere band met zijn vogels. Het genot en de emotie die zangkanariekwekers beleven aan de zang van een zangkanarie heeft geen gelijke in de vogelsport. Eigenlijk kan ik het hier niet beter onder woorden brengen dan het in beeld werd gebracht in het in 1995 uitgezonden NCRV TV programma ‘De beesten de baas’. Mannen van middelbare en iets oudere leeftijd spraken over hoe de zang van hun harzer zangkanaries hen niet alleen kon ontroeren, maar ook vertroosting gaf in moeilijke levensfases. De zang van de kanarie had hetzelfde heilzame effect als het luisteren naar vertroostende muziek en gaf dezelfde euforie als tijdens een live concert. Een vergelijkbare, uit de ontroering voor het kanarielied voortvloeiende, emotionele binding met hun vogels heb ik nog nooit bij andere zang- en siervogelkwekers geconstateerd.

Voetangels en klemmen
Naast voornoemde positieve kenmerken van het houden en fokken van zangkanaries heeft de sport ook zijn schaduwzijden. Per saldo overheersen deze kennelijk het totaalbeeld, want de populariteit voor het houden en fokken van zangkanaries daalt.

Een complexe en veeleisende hobby
De zangkanariesport vertoont kenmerken waardoor mensen wel twee keer achter hun oren krabben om er aan te beginnen en wanneer ze tot het houden en kweken van zangkanaries zijn overgegaan mogelijk al weer snel afhaken. De complexiteit van de hobby en de impact op het gezinsleven zijn factoren die de drempel naar het kweken van zangkanaries hoger maken dan naar een andere tak van de vogelsport.

Toerenherkenning en -waardering
Het onder de knie krijgen van toerenherkenning en -waardering is aanmerkelijk lastiger dan het leren beoordelen van een vogel op zijn uiterlijk. Het aan de hand van een You Tube filmpje proberen toeren te herkennen in het lied van je eigen vogels wordt bemoeilijkt door de grote variatie in zangstructuren en vormen waarin toeren worden gezongen. Dan is het met een foto van een mooie zwartbruine Japanse meeuw in de hand je eigen vogels bekijken en beoordelen een stuk eenvoudiger. Zonder ondersteuning van ervaren kwekers is het vrijwel uitgesloten om de kennis van het lied zodanig onder de knie te krijgen dat je zelf in staat bent het lied van de afzonderlijke vogels op waarde
te schatten. Zelfs met die ondersteuning duurt het jaren voordat je de hiervoor benodigde kennis en vaardigheden hebt opgebouwd, althans dat is mijn ervaring. Je moet daarom wel heel veel van de sport houden en sterk in je schoenen staan om aan deze uitdaging te beginnen en er mee door te gaan.

Uitrusting
We concludeerden hiervoor dat zangkanariekwekers misschien wel de meest gevarieerde vorm van de vogelsport bedrijven. Ieder seizoen heeft zijn charmes, bezigheden, maar vereist ook zijn eigen uitrusting.  Voor de kweekperiode moet een verblijf met broedkooien worden ingericht, maar voor het opkooi- en wedstrijdseizoen heeft de kweker weer geheel ander materiaal nodig. Kan een vogel die op een tentoonstelling wordt beoordeeld op het uiterlijk in de vlucht, broedkooi of in de hand op het zicht worden geselecteerd, om zangkanaries te kunnen selecteren moeten de mannen ieder voor zich individueel op hun zangkwaliteiten worden beoordeeld en dus afzonderlijk gehuisvest worden. Voor de wedstrijd is er de periode van africhting en de samenstelling van de stammen. Keer op keer komen de vogels op tafel en worden dan niet alleen beoordeeld en naar kwaliteit ingedeeld, maar tevens ook getraind voor de wedstrijd. Het gebruik van zangkooitjes is in deze periode onontbeerlijk.
Zangkanaries kweken betekent dus ook de aanschaf van het materiaal om te kunnen opkooien: zangkooitjes en een zangkast. Kweekt men ca. 30 jonge kanaries dan heeft men statistisch gezien 50% mannen en dan is toch wel 15 opkooi- en wedstrijdkooitjes het minimumaantal waarover men moet kunnen beschikken. Naarmate men meer jonge zangkanaries kweekt zal ook het aantal zangkooitjes groter moeten zijn. Naast de kosten voor aanschaf moet men ook nog over de mogelijkheid beschikken om al dit materiaal buiten het seizoen te kunnen opbergen.


Twee zangkasten met opgekooide waterslagers. Niet iedere huissituatie leent zich er voor om in een kamer zangkanaries op te kooien.

Woon-, werk- en gezinssituatie
Het houden en kweken van zangkanaries vereist een vogelverblijf met o.m. plek voor broedkooien en een vlucht. In de moderne appartementen en eengezinshuizen is daarvoor lastig een plekje te vinden, zeker met nog thuiswonende kinderen.
In het verleden was het niet ongebruikelijk dat zangkanaries in de huiskamer werden opgekooid. Niet iedere partner zit er op te wachten dat vanaf medio oktober het vogelverblijf tot in de woonkamer wordt uitgebreid. Toch zullen, om de zanglust te stimuleren, de jonge mannen, afgezonderd van de poppen, met langer licht en een hogere temperatuur gehuisvest moeten worden.
Veelal bestaat er geen ander mogelijkheid dan een ruimte in het woonhuis hiervoor te reserveren.
Gedurende de periode dat de vogels in de zangkast zijn opgekooid is het de bedoeling dat op gezette tijden het verduisteringsgordijn even wordt opengeschoven en de vogels, met voorkeur op verschillende momenten worden opgezet en afgeluisterd. Voor een kweker die een volledige baan heeft, of op onregelmatige tijden werkt, betekent dit improviseren en het inschakelen van andere huisgenoten, mits die thuis zijn en ook niet aan het werk.
Het houden en kweken van zangkanaries vergroot de complexiteit van het woon-, werk- en gezinsleven. Het is daarom vanzelfsprekend dat om zijn hobby optimaal te kunnen uitoefenen een zangkanarie
fokker niet zonder de medewerking van de overige huisgenoten kan, wellicht meer nog dan de kwekers van zang- en siervogels die op hun uiterlijk worden beoordeeld.

Verenigingen en speciaalclubs
Om thuis te raken in de wereld van de zangsport zal men in contact moeten komen met andere, met voorkeur ervaren, zangkanariekwekers.

Zangkweker steeds vaker solist
Toen er binnen een vereniging nog meerdere zangkanariekwekers waren ging je bij elkaar op bezoek om vogels af te luisteren of kwam je met je vogels naar het clubgebouw waar met elkaar naar de vogels werd geluisterd en je door oudere kwekers werd onderwezen in de toerenherkenning en hoe ze moesten klinken. Het ‘netwerk’ van een groep zangkanariekwekers binnen een vereniging en de sociale contacten waren niet alleen een stimulans om met het kweken van zangkanaries te beginnen en er mee door te gaan,  maar via het sociale netwerk werden je de kneepjes van het vak en de nodige kennis van het kanarielied bijgebracht. Dit beeld  is voltooid verleden tijd. In 1985, het oprichtingsjaar van de NZHU, schreven 17 in Katwijk woonachtige kwekers waterslagers in voor de tentoonstelling van de locale vogelvereniging ‘De Kanarievogel’. Anno 2021 ben ik nog de enige overgebleven georganiseerde zangkanariekweker in Katwijk. Het feit dat, als gevolg van de afnemende belangstelling voor het houden en kweken van zangkanaries, fokkers steeds meer verspreid wonen leidt er toe dat wanneer een beginnend zangkanariekweker lid wordt van een vogelvereniging hij niet meer automatisch toetreedt tot een fysiek aanwezig sociaal netwerk van zangkanarieliefhebbers. Besluit tegenwoordig iemand tot het houden en kweken van zangkanaries dan staat hij er in de regel dus alleen voor en moet solo zijn weg zien te vinden in mogelijk de allermoeilijkste tak van de vogelsport.

Regionale functie verenigingen met zangkwekers
Een vogelvereniging is niet alleen de uitgelezen plek om een netwerk van contacten op te bouwen. Om aan een wedstrijd deel te kunnen nemen zal men ook lid van een vereniging moeten zijn. De NBvV kent afdelingen en speciaalclubs. Wordt men lid van een vogelvereniging dan heeft het de voorkeur om te kiezen voor een club waarin ook zangkanariekwekers actief zijn. Zoals we hiervoor zagen is dat tegenwoordig gemakkelijker gezegd dan gedaan. De meeste vogelverenigingen kennen geen zangkanariekwekers onder de leden, hebben daardoor geen ervaring met het organiseren van wedstrijden voor zangkanaries en eerlijk gezegd zijn ze zangkanariefokkers liever kwijt dan rijk, omdat het huisvesten en keuren van zangkanaries extra kosten en rompslomp met zich mee brengt. Bovendien is december de meest geschikte maand om wedstrijden voor zangkanaries te organiseren, maar de meeste verenigingen houden hun afdelingstentoonstelling al in november.
Verspreid over Nederland zijn er altijd nog wel verenigingen met zangkanariekwekers te vinden. Bij de teruglopende belangstelling voor de zangsport hebben deze verenigingen een regionale functie voor zangkanariekwekers gekregen. Dat deze verenigingen niet allemaal ‘om de hoek’ gevestigd zijn doet de toegankelijkheid tot de zangsport voor nieuwe toetreders geen goed.


Het kunnen uitwisselen van feiten en meningen is voor vogelliefhebbers heel belangrijk. Op deze wijze worden kennis en ervaringen doorgegeven. Paul Schilte en Boudewijn van der Stelt bestuderen keurlijsten op de studiedag van de NZHU op 21 december 2019.

Speciaalclubs onvoldoende ingesteld op toetreders
Er zijn binnen de NBvV vier speciaalclubs voor zangkanariekwekers: Water-slagerspeciaalclub ‘De Nachtegaal’, Landelijke Speciaalclub Harzers (LSH), Speciaalclub Zang NZHU en The Spanish Timbrado Society NL. De meeste speciaalclubs zijn opgericht in een tijd dat er binnen het verenigingsleven nog voldoende animo voor de zangkanariekweek bestond. Het meest intensieve sociale verkeer tussen zangkanariekwekers vond plaats in de lokale vogelvereniging. De speciaalclubs concentreerden zich primair op de organisatie van een wedstrijd en incidentele ontmoetingsmomenten voor de verspreid over Nederland wonende leden. De meeste speciaalclubs hebben daarom niet de traditie om voor toetreders in de zangsport de opvangfunctie op zich te nemen, die in het verleden door de lokale vogelverenigingen werd ingevuld. Dit betekent dat de speciaalclub veel meer een periodieke ontmoetingsplek voor de steeds meer verspreid wonende zangkanariekwekers zal moeten worden. Het is nog maar de vraag of de, wat oudere, speciaalclubs voor harzer- en waterslagerkwekers zich voldoende realiseren dat zij met het steeds meer wegvallen van verenigingen met zangkanariekwekers ook die andere functie binnen de zangsport hebben gekregen.

Subgroepvorming
Het is overigens nog maar de vraag of iemand die met het kweken van zang-kanaries begint en tot een speciaalclub toetreedt het verblijf in de club altijd ervaart als een warm bad van collegialiteit en gemoedelijkheid. In een wereld waarin het voortbestaan van de zangkanariekweek  door externe factoren van diverse zijden wordt  bedreigd vinden de kwekers elkaar niet in eensgezindheid en een gezamenlijke overlevingsstrategie, maar verliezen zich o.m. in een richtingenstrijd over verschillende zangstructuren.  De zangkanariesport in Nederland kent drie zangkanarierassen met ieder duidelijk onderscheidende raskenmerken: harzers, timbrado’s en waterslagers. Of dit al niet genoeg is vindt er binnen ieder ras een richtingenstrijd plaats, met als gevolg allerlei varianten in het lied en hun supporters. Dit is niet bevorderlijk voor de onderlinge eensgezindheid en eenduidige uitstraling naar buiten.
Sinds de jaren ’70 is er binnen de waterslagerwereld het onderscheid tussen Belgische en Nederlandse waterslagers; tussen rol- en slagvogels. Hoewel in het verleden hieromtrent in Nederland duidelijke keuzes zijn gemaakt, woekert de voorkeur voor de één of de ander, onder kwekers én keurmeesters, als een veenbrand door, tot op de dag van vandaag.28

De kweek van Spaanse timbrado’s bestaat in Nederland pas sedert de tweede helft van de jaren ’80 en is daarmee verreweg de jongste loot aan de Nederlandse zangkanarieboom. De van origine Spaanse timbradowereld ziet het kennelijk als een uitdaging om zich in zoveel mogelijk subgroepjes van zangvarianten op te splitsen: Na de Original (Classico) verscheen de Floreado,  recent de Cantor Español en wie weet wat de toekomst nog meer, uit de tot op het bot verdeelde Spaanse timbradowereld, brengen moge. Binnen de zich steeds verder uitdijende timbradofamilie zal een nieuwkomer moeite hebben door de bomen het bos te zien.
De harzerwereld heeft haar eigen graf gegraven met de keuze voor de viertoerenvogels. Geen winkelier vraagt nog om een harzer, omdat deze zangkanarie als gezelschapsdier voor Jan Publiek volkomen oninteressant is geworden. De vanouds roemruchte zangkanarie, met een gevarieerd lied met diepe roltoeren, zingt inmiddels onhoorbaar en heeft voor een niet-ingewijde een lied van een ongelofelijke eentonigheid en saaiheid gekregen. De harzerwereld heeft gekozen voor Willem de Kooning i.p.v. Rembrandt; voor Pierre Boulez i.p.v. Beethoven, oftewel alleen een klein gezelschap, dat ingewijd is in de schoonheid van het viertoerenlied, weet de harzerzang nog te waarderen. Van het lied van de huidige vier-toeren harzer gaat voor de doorsnee vogelliefhebber geen enkele wervende uitstraling uit. Daarbij komt dat de interne richtingenstrijd tussen de liefhebbers van de klassieke en de viertoeren harzer werd gekenmerkt door eigengereidheid en onbegrip voor elkaars standpunten. Sommige klassieke harzertoeren werden door de ‘viertoeren-partij’ verketterd;  er werd degenererend gesproken over het lied van de, ‘ouderwetse’, klassieke vogels en hun kwekers. Eén en ander heeft de onderlinge harmonie en eensgezindheid niet bevorderd. In welke mate de richtingenstrijd de neergang van de populariteit van de harzerkweek heeft bevorderd valt niet te meten, maar dat het zonder gevolgen is gebleven lijkt onwaarschijnlijk.29
Al kibbelend en zichzelf in subgroepjes opsplitsend spoeden zangkanariekwekers eendrachtig als lemmingen naar de afgrond: hun eigen ondergang tegemoet.

Splendid isolation
Tenslotte treden de afzonderlijke speciaalclubs voor zangkanariekwekers niet als één front op tegen de dreigende teloorgang van de sport en hun voortbestaan. Signalen van teruglopend ledenbestand dateren niet van vandaag of gisteren, maar zelfs tot een begin van een gezamenlijke overlevingsstrategie is het tot op heden niet gekomen, integendeel, iedere speciaalclub tracht de vereniging aan de eigen haren uit het moeras te trekken. Het algemeen belang van de zangsport heeft een uiterst lage prioriteit, ‘Self-interest First’. Dit wekt wel enige bevreemding want in de statuten van iedere speciaalclub zal wel in eensluidende bewoordingen vermeld staan dat de club tot doel heeft de kweek van zangkanaries te bevorderen. Desgevraagd zullen er weinig verenigingen zijn die aanwijsbare blijken van dit streven kunnen overleggen en als ze er zijn, tot veel ledenaanwas heeft het in de regel niet geleid. Het tegendeel, namelijk dat speciaalclubs zich hebben ingespannen om de zangsport juist niet te bevorderen en te promoten, is veel gemakkelijker aantoonbaar. De NBvV heeft, als gevolg van een marginale belangstelling voor deelname, besloten geen medewerking meer te verlenen aan een wedstrijd voor zangkanaries op de Nederlandse kampioenschappen (NK). Daarmee is de zangsport verdwenen van het podium van het grootste evenement voor de zang- en siervogelkweek van Nederland en is daardoor in een nog groter isolement terecht gekomen. Eén van de in aantal geringe mogelijkheden om het fokken van zangkanaries onder een breed publiek bekend te maken en te promoten hebben de speciaalclubs zichzelf ontnomen. Zangkanariekwekers met hun wortels in de ANBV hebben niet nagelaten het aanvankelijk gezamenlijke NK van NBvV en ANBV af te kraken en bij herhaling uit te dragen dat ‘Zutphen’, de vaste locatie van de bondstentoonstelling van de voormalige ANVB, voor zangkanaries veel beter georganiseerd was. Vervolgens hebben speciaalclubs de bondsshow van de NBvV de facto  geboycot door er de gewoonte van te maken in de week voor of na het Nederlands kampioenschap hun eigen wedstrijd te organiseren, met als gevolg dat de leden moesten kiezen. Men moet dan niet vreemd opkijken dat de leden voor de wedstrijden van de speciaalclubs inschrijven en de bondsshow links laten liggen. Door dit beleid blijkt de zangsport  in haar eigen staart te hebben gebeten en mag nu de wonden likken. Ze heeft zichzelf buiten spel gezet, ontbreekt op het podium van de NK, schittert door afwezigheid te midden van de Nederlandse zang- en siervogelwereld, en vertoeft, naar het zich nu laat aanzien, de komende jaren louter in achteraf zaaltjes, in ‘splendid isolation’.30


Het max. tien weken afzonderlijk huisvesten van de jonge mannen, om te kunnen selecteren en ter voorbereiding op wedstrijden, is onlosmakelijk met de zangsport verbonden. Het bezorgt het houden en kweken van zangkanaries bij een bepaald bevolkingsdeel een negatief imago.

Negatief imago
Ieder jaar vang ik begin november de jonge kanariemannen uit de volière en stop ze in een zangkooitje van 19,5 x 14 x 17 cm, in de wetenschap dat deze ruimte van ca. 4600 cm3 de komende twee maanden hun leefomgeving is. Ik probeer me te verplaatsen in de waterslagerman en vraag me af hoe hij deze verhuizing zal ervaren. De logische gevolgtrekking dat ik als mens een gevangeniscel niet leuk vind en de vogel dus ook twee maanden van stress tegemoet gaat ligt voor de hand, maar is nergens op gebaseerd. De mannen zingen in de kooitjes uit volle borst, soms zelfs in het kooitje in de hand.
Desalniettemin en ondanks dat een zangkanarieman max. tien weken van z’n leven in een zangkooitje vertoeft bezorgt het gebruik van het inzetkooitje de zangkanariesport een negatief imago.
De grootte van de zangkooitjes is al decennia punt van discussie. Op het eind van de studiedag van de NZHU clubkampioenschappen van december 1991 verschenen opeens vier waterslagers in universeelkooien op tafel. De keurmeesters Henk Warmerdam en Henk van Elst wilden hiermee aantonen dat het keuren van zangkanaries in universeelkooien in plaats van de traditionele zangkooitjes geen beletsel hoefde te zijn. In het juli nummer van Onze Vogels, jaargang  1992, verscheen een artikel van de hand van Henk Ruiter namens de TC Zang waaruit bleek dat men binnen de NBvV serieus overwoog om verenigingen te adviseren zangkanaries nog wel in zangkooitjes te beoordelen, maar voor de tentoonstelling in universeelkooien te laten overvliegen. Ik weet dat in de jaren
’90 bij sommige verenigingen dit ook is gebeurd.31
Toen stond het zangkooitje ter discussie en dat is nog steeds
zo. Ik vraag me echter af  of voor het oordeel van buitenstaanders het zoveel uitmaakt of het zangkooitje de maten 19,5 x 14 x 17 cm heeft of, bijvoorbeeld,  30 x 25 x 20 cm, t.w. de inhoud van een universeelkooi. Voor mensen die het moreel verwerpelijk vinden om vogels in een kooitje te houden is het kleinste kooitje, hoe groot ook, altijd te klein. Het sleutelwoord in deze is ‘dierenwelzijn’. Ik heb het idee dat mensen er zich veel drukker om maken dan zangkanaries, die het stadium van ‘natuurvogel’ al vele eeuwen achter zich hebben gelaten. In 2019 heb ik veertien dagen na het opkooien enkele mannen weer in de volière teruggezet, omdat ze, mijn inziens, te veel in studiezang bleven hangen. Een week voor de NZHU wedstrijd heb ik enkele weer in huis gehaald en binnen 24 uur met andere vogels opgezet. Ze zongen uit volle borst mee. Er was bij deze vogels geen enkel teken van stress te bespeuren als gevolg van de verhuizing van volière naar inzetkootje. 
De gedachte dat met het vergroten van het zangkooitje de hobby weer aantrekkelijker wordt en mensen er toe zal bewegen zangkanaries te gaan houden is een illusie. In de ons omringende landen België en Duitsland zijn de inzetkooitjes groter en ook daar is het houden en kweken van zangkana
ries op z’n retour en een ‘oude mannensport’ aan het worden. Een zelfde ontwikkeling kan geconstateerd worden in het Verenigd Koninkrijk, waar de zangkanaries in kooien van het universeelkooiformaat worden gekeurd.
Hoe het ook wendt of keert, het imago van de zangsport zal in de ‘buitenwereld’ negatief beïnvloed worden door  het gebruik van het inzetkooitje. Objectiviteit en nuchtere analyse doet, bij op emoties gefundeerde beeldvorming, zelden ter zake, zeker wanneer die emoties gebaseerd zijn op het geloof dat men in een vorig leven waterslager is geweest en op grond daarvan mij precies kan vertellen hoe een zangkanarie denkt, wat hij voelt en hoe hij het leven in gevangenschap ervaart. Het gebeurt, en we zullen er rekening mee moeten houden, dat het inzetkooitje potentiële zangkanariekwekers ervan weerhoudt om aan het kweken van harzers, timbrado’s of waterslagers te beginnen. Deze mensen gaan niet overstag wanneer het
zangkooitje 1½, 2 of 2½ keer zo groot wordt als het huidige inzetkooitje.

Wedstrijd achilleshiel
De wedstrijd voor zangkanaries is de achilleshiel van de zangkanariesport.  De huidige opzet, organisatie en uitvoering van de wedstrijden vertonen te veel schaduwzijden, die niet uitnodigen om zangkanaries te gaan kweken en sommigen zelfs doen afhaken.

Keurlijst is vaak een indicatie zangcapaciteiten
Als tropenkwekers een vogel voor een wedstrijd inbrengen zijn ze verzekerd van een keurlijst met een beoordeling, die de reële kwaliteit van de vogel op het moment van keuring weergeeft. In de regel komen prijswinnaars nog een keer op tafel en veelal worden in overleg met meerdere keurmeesters de ereprijzen toegekend. 
Bij de zangkanariekwekers bestaat die zekerheid op een beoordeling van de capaciteiten van de vogel niet. Zij zijn afhankelijk of de vogel zin  heeft om te zingen; doet hij überhaupt zijn bek open en als hij zingt doet hij dat dan 20 minuten uit volle borst of af en toe een riedeltje. Je bent als kweker overgeleverd aan een vogel die zelf bepaalt of hij zingt en hoe. Wanneer de kweker na afloop van de wedstrijd een keurlijst ontvangt weet hij niet of de zangkanarie zich voor 100% heeft gegeven, of maar een deel van z’n kunnen heeft laten horen.

Prijswinnaars zonder collegiale consultatie
Verder worden de wedstrijdresultaten bepaald door één man in een hokje. Je bent dus  niet alleen afhankelijk of een vogel wel of niet wil zingen, maar ook van één jurylid en zijn beoordeling zonder dat bij de inzender over de keuring enig inzicht bestaat. Prijswinnaars worden zonder onderlinge consultatie vastgesteld op basis van door individuele keurmeesters opgestelde beoordelingen. Na afloop van een wedstrijd voor zangkanaries gaan de deelnemers naar huis met onzekerheid of het door hem in ontvangst genomen keurbriefje een reële weergave van de capaciteiten van desbetreffende zangkanarie is en of de beste vogels de bokalen mee naar huis hebben genomen? Oftewel, zangkanariekwekers worden op wedstrijden veel meer met onzekerheden en teleurstellingen geconfronteerd dan inzenders van vogels die op het uiterlijk worden beoordeeld. Dit is niet bevorderlijk voor de populariteit van de zangkanariesport.


Een zangkanariekeurmeester brengt tijdens een keuring vrijwel de gehele dag alleen door, in een klein hokje. Waterslagerkeurmeester Willy Kling in actie tijdens de clubkampioenschappen van de Speciaalclub Zang NZHU op 20 december 2019.

Achterkamertjesgebeuren
Uit de in de zangkanariesport gebruikelijke wijze van jureren vloeit vrijwel automatisch voort dat beoordelingen van zangkanariekeurmeesters in de regel veel meer stof tot discussie oproepen dan die van kleurkanarie- of tropenkeurmeesters. Inzenders van tropen en kleurkanaries kunnen met de vogel in het zicht en de keurbrief, inclusief opmerkingen, in de hand immers de gedachtegang van de keurmeester volgen. Dat betekent niet dat er geen discussie over het keurmeestersoordeel is, maar alles is veel inzichtelijker dan bij het beoordelen van zangkanaries. Dat is letterlijk een achterkamertjesgebeuren.

Solistische keurmeesters
Deze voor zangkwekers onaantrekkelijke situatie wordt nog ongemakkelijker wanneer er bij herhaling geconstateerd wordt dat keurmeesters niet altijd op één lijn zitten wat betreft normering en beoordeling van de vogels.
Ervaringen van zangkanariekwekers en uitspraken vanuit de kring der keurmeesters wekken de indruk dat het keurmeesterskorps, zoals het op dit moment functioneert, eerder getypeerd kan worden als een gezelschap eenlingen dan als een team dat gezamenlijk optrekt om een zo uniform mogelijke beoordeling te bewerkstelligen.
Particuliere opvattingen over hoe het zangkanarielied idealiter zou moeten klinken zorgen er voor dat zangkanariekeurmeesters te veel functioneren als individuen, die ieder voor zich menen de wijsheid in pacht te hebben en vervolgens hun eigen weg kiezen.32
Omdat ik minder ingewijd ben in de harzer- en timbradowereld moet ik me  terughoudend opstellen omtrent de keurmeesters van deze zangkanarierassen. Die zullen ieder voor zich moeten beoordelen in hoeverre bovenstaande ook op hen van toepassing is. 
Wanneer bij de beoordeling op een wedstrijd juryleden een eigen methode en normering hanteren wordt  het vertrouwen in een zo objectief mogelijke keu
ring geschaad. Dit is funest voor de sport. Wie begint er aan een liefhebberij met een competitief element, of blijft er mee doorgaan, wanneer de wedstrijden kenmerken van een loterij vertonen?

Keurbriefje zangkanaries is advies met ???
Alle haken en ogen die in bovenstaande aan de orde kwamen zullen op het hobbyplezier van de beginnend liefhebber een grotere impact hebben dan op die van ervaren kwekers. Zij zijn op grond van in jaren opgebouwde kennis van het lied zeer goed in staat om te bepalen wat hun goede en minder goede mannen zijn en welke ze willen gaan gebruiken voor de kweek. Om deze selectie te kunnen maken hebben ze geen keurlijst nodig. Zij weten dat een vogel de ene dag de sterren van de hemel kan zingen en een andere dag zit te zeuren en bij lange na niet het niveau haalt van 24 uur daarvoor. Veelbelovende mannen zijn bij de fokker thuis al diverse malen op tafel geweest en, na enig wikken en wegen, voor de kweek geselecteerd. Dit geldt niet voor degene die zojuist met het houden en kweken van zangkanaries is begonnen. Het zodanig onder de knie krijgen van het harzer-, waterslager- of timbradolied om zelf de beste vogels te kunnen selecteren is geen sinecure. Het duurt voor de meesten jaren voor ze zoveel kennis van het lied en luistervaardigheden hebben opgebouwd dat ze keurmeester van hun eigen vogels kunnen zijn.


‘Af en toe werden er een paar toeren gezongen’. Je vond het je mooiste vogel en was razend benieuwd naar het oordeel van de keurmeester en dan dit. Wat nu? Aanhouden of wegdoen? Een dilemma van een beginnend zangkanariekweker in beeld.

Voor de kweker die het herkennen en beoordelen van de toeren nog steeds lastig vindt is het oordeel van een keurmeester over zijn vogels tijdens een wedstrijd erg belangrijk. Na de keuring van mijn zwartbruine Japanse meeuwen bestudeer ik de keurlijsten intensief. Met mijn keurlijsten in de hand loop ik langs de kooien met vogels van andere kwekers om die met de mijne te vergelijken. Op de regionale wedstrijd van de Zebravinken-/Japanse Meeuwenclub in Maasland hangen tijdens de tentoonstelling de keurlijsten onder de kooien en kan ik mijn vogels met die van andere kwekers zelfs vergelijken met de keurlijsten erbij. Ik ervaar nog regelmatig dat de keurmeester opmerkingen maakt over aspecten die mij tot dan niet waren opgevallen. Soms leidt dat er toe dat een vogel, die ik voor de kweek had gereserveerd, uiteindelijk toch weggaat. In dit licht moeten keurmeesters hun invloed op het gedrag van de, met name onervaren, kwekers niet onderschatten. Hun adviezen kunnen  bijzonder waardevol zijn. Keurmeesters fungeren in die zin niet alleen als jury, maar ook, im- of expliciet, als adviseur. Welk bruikbaar advies ontvangt een zangkanariekweker met een ingevuld keurbriefje waarachter zoveel vraagtekens schuil gaan?

Samenvatting en conclusies
Het kweken van zangkanaries is een boeiende en mogelijk de meest afwisselende tak van de vogelliefhebberij, omdat ieder seizoen een geheel eigen karakter heeft. Daarnaast zijn zangkanariekwekers ook heel intensief bij hun vogels betrokken. In het najaar worden de vogels opgekooid, op tafel gezet om afgeluisterd en afgericht te worden. Voordurend heeft de kweker dan het kooitje met de vogel in de hand. Het kanarielied kan menig kweker niet onberoerd laten.
Het kweken van zangkanaries heeft echter ook zijn voetangels en klemmen. Het voor de hobby vereiste materiaal vereist een grotere investering dan bij het kweken van de meeste andere zang- en siervogels. Het kunnen beoordelen van het lied vereist veel tijdsinvestering en noodzakelijke ondersteuning wordt steeds lastiger, omdat het aantal zangkanariekwekers waarop een beroep gedaan zou kunnen worden voortdurend kleiner wordt. Meer nog dan bij andere takken van de vogelsport zullen de overige gezinsleden merken dat er een zangkanariekweker in huis woont. Het houden en kweken van zangkanaries vergroot de complexiteit van het woon-, werk- en gezinsleven.
Met de dalende populariteit van de zangkanariekweek is ook het aantal vogelverenigingen met zangkanariekwekers afgenomen. Dit betekent dat voor iemand die met het kweken van zangkanaries wilt beginnen het erg lastig is om een vereniging te vinden waar hij zich onder collega zangkanariekwekers kan scharen. De speciaalclubs voor zangkanariekwekers zijn in de regel nog onvoldoende ingesteld om voor de zangkanariekwekers ook de begeleidingsrol op zich te nemen, die in het verleden traditioneel op de lokale vogelverenigingen werd ingevuld.
Daarnaast lijken de speciaalclubs zich ook nog niet bewust van het feit dat zij de enige zijn onder wiens leiding de zangsport voor totale ondergang behoed kan worden. Mede vanwege de ‘Self-interest First’ opstelling van de speciaalclubs is de zangsport in zichzelf gekeerd en daardoor nagenoeg onzichtbaar voor de buitenwereld.
De zangkanariesport worstelt met het negatieve imago van het inzetkooitje. Vogels opkooien is vanouds onlosmakelijk met de hobby verbonden. Dit was in het verleden geen punt van discussie, maar de veranderende moraal omtrent het in gevangenschap houden van dieren speelt de zangkanariekwekers parten. Het gebruik van het zangkooitje kan om deze reden potentiële zangkanariekwekers ervan weerhouden met de hobby te beginnen
of doen besluiten voor een andere tak van de zang- en siervogelliefhebberij te kiezen.
Tenslotte krijgt een zangkanariekweker tijdens een beoordeling op een wedstrijd niet altijd een juist beeld van de kwaliteit van zijn vogels. Dit komt deels omdat nooit zeker is dat de vogels optimaal zullen presteren. Verder is de beoordeling voor de kweker niet  inzichtelijk terwijl het nog maar de vraag is in hoeverre de vogels door iedere individuele keumeester met dezelfde normen wordt beoordeeld. Omdat daarnaast tijdens de keuring ook collegiale consultatie nagenoeg ontbreekt vertoont een zangwedstrijd voor zangkanaries veel meer kenmerken van een loterij dan andere wedstrijden voor zang- en siervogels, met als gevolg twijfels of de mooiste vogels wel met de bokalen naar huis zijn gegaan. Mogelijk zijn er na een zangwedstrijd meer  teleurgestelde en gefrustreerde kwekers dan na een tentoonstelling waarop de vogels op het uiterlijk zijn beoordeeld. In ieder geval duiden de ontwikkelingen van het ledenbestand van de zangkanarie speciaalclubs er op dat binnen de zangkanariekweek relatief meer fokkers de sport vaarwel zeggen dan in de andere takken van de vogelliefhebberij.
 

 Deel 3: Kansen en suggesties

Hoe het ook wendt of keert, een vogelliefhebber kiest niet voor de gemakkelijkste weg wanneer hij besluit tot het houden en kweken van zangkanaries over te gaan.  Desalniettemin hebben in het verleden velen voor deze hobby gekozen en de grote charmes ervan ondervonden. Sterker, gedurende de eerste decennia van de 20e eeuw was het houden en kweken van zangkanaries de vogelliefhebberij bij uitstek van de werkende klasse. Tot diep in de 20e eeuw hield in Nederland een niet onaanzienlijk deel van de georganiseerde vogelkwekers zich bezig met het houden en fokken van harzers, waterslagers en, vanaf medio de jaren ’80, ook timbrado’s.

Noodzaak fundamentele veranderingen
Uit voorafgaande is echter één duidelijke conclusie te trekken: Hoezeer we dat ook graag anders zouden willen zien, maar het is een utopie om te denken dat tijden van voorheen zullen terugkeren. De grote populariteit van het houden en kweken van zangkanaries, zoals we dat kennen uit het verleden, zal onlos-makelijk met de 20e eeuw verbonden blijven.

Achterom kijken is zinloos
Het heeft daarom totaal geen zin om achterom te kijken en de hobby, zoals die in het verleden werd bedreven, als norm te blijven hanteren voor de toekomst. Wil de liefhebberij in de komende decennia niet volledig verdwijnen dan zullen we niet achterom, maar vooruit moeten kijken. De 21e eeuw vraagt van onze liefhebberij een radicale breuk met het verleden. In het bijzonder  het functioneren van de speciaalclubs  en de wijze waarop we onze wedstrijden organiseren en invullen zullen fundamenteel moeten veranderen. Alleen met aandacht voor promotie van de liefhebberij, eensgezindheid onder kwekers, de speciaalclub als een ‘warm nest’ voor beginnende liefhebbers, het met elkaar delen van kennis en ervaringen, gezamenlijk optreden van de speciaalclubs en keurmeesters en voor de deelnemers een grotere inzichtelijkheid en participatie  in wedstrijden voor zangkanaries, is er een kans dat de zangkanariesport blijft voortbestaan. Onderstaande is geen blauwdruk voor een succesvolle toekomst van de zangkanariesport. Het zijn suggesties voor de richting die we in zouden kunnen slaan. De intentie van onderstaande voorstellen is ook niet dat de zangsport weer substantieel gaat groeien. Dat is niet meer aan de orde. Het is al een grote uitdaging voor de zangsport om uit de vijver met steeds minder vissen er toch
 voldoende aan de haak te slaan om de sport in stand te houden. We moeten onze handen dicht knijpen wanneer we in staat blijken over 20 jaar nog zangkanariewedstrijden te kunnen organiseren.

Speciaalclubs en keurmeesters stellen een ‘deltaplan’ op.
Wanneer de noodzaak van een structurele verandering van de zangkanariesport wordt onderkend zullen er ook partijen moeten zijn die het voortouw en de leiding hiervan op zich moeten nemen. Ik stel voor dat de speciaalclubs en de zangkanariekeurmeesters dit in eendrachtige samenwerking voor hun rekening nemen. Zij moeten gezamenlijk een ‘deltaplan’ opstellen dat de zangsport voor ondergang moet behoeden. In dit ‘deltaplan’  zou men onderstaande aspecten kunnen verwerken.

Promotie
Met enige vorm van jaloersheid kijken vogelliefhebbers naar de intensiteit waarmee wij, zangkanariekwekers, met onze vogels bezig zijn. Het hele jaar door is er wat anders te beleven en hangt er spanning in de lucht: broed, zangontwikkeling; opkooien, afluisteren, selecteren, wedstrijden. Van alle vogelliefhebbers zijn de zangkanariekwekers het intensiefst met hun vogels bezig en het genot en de emotie die wij beleven aan de zang van een zangkanarie heeft geen gelijke in de vogelsport.

Onze Vogels
Deze sterke punten moeten we uitdragen en in alle toonaarden rondbazuinen. In 1900, toen het houden en kweken van zang- en siervogels in georganiseerd verband nog in de kinderschoenen stond, schreef J.J. Duyvené de Wit in ‘De Pluimgraaf’: ‘Weinigen kennen nog ’t genot, dat ons de kleine vogelwereld geeft, en onbekend maakt onbemind’.33  Met een variant  op dit citaat zouden we anno 2021 kunnen stellen: ‘Weinigen kennen nog ’t genot, dat ons het kweken van zangkanaries geeft, en onbekend maakt onbemind’. Etaleren doet verkopen. Ook de zangkanariekweek zou zich meer moeten aantrekken van deze verkoperwijsheid. Op dit punt valt er veel te verbeteren. In bovenstaande is de aantrekkelijkheid van het houden en kweken van zangkanaries verwoord, maar het wordt veel te weinig uitgevent. Jaarlijks levert de Speciaalclub Zang NZHU een bijdrage in voor het bondsorgaan ‘Onze Vogels’, maar zij is vrijwel de enige speciaalclub die dat periodiek doet. Individuele kwekers die hun plezier in het kweken van zangkanaries met andere delen schitteren door afwezigheid in de laatste jaargangen van ‘Onze Vogels’. De frequentie dat in ‘Onze Vogels’ over het houden en kweken van zangkanaries wordt gepubliceerd zal drastisch omhoog  moeten.
 

Een bijdrage van de Speciaalclub Zang NZHU in ‘Onze Vogels’ van oktober 2019. Er wordt veel te weinig gepubliceerd over het kweken van zangkanaries in het bondsorgaan.

Clubwebsites-gezamenlijke website
De NBvV kent maar liefst vier speciaalclubs voor zangkanaries. Iedere speciaalclub heeft een eigen website:

     -       Waterslagerspec. club ‘De Nachtegaal: https://www.lswdenachtegaal.com/
-       Landelijke Speciaalclub Harzers (LSH): https://lsharzers.wordpress.com/
-       Speciaalclub Zang NZHU: www.zangkanaries.nl
-       The Spanish Timbrado Society NL: https://timbrado-nl.webnode.nl/

Iedere speciaalclub zal zelf kunnen beoordelen in welke mate de website bijdraagt tot een bevordering van het kweken van zangkanaries in het algemeen en die van de afzonderlijke zangkanarierassen in het bijzonder. Men hoeft niet allemaal het wiel uit te vinden en de binnen de diverse speciaalclubs aanwezig expertise zal met elkaar gedeeld moeten worden.


De vier speciaalclubs voor zangkanariekwekers hebben ieder een eigen website. In hoeverre overstijgen de clubwebsites het karakter van een intern communicatiemedium en zijn ze ook wervend en informatief voor nieuwe toetreders?

De vier speciaalclubs zullen sowieso meer moeten samenwerken, want het behoud van de sport is hun gezamenlijk belang. In plaats van elkaar te beschouwen als concurrenten zal iedere vereniging afzonderlijk er baat bij kunnen hebben wanneer er eendrachtig wordt samengewerkt. Is het een idee om, naast de clubwebsites een gezamenlijke nieuwe website op te starten, waarop algemene info te vinden is over het kweken van zangkanaries in het algemeen; info over de afzonderlijke rassen, het wedstrijdprogramma van de vier clubs, enz. met links naar de websites van de afzonderlijke speciaalclubs?

De boer op
Etaleren doet verkopen, dus de zangsport zal present moeten zijn op activiteiten waar vogelliefhebbers elkaar ontmoeten. De promotieplek met de laagste prioriteit zijn de eigen activiteiten, maar de speciaalclubs zullen hun bestaan kenbaar moeten maken op, bijvoorbeeld, afdelingstentoonstellingen waar zangkanaries zijn ingeschreven. Hoewel niet met vogels aanwezig zal de zangkanariesport op de NK wel herkenbaar present moeten zijn. De beschikbaarheid van wervend foldermateriaal is een vereiste. De individuele leden van de speciaalclub kunnen hierbij ook hun steentje bijdragen door bijv. te zorgen dat op de tentoonstelling van hun afdeling ook foldermateriaal ligt over de zangsport, een gezamenlijke promotiestand van de vier speciaalclubs op het NK helpen bemensen, enz. Wellicht kunnen zij ook het initiatief nemen om voor de bezoekers van de tentoonstelling van hun eigen vereniging afluistermomenten te regelen en die ook vooraf in de PR aan te kondigen. Zo kan iedereen, bestuursleden en leden, z’n steentje bijdragen om de sport in stand te houden.

Verenigingsleven speciaalclubs
In de nabije toekomst liggen voor de speciaalclubs taken te wachten die men bij de oprichting niet voor ogen had:  Een ontmoetingsplek waarop jaarrond, leden periodiek met elkaar ervaringen kunnen uitwisselen; opvang van nieuwe toetreders tot de zangsport en hen wegwijs maken in de wereld van het houden en kweken van zangkanaries.

Intensievere contacten speciaalclubleden
In het jaarprogramma van de meeste speciaalclubs zijn op dit moment een uiterst beperkt aantal contactmomenten geprogrammeerd. De frequentie hiervan zal substantieel omhoog moeten. In de regel zijn zangkanariekwekers in hun vereniging betrekkelijk ‘eenzaam’. We weten dat vogelkwekers elkaar kunnen stimuleren en enthousiasmeren en voorheen de lokale afdeling hiervoor de plaats bij uitstek was. Dit is voltooid verleden tijd en de speciaalclubs zullen dus de rol van de afdelingen op dit punt moeten overnemen.  Zij zullen  ‘opvangmogelijkheden’  moeten bieden voor kwekers die, noodgedwongen, hun hobby vrij solistisch moeten beoefenen. De speciaalclubs zullen dus de voorwaarden moeten creëren dat verspreid wonende zangkanariekwekers elkaar regelmatig kunnen ontmoeten. Dit kan fysiek, maar zeker ook digitaal. In ‘coronatijd’ hebben we ontdekt hoe waardevol het digitale contact kan zijn wanneer fysieke ontmoetingen onmogelijk zijn.


Stooifolders van de Speciaalclub Zang NZHU

Inmiddels zijn kwekers actief op Facebook en zijn afgelopen jaar heel veel mensen door contacten voor het werk of privé vertrouwd geraakt met Teams, Zoom, enz. Wat houdt speciaalclubs tegen om periodiek te regelen dat kwekers, bijvoorbeeld via Teams, Zoom, etc,. elkaar kunnen ontmoeten om de laatste ervaringen uit te wisselen. Deze plenaire ontmoetingsmomenten kunnen, desgewenst, een vervolg krijgen in één op één contacten tussen kwekers.


Voor het opbouwen van netwerken en de uitwisseling van ervaringen zijn ontmoetingsmomenten voor zangkanariekwekers heel belangrijk. Eén of twee keer per jaar sociaal contact tussen leden is te weinig. De zojuist uitgereikte wedstrijdcatalogus wordt uitgebreid bestudeerd op de studiedag van de Speciaalclub Zang NZHU op 21 december 2019.

Opvang toetreders
Periodieke onderlinge communicatie is essentieel voor nieuwe leden om snel ingeburgerd te raken in het wereldje van de zangkanariekwekers en de voor de beleving van hun hobby interessante en noodzakelijke sociale contacten op te bouwen. Ik weet niet of het kan, maar het zou toch ideaal zijn wanneer, bijv. via Teams, Zoom, Skype, enz., nieuwe/onervaren leden onderricht kunnen krijgen in het herkennen en beoordelen van toeren, aan de hand van hun eigen vogels en die van anderen. Van het twee keer per jaar afluisteren van vogels, op een jaarvergadering en op een studiedag, krijg je de voor een optimale beoefening van de liefhebberij benodigde zangkennis en luistervaardigheden niet onder de knie.

Communicatie-instrumenten
Vanuit de speciaalclub zullen leden regelmatig met hun lidmaatschap geconfronteerd moeten worden. Dit kan digitaal via een ‘Nieuwsbrief’, of, heel ouderwets, via een clubblad, al dan niet digitaal verzonden.

Sociale ontmoetingsmomenten
In het buitenland, zeker waar de afstanden tussen de woonplaatsen van de kwekers groot is, is het niet ongebruikelijk clubactiviteiten ook een sociaal ontmoetingsmoment van leden, evt. met partners, te laten zijn, met o.m. gezamenlijk eten, een barbecue, enz. Eendaagse wedstrijden van speciaalclubs, in groepsverband vogels afluisteren, participatie in de keuring, pauzes voor onderonsjes en een hapje en een snapje, etc. passen volkomen in bovenstaande gedachtegang. Nu ligt een combinatie van een barbecue en een wedstrijd in december of januari niet direct voor de hand, maar iedere speciaalclub zal na moeten denken over de opzet van de eigen activiteiten en wedstrijd, in hoeverre het programma de leden met elkaar en met de sport verbindt en stimulerend werkt de hobby te (blijven) beoefenen.
Het sleutelwoord in bovenstaande was intensivering van de sociale contacten. Er zijn een aantal ideeën gelanceerd, wellicht dat anderen die met goede sug
gesties kunnen aanvullen. 

Nederlanders met wortels in andere culturen
In bovenstaande zagen we dat weliswaar Nederland wat betreft het hebben van één of meerdere vogels als huisdier er duidelijk uitspringt ten opzichte van de ons omringende landen, maar in Zuid-Europese en ook in andere mediterrane culturen is de populariteit van het hebben van een vogel als huisdier zeker met Nederland vergelijkbaar, zo niet groter. Ook in de Surinaamse cultuur is het vogelbezit, inclusief zangwedstrijden met inheems Surinaamse vogels, wijd verbreid. Het is daarom merkwaardig dat Nederlanders met wortels in een ‘vogelvriendelijke cultuur’ ondervertegenwoordigd zijn in het vogelverenigingsleven. Het hebben van zang- en siervogels binnen het verband van de traditionele vogelverenigingen lijkt  tot dusver vooral een ‘autochtone’ aangelegenheid. Het is natuurlijk wel denkbaar dat de interesse voor het houden en kweken van zang- en siervogels door mensen met hun wortels in een niet-Nederlandse cultuur zich richt op andere vogels dan waterslagers of harzers en men een voorkeur heeft voor een andere competitieopzet. Dit zien we bijvoorbeeld bij twa twa wedstrijden door vogelliefhebbers met een Surinaamse achtergrond. Desalniettemin mogen we concluderen dat de Nederlande vogelliefhebberij naar verhouding weinig heeft geprofiteerd van de komst van ‘nieuwe’ Nederlanders. In welke mate de Nederlandse vogelverenigingen hier kansen hebben laten liggen durf ik me bij gebrek aan informatie omtrent dit onderwerp niet uit te laten. Maar liggen hier mogelijkheden?


Mohamed Taher en Andries Gort in gesprek over de wedstrijdresultaten van de clubkampioenschappen van de NZHU op 21 december 2019. Mohamed is een van de weinigen met wortels in een niet Nederlandse cultuur die lid is van een speciaalclub voor zangkanariekwekers.

 Opzet wedstrijden voor zangkanaries op de schop
Wedstrijden voor zangkanaries leiden eerder tot teleurstellingen dan tot euforie. Dat heeft deels te maken met hoe de wedstrijden zijn opgezet en georganiseerd. In een competitie zijn natuurlijk altijd winnaars en verliezers. Kan een voetballer na afloop van de wedstrijd, op grond van het wedstrijdbeeld, in zekere mate, vrede hebben met een verlies, tijdens een zangkanariewedstrijd blijven zowel de wedstrijd, de tegenstander als de scheidsrechter volkomen buiten beeld. Je hebt verloren, maar je weet niet van wie en waarom. Dit past niet meer in de 21e eeuw.
Een scala aan toevalligheden, onzekerheden
en gebrek aan transparantie veroorzaken dat een zangkanariewedstrijd vaak eerder een ontmoedigend dan een stimulerend effect heeft. Is het gek dat sommigen een wedstrijd voor zangkanaries typeren als een loterij? Ervaren kwekers weten niet anders, maar probeer je eens te verplaatsen in een vogelliefhebber die nog maar kort geleden de zangkanariesport is binnenstapt. Wordt hij door ons concept van wedstrijden gestimuleerd of is de kans groot dat hij gefrustreerd weer afhaakt? Willen we mensen aan de haak slaan en aan de haak houden dan lijkt het me de hoogste tijd om onze wedstrijden tegen het licht te houden en mogelijke opties ter verbetering serieus te overwegen en vervolgens de beste te introduceren. Verbeteringen zijn haalbaar in de opzet van de wedstrijd en het functioneren van de keurmeesters. We moeten dan denken aan een grotere participatie van de inzenders, meer transparantie en eenduidigheid in de beoordeling van keurmeesters. Daarnaast zullen keurmeesters, naast jurylid, ook steeds meer de rol van adviseur moeten vervullen.


Het gezamenlijk afluisteren vergt doorgaans gevorderde kennis van het lied en is daarom het meest interessant voor de gevorderde kwekers. Nieuwe toetreders steken er in de regel weinig van op. Afluisteren van waterslager o.l.v. Andries Gort op de studiedag van de Speciaalclub Zang NZHU op 21 december 2019

Waarborgen voor eerlijkheid leiden tot ondoorzichtigheid
De opzet van een wedstrijd voor zangkanaries is omgeven met allerlei waarborgen dat de beoordeling zo eerlijk mogelijk en zonder enige vooringenomenheid en beïnvloeding kan plaatsvinden: De keurmeester krijgt alleen kooinummers, de volgorde van keuring wordt geloot, tijdens de keuring vindt de beoordeling in isolement plaats, niemand heeft toegang tot de wedstrijdlocatie met uitzondering van bestuur en medewerkers. Deze eerlijkheidswaarborgen hebben tot gevolg dat het wedstrijdgebeuren allesbehalve inzichtelijk is. Tijdens een zangkanariewedstrijd is ondoorzichtigheid troef. In de vorige eeuw wisten we niet anders, maar leidde dit overigens ook al tot excessen. Ter illustratie een voorbeeld uit het verleden van de NZHU om aan te geven tot welke bizarre consequenties het gebrek aan transparantie leidde. Wijs geworden van ervaringen op de zogenaamde ‘Technische dagen’ van de waterslagerclub ‘De Nachtegaal’, waarop het afluisteren van de vogels regelmatig ontaardde in het beoordelen van keurmeesters in plaats van het lied van de vogels die opstonden, werden op de studiedagen van de NZHU in de beginjaren de vogels anoniem ter beluistering opgezet. De kooinummers waren verwijderd opdat men de vogels zou beoordelen zoals ze op dat moment zongen en niet met de wedstrijdresultaten in het achterhoofd. Dit alles om discussies over keurmeesters en de door hen opgemaakte keurbriefjes te vermijden. Hoe diep kan je zakken als sport, dat dergelijke maatregelen kennelijk onvermijdelijk zijn geworden. Toen werd met de vinger gewezen naar kwekers die zich niet wisten te beheersen. Nu moeten we zo eerlijk zijn te onderkennen dat dit het logische gevolg was en is van een systeem waarin beoordelingen, solistisch, achter gesloten deuren, zonder enige inzichtelijkheid voor de deelnemers, plaatsvindt. Ook de gedachte dat de keurmeester alleen in staat zou zijn onbevooroordeeld te kunnen jureren wanneer hij uitsluitend kooinummers overhandigd krijgt is een idée-fixe. De vogels verraden door hun zang zichzelf en hun eigenaar. Keurmeesters zijn zeer goed in staat aan de hand van de kooitjes en kanariezang de vogels van bepaalde kwekers te herkennen. Professionaliteit is de sleutel om, hoewel je de vogels herkent en de inzender je wel bekend is, ze te beoordelen zoals ze daar op dat moment zingen. Met die professionaliteit als competentie heb je als keurmeester al die eerlijkheidswaarborgen niet nodig en worden ze overbodig. Sterker, in de 21e eeuw werkt het gebrek aan transparantie volkomen contraproductief en is het de bijl aan de wortel van de zangsport geworden. Dus weg ermee. 
Een voorwaarde voor het veranderen van de opzet en organisatie van wedstrijden is dus dat we stoppen met het krampachtige vasthouden aan allerlei organisatorische maatregelen die de ‘onbevooroordeelde keurmeester’ en ‘eerlijke wedstrijd’ moeten garanderen. Dat geslotenheid eerlijkheid zou waarborgen is namelijk een fictie, het tegendeel is eerder waar. Meer transparantie leidt veeleer tot een eerlijker competitie.

Transparantie en participatie
Wil de sport in de 21e eeuw toekomst hebben dan zal alle geslotenheid overboord moeten en transparantie het kenmerk van de toekomstige wedstrijden voor zangkanaries moeten worden. Dit betekent dat de vogels beoordeeld moeten kunnen worden in het bijzijn van de kwekers. Alleen in deze setting kan de keurmeester, naast zijn rol van jurylid, ook die van adviseur vervullen. Op de wedstrijd van The Timbrado Society is het al gebruikelijk dat kwekers bij de keuring aanwezig kunnen zijn. Het moet ook mogelijk zijn dat op afdelingsniveau, waar meestal maar één of een paar inzenders van zang-kanaries zijn, de kweker bij de beoordeling aanwezig is. Ook ben ik er voorstander van dat op wedstrijden van speciaalclubs een kweker op voorhand aangeeft bij welke vogels hij graag oog- en oorgetuige wilt zijn van de beoordeling. De keurmeester heeft, nadat hij de vogels ‘op papier’ heeft gezet dan ook volop gelegenheid zich met de kweker te onderhouden om zijn beoordeling te motiveren en de kweker te adviseren.
Zoals ik, als kweker van Japanse meeuwtjes, na afloop van een keuring precies weet, aan de hand van het keurbriefje, wat er aan de vogel goed en verkeerd was en dat nog eens nader kan bekijken, heb ik als zangkanariekweker ook na afloop van een wedstrijd het recht om te weten op welke punten de zang van mijn kanaries tekort is geschoten. Ik moet dat niet gelezen, maar gehoord hebben, want we hebben het over zangkanaries en naar zang luister je. Met name voor de kwekers die nog niet zo goed thuis zijn in het herkenen en beoordelen van de toeren is dit een enorme vooruitgang. Voor hen heeft de wedstrijd niet alleen een competitief, maar daardoor ook een educatief aspect gekregen. Als het goed is weet hij na de wedstrijd waarom zijn vogels niet tot de top behoren, welke toeren wel goed en welke minder goed werden gebracht en ook wat hij zou kunnen doen om het lied van zijn vogels te verbeteren. Met een grotere transparantie en participatie van de kwekers worden zangwedstrijden, zeker voor nieuwe toetreders, in diverse opzichten een stuk interessanter en daarmee de sport als geheel veel aantrekkelijker.


Een tropenkeurbriefje: controleerbaar met duidelijke opmerkingen en impliciete adviezen. Helderheid voor de kweker.

Gedragscode
Met de voorgestelde veranderingen zal het eerder regel dan uitzondering zijn  dat kwekers ooggetuigen zijn van de jurering en mogelijk zelfs kwekers regelmatig in het keurkamertje van de keurmeester vertoeven. Dit vereist niet alleen een cultuuromslag,  maar ook een gedragscode die op de nieuwe situatie is afgestemd: de keurmeester keurt en licht zijn beoordeling toe; de kweker luistert en informeert, vraagt desnoods advies, maar mag zich nooit en te nimmer met de keuring bemoeien. Een kweker die zich niet aan de afgesproken gedragcode kan houden hoort in de keurkamer niet thuis.

Eendaagse wedstrijden
Duren wedstrijden voor zangkanaries nodeloos te lang? Bij de NZHU bestaat onze jaarlijkse wedstrijd uit drie dagen: de eerste dag opbouwen en inkooien, de tweede dag keuren en de derde dag afluisteren en uitkooien. Dit betekent dat de kweker altijd twee keer de reis naar de wedstrijdlocatie moet maken: voor het inkooien en voor het afhalen. Een ééndaagse wedstrijd scheelt reistijd en reiskosten. Wellicht kan de aantrekkelijkheid voor de zangsport verhoogd worden door vaker ééndaagse wedstrijden te organiseren. Wenselijkheid en haalbaarheid zijn op z’n minst het onderzoeken waard.

Keurtechnisch collegiaal overleg
Een terugkerende bron van frustraties bij deelnemers aan wedstrijden voor zangkanaries is de variatie in de beoordeling door de keurmeesters. In plaats van het werken als team met een op elkaar afgestemde normering en jurering lijken keurmeesters veeleer als eenlingen aan het werk te zijn met ieder hun voorkeuren. Een dergelijke praktijk is niet alleen funest voor de geloofwaardigheid van de keurmeesters, maar ook voor de eerlijkheid van de wedstrijd. Voor keurmeesters zou het topprioriteit en dus een voortdurend punt van aandacht moeten zijn om bij de beoordeling van de vogels zoveel mogelijk één lijn te trekken. Om dit te kunnen realiseren zullen keurmeesters periodiek elkaar moeten ontmoeten voor keurtechnisch collegiaal overleg. Tijdens zo’n bijeenkomst zal men onafhankelijk van elkaar naar dezelfde vogels moeten luisteren en ieder voor zich een  keurlijst moeten opmaken. Vervolgens is het van het grootste belang met open vizier over de verschillen in beoordeling te discussiëren, om ten slotte te komen tot afspraken over een gezamenlijke normering, waaraan iedereen zich dan ook vervolgens moet houden.
In dit kader is het wellicht aan te bevelen om naast het collegiaal keurtechnisch overleg ook op bepaalde wedstrijden de vogels niet door één maar door twee keurmeesters te laten beoordelen.

Consulterend collegiaal overleg tijdens wedstrijden
Hebben de beste vogels de bokalen mee naar huisgenomen? Soms komt die vraag in je op wanneer tijdens een studiedag de hoogste stammen worden afgeluisterd. Weten de keurmeesters van elkaar welke punten ze aan hun hoogste vogels/stammen hebben gegeven? Wanneer aan het eind van de keuring een algeheel kampioen tropische vogels bepaald moet worden komen alle topvogels weer terug op tafel en in overleg tussen de keurmeesters wordt de hoogste vogel aangewezen. Hoeveel stammen waterslagers zijn kampioen geworden zonder dat andere keurmeesters deze vogels hebben gehoord?
Het is onmogelijk om aan het eind van de keuringsdag de hoogste waterslagers weer eens op tafel te zetten om de kampioenen aan te wijzen, maar het is wel mogelijk op het moment dat je als keurmeester een stam, stel of enkeling op tafel krijgt, waarvan je vermoedt dat de vogels wel eens in de prijzen zouden kunnen vallen, collega keurmeesters erbij te roepen, ze mee te laten luisteren en aan te geven welke punten je ze hebt gegeven. Met structureel consulterend collegiaal overleg op de keuringsdag mag je er vanuit gaan dat uiteindelijk ook de beste vogels tot de prijswinnaars behoren.

Eerlijke competitie in plaats van loterij
Wil het houden en kweken van zangkanaries winnen aan populariteit, dan moet de zangsport af van het imago dat de wedstrijden kenmerken van een loterij vertonen. Juryleden mogen niet te veel verschillen in hun beoordeling; prijswinnaars moeten de beste vogels zijn. Zo is het, en niet anders! Onvoldoende vertrouwen in de objectiviteit van een beoordeling en twijfel aan gelijke kansen voor iedereen is de bijl aan de wortel van de sport. Dit kan alleen bestreden worden met keurtechnisch collegiaal overleg, periodiek tijdens daarvoor bedoelde bijeenkomsten, en het tijdens de jurering op wedstrijden elkaar consulteren over vogels die boven een bepaalde score komen.


Twee mensen in een keurkamer. Een beeld dat we in de toekomst veel vaker zullen zien? Een keuring in bijzijn van de kweker. Na de keuring geeft de keurmeester uitleg over de zang en adviezen voor de kweek. Joop Aelbrecht en Chagas Pinheiro tijdens de keuring van waterslagers tijdens de clubkampioenschappen van de NZHU op 22 december 2017.

Samenvatting en conclusies
De grote populariteit voor het houden en kweken van zangkanaries, zoals we dat kennen uit het verleden, zal onlosmakelijk met de 20e eeuw verbonden blijven. Wil de liefhebberij in de komende decennia niet volledig verdwijnen dan zullen we niet achterom, maar vooruit moeten kijken. De 21e eeuw vraagt van onze liefhebberij een radicale breuk met het verleden. In het bijzonder het functioneren van de speciaalclubs en de wijze waarop we onze wedstrijden organiseren en invullen zullen fundamenteel moeten veranderen. De speciaalclubs en de zangkanariekeurmeesters zullen in eendrachtige samenwerking een ‘deltaplan’ moeten opstellen dat de zangsport voor ondergang moet behoeden.
In dat plan moet veel aandacht geschonken worden aan promotie van de sport.
De speciaalclubs ‘nieuwe stijl’ zullen het karakter moeten krijgen van een combinatie van de oude vertrouwde speciaalclub en een lokale vogelvereniging met intensieve contacten met de leden en tussen de leden onderling. In het bijzonder zal de speciaalclub oog moeten hebben voor toetreders tot de sport en hen helpen sociale contacten in de zangwereld op te bouwen.
Wedstrijden zullen alle beslotenheid en geheimzinnigheid van zich af moeten
werpen; veel transparanter moeten zijn en participatie van kwekers mogelijk moeten maken. Wedstrijden zullen naast het traditionele competitieve aspect ook veel meer een educatief karakter moeten vertonen.
Tot slot zullen de keurmeesters zich moeten beraden op hun positie. Naast jury zullen ze in de toekomst ook steeds meer de rol van adviseur te vervullen krijgen. Verder is het van het grootste belang dat de zangkanariewedstrijden zich ontdoen van het stempel een loterij te zijn. Dit kan alleen met intensief inhoudelijk contact tussen keurmeester buiten de wedstrijden met de bedoeling om met elkaar één lijn te trekken in het beoordelen van de afzonderlijke toeren en tijdens de jurering op wedstrijden elkaar te consulteren wanneer er potentiële prijswinnaars op tafel staan.    

Samenvatting
Onze vogelliefhebberij zal, naar mijn vaste overtuiging, nooit meer worden zoals hij in de 20e eeuw is geweest. Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen hebben er toe geleid en zullen er toe leiden dat veel minder mensen zullen besluiten één of meerdere dieren als huisgenoot te nemen.
Keuzemogelijkheden en verplichtingen betreffende wonen, werken en recreëren nopen mensen tot het stellen van prioriteiten. In de overwegingen om een huisdier te nemen blijkt dat men steeds meer tot de conclusie komt dat in de gegeven omstandigheden en de gestelde prioriteiten betreffende wonen, werken en recreëren het hebben van huisdieren te complex is. Voor het structureel huisvesten, voeden en verzorgen van huisdieren kan onvoldoende tijd vrij gemaakt worden. Het is daarom aannemelijk dat in de toekomst een relatief kleine groep mensen er toe zal overgaan te kiezen voor een tijdsintensieve en strikt aan huis gebonden liefhebberij als het houden en kweken van vogels.
Verder constateren we dat het denken over de manier waarop je als mens met dieren behoort om te gaan fundamenteel aan het veranderen is. Het ziet er naar uit dat in de toekomst het hebben van dieren in gevangenschap steeds meer als moreel verwerpelijk zal worden  beschouwd. Deze veranderende moreel/ethische houding tegenover het milieu en de flora en fauna zal ongetwijfeld ook z’n impact hebben op het houden en kweken van vogels in gevangenschap en de maatschappelijke acceptatie van deze vorm van tijdverdrijf.
Eerder dan de situatie van enkele decennia geleden zal terugkeren zal in de toekomst een variant op een citaat van de heer J.J. Duyvené de Wit uit 1900, toen de georganiseerde sier- en zangvogelliefhebberij nog in de kinderschoenen stond, de actualiteit kunnen typeren: ‘Weinigen kennen nog ’t genot, dat ons de zangkanariewereld geeft, en onbekend maakt onbemind’.34 
 

Zangkanariekwekers gezellig bij elkaar in geanimeerde gesprekken verwikkeld. Hoe lang zullen we dit beeld nog kunnen zien? Leden van de Speciaalclub Zang NZHU tijdens de studiedag op 21 december 2019.

Gezien bovenstaande is het verspilde moeite naar het verleden te staren in de hoop en met het verlangen dat oude tijden zullen terugkeren. Zinvoller is het om, gezien het feit dat maar een klein percentage van de bevolking het houden en kweken van vogels als liefhebberij zal kiezen, naar mogelijkheden te zoeken dat een deel van dit percentage er toe verleid kan worden zich toe te leggen op het houden en kweken van zangkanaries. Wil er voor het houden en kweken van zangkanaries binnen de toekomstige constellatie nog perspectief zijn, dan zal de sport de drempel voor nieuwe toetreders moeten verlagen door de sport aantrekkelijker te maken. Dat schort er op dit moment kennelijk aan, gezien het feit dat er nauwelijks mensen besluiten om zangkanaries te gaan houden.
De oorzaken dat mensen niet besluiten zangkanaries te gaan houden, kweken en aan wedstrijden deel te nemen heeft deels maatschappelijke oorzaken, maar is ook deels te wijten aan de manier waarop de sport op dit moment is ingericht en georganiseerd. De manier waarop op dit moment de zangkanariesport wordt bedreven wijkt principieel nauwelijks af van hoe in de laatste decennia van de 19e eeuw de zangkanarieteelt in Duitsland was georganiseerd. In honderdvijftig jaar is er nauwelijks iets veranderd. De vraag is of wat voor 1880 gold ook nog in 2030 mensen tot de verbeelding zal spreken. Wil de sport voor de toekomst behouden kunnen worden dan zal ze over haar eigen schaduw heen moeten springen en de bakens moeten verzetten; heilige huisjes moeten wellicht gesloopt worden. De kwekers die al jarenlang meedraaien zullen daarom los moeten laten wat voor hen vertrouwd is en zich moeten schikken naar wat
 wenselijk is om nieuwe zangkanariekwekers voor de sport te werven en te behouden. Niet het verleden bepaalt de norm,  maar wat wenselijk is voor de toekomst.


Bijeenkomsten van een speciaalclub zullen vooral ook een gezellig samenzijn moeten zijn: Ageeth Onderwater achter en vlnr. André Schrama, Max Gerhards, Ton Gerritsen, Jacques de Beer en Theo Kramp voor de bar, tijdens de studiedag van de Speciaalclub Zang NZHU op 22 dec. 2018

Veranderingen realiseren in een wereld waarin de meeste beoefenaars op een leeftijd zijn gekomen waarop veeleer terug dan vooruitgekeken wordt,  het verleden wordt geïdealiseerd, het heden houvast biedt en de toekomstige situatie nieuw, onbekend en dus onvertrouwd zal zijn, is welhaast een onmogelijke opgave. Wil er over 10-15 jaar nog een zangkanariesport zijn dan zullen vanuit het verleden vastgeroeste opvattingen en gewoontes toch overboord gezet moeten worden, zo niet, dan mogen de jongsten van de huidige generatie zangkanariekwekers over 10-15 jaar het licht uitdoen. Maar dan is het niet de schuld van de boze buitenwereld, maar heeft de sport dit aan zichzelf te wijten: eigen schuld, dikke bult.
Om de zangkanariesport voor de toekomst te behouden zal ze dus fundamenteel moeten veranderen. Keurmeesters en speciaalclubs zullen hierin het voortouw en de leiding moeten nemen. Zij zullen in eendrachtige samenwerking een ‘deltaplan’ voor de toekomst van de zangsport op moeten stellen.
De speciaalclubs zullen van karakter moeten veranderen. Naast de traditionele rol van speciaalclub zal ze ook eigenschappen van de lokale verenigingen moeten integreren. Kwekers van zangkanaries vormen inmiddels zo’n kleine minderheid dat ze de voor het uitoefenen van de hobby noodzakelijke sociale contacten in de regel onvoldoende vinden in de lokale verenigingen. De speciaalclubs zullen dit  manco moeten opvullen. Speciaalclubs  zullen daarom hun activiteiten niet moeten beperken tot een jaarvergadering en een wedstrijd, maar het jaar rond de leden gelegenheid moeten bieden met elkaar contact te hebben. Dit kan fysiek, maar zeker ook digitaal.
De speciaalclubs zullen ook het voortouw moeten nemen in de promotie van de zangsport, via artikelen in tijdschriften, op internet via websites en d.m.v. ‘colportage’ op evenementen als afdelingstentoonstellingen en de Nederlandse kampioenschappen.
Het is de taak van de keurmeesters en speciaalclubs om in eendrachtige samenwerking de wedstrijden voor zangkanaries aan te passen aan de eisen van de 21e eeuw. Transparantie
, participatie en educatie zijn daarin de kernbegrippen. Met de voorgestelde veranderingen zal het eerder regel dan uitzondering zijn dat kwekers ooggetuigen zijn van de jurering en mogelijk zelfs kwekers regelmatig in het keurkamertje van de keurmeester vertoeven. De keurmeester zal naast zijn traditionele rol van jury ook steeds meer als adviseur moeten optreden, met name voor degenen die (nog) niet in staat zijn hun kweekmateriaal zelf te selecteren.
Het is ook aan de keurmeesters om de hoogte prioriteit te geven aan het eenduidig en consequent beoordelen van zangkanaries door het voltallige keurmeesterskorps. Dit kan alleen door elkaar regelmatig te ontmoeten en via praktische training het jureren van de afzonderlijke toeren  op elkaar af te stemmen. Ook het aanwijzen van de prijswinnaars zal transparanter moeten zijn. Prijswinnende vogels mogen niet meer door één keurmeester beoordeeld zijn,  maar moeten onderwerp van gesprek zijn geweest tijdens collegiale consultatie.
Door meer aandacht voor het creëren van sociale netwerken en meer participatie en transparantie tijdens wedstrijden kan het kweken van zangkanaries een stuk socialer, uitdagender en aantrekkelijker worden.
 

Ontspanning en plezier moet centraal staan in het houden en kweken van zangkanaries. Vlnr. Max Gerhards, Jacques de Beer,Ton Gerritsen, André Schrama, Theo Kramp en Lis Reichgelt tijdens de studiedag van de Speciaalclub Zang NZHU op 22 dec. 2018

Ondanks bovenstaande sombere analyse is er dus wel degelijk toekomst voor het houden en kweken van zangkanaries, maar alleen in een andere context dan tot op heden gebruikelijk is en met veel minder kwekers dan in het verleden het geval was.
Veranderen en loslaten wat vertrouwd is gaan in de regel mensen niet gemakkelijk af. Hoe vertrouwder met het oude des te lastiger het veranderen wordt. Het mag niet zo zijn dat angst voor veranderingen de bereidheid om nieuwe wegen in te slaan gaat blokkeren. Nederland is een land van polderen en zoeken naar consensus. Als overleg tussen alle betrokkenen in de zangsport, keurmeesters, speciaalclubs, kwekers, tot de conclusie leidt dat er geen consensus te vinden is en om die reden alles bij het oude blijft, dan is daarmee tevens het doodvonnis over de zangsport  uitgesproken. Degenen die dat niet op hun geweten willen hebben zullen dan zonder consensus en wellicht zonder medewerking van een deel van de belanghebbenden voor de toekomst van de zangsport en dus voor verandering moeten kiezen. Met alle consequenties van dien.
                 

Verantwoording

Noten

      1.   Vlgs.  opgave van de NBvV waren er in 2010 534 verenigingen bij de NBvV aangesloten; in 2016 waren er dat nog 461. Na de fusie tussen NBvV en ANBV op 1 januari 2017 steeg het aantal afdelingen van de NBvV tot 537 maar in 2019 was dat al weer gedaald tot 479. Bron: Bondsbureau NBvV, met dank aan Hans van der Stroom.
2.
   Plokker, J.A., 50 jaar ‘De Kanarievogel’ in vogelvlucht 1949-1999. Jubileumboek te gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van ‘De Kanarievogel vogelvereniging voor Katwijk en omstreken.
3.   Plokker, J.A., 25 jaar in de ban van de zangkanarie. Doelgroep Zang Regio Noord-, Zuid-Holland en Utrecht 1985-2010. Jubileumboek ter gelegenheid van het vijfentwintig jarig bestaan van ‘Doelgroep Zang Regio NZHU’.
4.   https://www.licg.nl/de-sociale-rol-van-huisdieren/
5.   file:///E:/asus/Downloads/RDA+2006_02.pdf
6.   https://edepot.wur.nl/186568
7.   Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2015, HAS hogeschool en universiteit Utrecht. https://edepot.wur.nl/361828 
8.   www.divebo.nl -2018: Consument nog te vaak onwetend over juiste verzorging van zijn huisdier ; 2019: Consument laat zich minder verleiden tot impulsaankoop van huisdieren ; 2020: Nieuwe cijfers: meer dan 27 miljoen huisdieren in Nederland .
9.   Tabel 1 uit ‘Gedeelde Zorg’, Uitgave van Forum Welzijn Gezelschapsdieren (Raad voor Dierenaangelegenheden), Den Haag 2006. Internet: file:///E:/asus/Downloads/RDA+2006_02.pdf
10. Tabel 3 uit ‘Gedeelde Zorg’, Uitgave van Forum Welzijn Gezelschapsdieren (Raad voor Dierenaangelegenheden), Den Haag 2006. Internet: file:///E:/asus/Downloads/RDA+2006_02.pdf
11. Zie hiervoor Tabel 5.
12. https://edepot.wur.nl/186568
13. Tabel 1.2 uit ‘Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2011’, (https://edepot.wur.nl/186568    
14. Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2015, HAS Hogeschool Den Bosch en universiteit Utrecht. https://edepot.wur.nl/361828   
15. Tabel 1.1 uit ‘Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2015’, HAS Hogeschool Den Bosch en universiteit Utrecht. https://edepot.wur.nl/361828 
16. https://dibevo.nl/pers/siervissen-in-top-3-van-meest-gehouden-huisdieren.
17. De integrale rapporten van SAMR/MarketResponse zijn op Internet niet te raadplegen en desgevraagd kon ook Divebo ze mij niet verstrekken. Volstaan moet worden met persberichten.   2016:  Siervissen in top-3 van meest gehouden huisdieren ; 2017: Meer dan 4 miljoen huishoudens hebben één of meer huisdieren ;
      2018: Consument nog te vaak onwetend over juiste verzorging van zijn huisdier ; 2019: Consument laat zich minder verleiden tot impulsaankoop van huisdieren  : 2020: Nieuwe cijfers: meer dan 27 miljoen huisdieren in Nederland . Met dank aan Mieke Pape-Niemeijer van Divebo.
18. file:///E:/asus/Downloads/RDA+2006_02.pdf 
19. Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2015, HAS hogeschool en universiteit Utrecht. https://edepot.wur.nl/361828
20. Tussen 2003 en 2014 is sprake van een stijging met 14,7% en tussen 2014 en 2018 een daling met 48,7%. Tussen 2003 en 2018  is sprake van een daling met 41,1%;  tussen 2003 en 2019 met 29%
21. Bronnen: Divebo persberichten:  2018: Consument nog te vaak onwetend over juiste verzorging van zijn huisdier ; 2019: Consument laat zich minder verleiden tot impulsaankoop van huisdieren  : 2020: Nieuwe cijfers: meer dan 27 miljoen huisdieren in Nederland .
22. De Nederlandse partner in FEDIAF is de NVG (Nederlandse Voedingsindustrie Gezelschapsdieren). In het 1e FEDIAF rapport, uit 2018, schatte men het aantal zang- en siervogels in Nederland in 2017 op 650.000. In het in 2019 uitgeven rapport was het aantal zang- en siervogel in Nederland opeens gestegen tot  2.440.000. Deze stijging met 275% lijkt me onwaarschijnlijk. We beschouwen de in het rapport uit 2019 opgenomen gegevens als reëler dan het een jaar daarvoor opgegeven aantal.  Het voor 2019 door FEDIAF opgegeven  aantal komt ook overeen met de door Divebo voor 2019 verstrekte gegevens.   https://www.nvg-diervoeding.nl/annual-report-fediaf/ ; https://www.nvg-diervoeding.nl/wp-content/uploads/2018/07/FEDIAF_Annual_Report_2018_Online.pdf ; https://fediaf.org/images/FEDIAF_facts_and_figs_2019_cor-35-48.pdf’)
23. https://fediaf.org/images/FEDIAF_Annual_Report_2020_cor.pdf   In het rapport over 2018 waren deze cijfers: Op 1000 inwoners waren er in Rusland 22 siervogels; in Duitsland 58, in Frankrijk 84, in Spanje 113, in Nederland 117, in Turkije 139 en in Italië 213. Ter vergelijking: in 2018 waren in België 42 vogels op de 1000 inwoners. In 18% van de huishoudens was minstens één hond en in 23% minstens een kat aanwezig.  
Tabel  http://www.fediaf.org/images/FEDIAF_Annual_Report_2019_Online.pdf 
24. Bron: Bondsbureau NBvV.
25  Bron: Bondsbureau NBvV.
26. Bronnen: secretariaten van de afzonderlijke verenigingen. Met dank aan de heren Jacques de Beer en Huub de Loos (LSH), Jan de Bruine en Jan van de Blankevoort (De Nachtegaal), Matthew Sprangers (The Timbrado Society)
27. Plokker, J., Van kermis naar vogeltentoonstelling. In: Contactblad Speciaalclub NZHU, ed. 2019-2, pp. 16-50  en 2020-1, pp. 3-165. Zie hiervoor: www.zangkanaries.nl – Artikelen. Zie evt. ‘Onze Vogels’, juni 2020, pp. 24-25 en juli 2020, pp. 24-25.
28. Plokker, Jaap, Klok, Gloeb en Wloeb. In: Contactblad Speciaalclub NZHU, 2020-2, pp. 15-22; Plokker, Jaap, Revolutie in de zangkast, ontwikkelingen in de zangkanariesport 1970-2010, deel 1, waterslagers. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2011, 27e jrg., nr. 1, pp. 15-30.
29. Plokker, Jaap, Revolutie in de zangkast, ontwikkelingen in de zangkanariesport 1970-2010, deel 2, harzers. In: Contactblad Speciaalclub  Zang NZHU, editie mei 2015, 31e jrg., nr. 2, pp. 16-44.
30. Plokker, Jaap, Nederlandse kampioenschappen op dood spoor? In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, febr. 2018, 34e jrg. Nr. 1, pp. 13-19; Plokker, Jaap,  Rare jongens, die zangkanariekwekers – over  het NK Zangkanaries, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU oktober. 2019, 35e jrg., nr 2, pp. 9-13. Zie hiervoor ook Onze Vogels, jaargang 2019, nr. 10, okotber, pp. 24-25.
31. Plokker, Jaap, Inzetkooitje naar de brandstapel. In: clubblad Studeiclub Zang regio NZHU, oktober 1992. Ruiter, H., Als Columbus Amerika niet ontdekt had. In; Onze Vogels, jrg. 1992, pp. 302-303.
32. Plokker, Jaap, Teamwork of Einzelgängers. In: Contactblad Speciaalclub NZHU, 2020-2, pp. 23-32; Plokker, Jaap. Klok, Gloek & Wloeb. In: Contactblad Speciaalclub NZHU, 2020-2, pp. 15-22.
33. Het oorspronkelijke citaat luidt: ‘Weinigen kennen nog ’t genot, dat ons de kleine vogelwereld geeft, en onbekend maakt onbemind’. In: ‘De Pluimgraaf’,
Geïllustreerd Weekblad voor liefhebbers van Zang-, Sieraad- en Volièrevogels, Pluimvee, Duiven, Konijnen, enz.’, onder redactie van C.L.W. Noorduyn. Uitgegeven door De Erven Loosjes te Haarlem. Editie 9 maart 1900, p. 154.  Gebruik is gemaakt van een bundel kopieën uit ‘De Pluimgraaf’,  uit de periode 6 januari 1899 t/m 29 december 1900 (niet volledig), die zijn verzameld en gebundeld door mevr. G. Stoop en uitgegeven door vogelvereniging ‘Lucinia’, opgericht 18 februari 1921.
34. Ibidem. 

 

 Mededelingen

ZOOM-contacten

In het pamflet ‘Eigen schuld, dikke bult?’ wordt gesteld dat speciaalclubs van karakter moeten veranderen. Inmiddels wonen zangkanariekwekers zo verspreid over Nederland dat het voor iedere zangkweker lastig is een vogelvereniging te vinden waar hij collega zangkwekers kan ontmoeten. Die functie, die vroeger door afdelingen kon worden ingenomen, maar nu niet meer, zal door de speciaalclubs moeten worden overgenomen. Dat betekent dat er vanuit de speciaalclubs meer initiatieven moeten worden genomen om elkaar periodiek te kunnen ontmoeten, fysiek of digitaal. Met dit laatste is in maart jl. in onze club een initiatief genomen, waarvoor overigens heel weinig belangstelling was.  Met behulp van het programma ‘Zoom’ heeft een groepje van zes kwekers elkaar gezien en gesproken; voor een groot deel  ‘digibeten’, maar ondanks onze beperkte kennis over en ervaring met computers ging het prima. We hebben in ca. 45 minuten kort teruggeblikt op het afgelopen jaar en vooruitgekeken naar het komende broedseizoen. Het is zo goed bevallen dat is afgesproken in de loop van het broedsezoen nog eens via ZOOM elkaar te zien en te spreken.
Onbekend maakt onbemind. In de speciaalclub voor Timbrado’s, een jongere organisatie met in de regel ook wat jongere leden dan in de traditionele speciaalclubs voor zangkanariekwekers, is het al jaren de gewoonte digitaal met elkaar contact te hebben. Dergelijk, m.n. voor nieuwe leden waardevol, contact moet, uiteraard op vrijwillige basis, in de NZHU wellicht nog groeien.

Clubkampioenschappen 2021
De kalender dwingt ons ook volgend jaar naar andere wedstrijddagen dan we tot op heden gewend waren.. Op zaterdag 18 december 2021 houdt de vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ in het gebouw haar reguliere vogelbeurs,  de 3e zaterdag van de maand. Dan kunnen wij van het gebouw geen gebruik maken. Daarom verschuift onze wedstrijd naar de dagen voorafgaand aan Kerstmis. Dat betekent maandag 20 december 2021 opbouwen, dinsdag 21 december 2021 keuring en woensdag  22 december 2021 studiedag. Hopelijk rijdt Covid-19 ons dan niet meer in de wielen.

 

Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub Zang NZHU is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

September 2021, 37e jaargang, nr. 3

Inhoudsopgave                                                                                

Voorwoord
NZHU in Coronatijd
Eigen schuld, dikke bult? – het vervolg en verzoek om reacties
In memoriam Theo Kramp
Ode aan de nachtegaal – een boekbespreking
Naar de geboortegrond van de Harzer zangkanarie
Mijn ervaringen bij de kweek van Harzer Roller kanaries
Mededelingen
  

Voorwoord

door Jaap Plokker                      

September is in de regel de maand waarin na een zomerstop het verenigingsleven weer wordt opgestart. In ‘mijn’ vogelvereniging, De Kanarievogel te Katwijk, hebben we onze eerste vogelbeurs en ledenvergadering al weer gehad. Niet na een ‘zomerstop’ van enkele maanden, maar na een jaar verenigingsloos vogelhoudersleven.
In de NZHU hebben we straks elkaar in geen twee jaar gezien. Het enige contact dat er was vond plaats via de uitgave van ons clubblad dat, wel of geen corona, gewoon is doorgegaan.
Ook in De Kanarievogel werden al weer allerlei plannen gemaakt voor het komende seizoen, maar als we iets van de afgelopen anderhalf jaar hebben geleerd dan is het wel dat niets vanzelfsprekend is.  Ook ik zou graag het normale verenigleven weer willen opstarten en onze gebruikelijke activiteiten  weer gaan organiseren en de intentie is ook om dat te doen, maar of we kunnen realiseren wat we gepland hebben? De tijd en omstandigheden zullen het leren.
In ieder geval zal al het mogelijke gedaan worden om sowieso een wedstrijd te organiseren.
Aan het begin van een seizoen dat hopelijk weer ‘ouderwets’ wordt valt editie 2021-3 van ons clubblad bij jullie in de bus. Hopelijk zit er voor iedereen  iets lezenswaardigs tussen en ik wens jullie dan ook veel plezier bij het doorbladeren en lezen van deze editie.
De vierde en laatste editie van ons clubblad wordt in november verspreid en zal meer info bevatten over de in november en december te organiseren activiteiten.   

-0-

NZHU in coronatijd                                       

door Jaap Plokker

Wanneer ik dit schrijf, medio september, heb ik het positieve gevoel dat  het komend najaar er toch anders uit zal zien dan vorig jaar en we, onder bepaalde voorwaarden, elkaar kunnen ontmoeten en een wedstrijd kunnen organiseren. In de zomer van 2020 had ik een zelfde gevoel, hoe anders was de realiteit. Een ezel stoot zich in het gemeen geen twee keer aan dezelfde steen, maar ik denk dat de situatie anno september 2021 er toch wezenlijk anders voor staat dan een jaar geleden. Ik kijk er naar uit om elkaar weer te zien. Afgelopen voorjaar hebben we via een Zoom meeting weliswaar met een paar leden twee keer contact gehad en onze kweekervaringen uitgewisseld. Heel gezellig om bij gebrek aan een ander alternatief op deze wijze even 45 minuten elkaar te zien en te spreken, maar er gaat toch niets boven het elkaar ontmoeten in levende lijve. De vereniging verkeert nu al anderhalf jaar in een ‘slapend’ bestaan. Het wordt alleen al daarom de hoogste tijd dat er weer wat leven in de brouwerij komt.
We gaan dan ook het nieuwe seizoen in met het optimisme dat we de draad weer kunnen oppakken en o.m. een afluisterochtend en een wedstrijd kunnen organiseren. Onder welke omstandigheden dat zal kunnen en moeten gebeuren zal in de komende maanden ongetwijfeld duidelijker worden. Jullie worden uiteraard op de hoogte gehouden.

-0-

Eigen schuld dikke bult?  -

het vervolg en verzoek om reacties

door Jaap Plokker

Editie 2021-2 van ons clubblad was een pamflet, waarin onder de titel ‘Eigen schuld, dikke bult?’ een oproep werd gedaan de zangkanariekweek in Nederland te hervormen. Naast de leden van de NZHU is het pamflet ook verstuurd naar de besturen van de andere speciaalclubs voor zangkanariekwekers, naar de besturen van de verenigingen van zangkanariekeurmeesters en speciaalclubs van de NBvV. Het ligt zelfs op de burelen van Belgische organisaties voor vogelliefhebbers, want zoals de secretaris van de KNBB, Jozef De Poortere, me mailde: ‘Wij, kwekers van waterslagers, zijn hier in Vlaanderen in hetzelfde bedje ziek’. 
Omdat het lastig is over het pamflet als geheel te discussiëren, daarvoor is het te groot en te gedetailleerd, heb ik het pamflet gerubriceerd tot een ‘kapstok’ waaraan het hele pamflet is opgehangen. Deze ‘kapstok’ is nu in eerste instantie het uitgangspunt om de komende maanden onder zangkanariekwekers en –keurmeesters te peilen in hoeverre er in Nederland een draagvlak bestaat de zangkanariekweek grondig te hervormen.
Ook van de leden van de NZHU zou ik graag willen vernemen hoe ze denken over hetgeen in de ‘kapstok’ staat. Daarom hierbij de tekst die uitgangspunt is voor de eerste discussieronde, en ik verneem jullie reacties heel graag.

Eigen schuld dikke bult?  - ‘Kapstok’
Editie 2021-2 van het contactblad van de Speciaalclub Zang NZHU was een pamflet waarin de toekomst van de zangkanariekweek in Nederland aan de orde werd gesteld. Het pamflet ‘Eigen schuld, dikke bult?’schetst een somber beeld van de stand van zaken m.b.t. de Nederlandse zangkanariekweek, doet op grond daarvan een oproep tot evaluatie en actie en komt tenslotte met suggesties voor veranderingen die de zangkanariekweek aantrekkelijker moeten maken voor de steeds kleiner wordende groep van potentiële zangkanariekwekers.
De belangstelling voor het houden van huisdieren, w.o. vogels, vertoont sinds de laatste decennia van de 20e eeuw een dalende trend. Ontwikkelingen m.b.t. wonen, werken en recreëren gedurende deze periode zijn steeds minder verenigbaar met het houden van een of meerdere huisdieren, in het bijzonder vogels en meer in het bijzonder het fokken van vogels. Het houden en fokken van zangkanaries behoort tot de liefhebberijen waarvoor de belangstelling relatief het sterkst is afgenomen. Wanneer de huidige trend zich voortzet zal het georganiseerd houden en kweken van zangkanaries binnen één tot twee decennia letterlijk uitsterven.
Wil de zangkanariekweek blijven voortbestaan dan is het dus de hoogste tijd actie te ondernemen.  Uitgangspunt hiervoor is het volgende mission statement:

‘De huidige zangkanariewereld staat voor de uitdaging de liefhebberij zo aantrekkelijk te maken dat in een wereld waarin het aantal vogelfokkers steeds verder daalt een dusdanig aantal liefhebbers kunnen worden geënthousiasmeerd zich op het kweken van zangkanaries toe te leggen, dat de liefhebberij, weliswaar mogelijk in marginale omvang, in georganiseerd verband behouden blijft.’

Na de noodzaak van actie te hebben aangetoond worden in het pamflet suggesties genoemd die het houden en kweken van zangkanaries in georganiseerd verband aantrekkelijker moet maken.
Allereerst wordt gesteld dat alleen successen kunnen worden geboekt wanneer het probleem integraal en systematisch wordt aangepakt. Het pamflet stelt daarom voor dat speciaalclubs voor zangkanariekwekers en het keurmeesterskorps voor zangkanaries in eendrachtige samenwerking een deltaplan opstellen dat moet leiden tot het in stand houden van de liefhebberij.

De veranderingen zouden zich moeten concentreren op de volgende  pijlers:
    -          het functioneren van de speciaalclubs voor zangkanariekwekers;
    -          de opzet en organisatie van de wedstrijden voor zangkanaries.

De speciaalclubs zouden als speerpunten:
    -           zich o.m. moeten concentreren op de eerste lijnopvang van nieuwe zangkanariekwekers;
    -          het voortouw moeten nemen in de promotie van de zangsport.

Voor de wedstrijden voor zangkanaries gelden als speerpunten dat ze moeten transformeren naar evenementen met : 
    -          meer transparantie betreffende de beoordeling;
    -          grotere participatie door de inzenders.

Het pamflet gaat uitgebreid in op de motivatie voor de keuze van deze doelen, pijlers en speerpunten en geeft tal van suggesties hoe die in de praktijk geconcretiseerd zouden kunnen worden.

Heb je na het lezen van het pamflet en deze ‘kapstok’ opmerkingen betreffende deze geschriften en/of suggesties voor een zangkanariekweek ‘nieuwe stijl’ dan zijn die uiteraard altijd welkom. Schroom niet om mij te mailen: japlokker@ziggo.nl. 

-0-

In memoriam Theo Kramp

Dit voorjaar ontving ik van de familie van Theo Kramp een kaart met het droeve bericht dat Theo op 4 mei 2021 op 80 jarige leeftijd was overleden. Eerder heb ik in ons Contactblad geschreven dat Theo het bericht had gekregen dat hij ongeneeslijk ziek was; hij er rekening mee moest houden dat zijn situatie steeds zou verslechteren en zijn levensverwachting hooguit een paar jaar zou zijn. Op 4 mei 2021, midden tijdens een piek in de coronapandemie, is Theo van ons heengegaan.

Theo was al jaren geen lid meer van de vereniging, maar wij konden nog steeds ieder jaar op hem een beroep doen om tijdens de wedstrijd de organisatie van de harzerkeuring voor zijn rekening te nemen. Dan was hij in zijn element. Alles werd tot in de puntjes voorbereid en als er ‘NG’s’ op de keurbriefjes verschenen had Theo daarover mogelijk nog meer de ziekte in dan de inzender. De keuringsdag van de NZHU was voor Theo een dagje uit en hij genoot er zichtbaar van. 
De laatste keer dat Theo voor ons de harzerkeuring coördineerde was in december 2018. In het najaar van 2019 liet Theo ons weten dat zijn gezondheid het niet toeliet om bij het opbouwen, inkooien en keuren van onze wedstrijd present te zijn. Zelfs onze uitnodiging om ieder geval op de studiedag gezellig in ons midden te verkeren kon hij, herstellende van een operatie, niet honoreren.  We hebben hem daarna niet meer tijdens een verenigingsactiviteit kunnen ontmoeten.

De harzerwereld en zeker ook de NZHU verliest in Theo een bevlogen hobbyist, met veel verstand van zaken en bovendien iemand die er niet voor schroomde om voor zijn liefhebberij de handen uit de mouwen te steken. Hoezeer de vogels in het leven van Theo een rol speelden blijkt wel uit de afbeelding van een vliegend roodborstje op de voorzijde van de rouwkaart.

Wij zullen Theo al missen; hoezeer degenen die hem dierbaar waren. We wensen hen veel sterkte om het verlies van Theo te verwerken en kracht toe in het verdere leven zonder Theo, maar wel met de herinneringen aan een fijn mens.

 

-0-

Ode aan de nachtegaal, een boekbespreking 

door Jaap Plokker

‘Ode aan de nachtegaal’ is de titel van een in het voorjaar van 2021 verschenen, fraai geïllustreerd en door Dick de Vos  geschreven  boekje, over de nachtegaal. Zodra de nachtegaal, in het bijzonder zijn zang, ter sprake komt begint het hart van menig vogelliefhebber, met name dat van de waterslagerkwekers, wat harder te kloppen. Maar ook de harzerkweker die een klein beetje geïnteresseerd is in de geschiedenis van het Harzer zangkanarieras heeft een meer dan gewone interesse voor deze keizer van de zangers; harzers en waterslagers komen immers voort uit dezelfde voorvaders: de nachtegaalzangers.

‘De nachtegaal is terug! Op een parkeerplaats in Meijdendel1  staan om 4.00 u. al acht mensen klaar voor een vogelexcursie. Het is eind april. Mijn favoriete onderdeel van onze vogelcursus van de vogelwerkgroep Leiden en omstreken start hier. We gaan altijd vroeg op pad, maar deze excursie begint in de nacht: we willen het ochtendkoor horen. We wachten op de laatsten die komen aanrijden op de onverlichte parkeerplaats. Het is nog donker, alleen een halve maan geeft wat licht door de hoge bomen heen. (...) We gaan op pad en spitsen onze oren. Dan horen we in de verte de eerste nachtgaal. Het zijn lange heldere fluittonen, die ver dragen. Als we verder lopen wordt de zang luider. We moeten er nu vlak bij staan. Trillers, crescendo’s en tjok-tonen, alles is even overrompelend. Wat een passie! De nachtgaal zingt alsof zijn leven ervan afhangt. Zó vol, zó hard, zó gulzig klokkend.’

Aldus begint Dick de Vos zijn boekje ‘Ode aan de nachtegaal, portret van een onsterfelijke zanger’.2  Ik weet niet welke associaties deze passage bij de lezer oproept, maar bij mij bracht die de ochtend van 7 mei 2019 in herinnering toen ik met Jan Zonderop en Piet Drop om 04.30 u. op de parkeerplaats in het Meijendel stond en uit het donker van diverse kanten het lied van een nachtegaal op ons afkwam.3  Het is altijd weer een bijzonder moment om in het pikkedonker, wanneer alle andere vogels hun snavel houden, omringt te zijn met de zang van nachtegalen. In het voorjaar rij ik vrijwel dagelijks een route waar nachtgalen zitten en, hoewel overdag, is het iedere keer weer een genot om met het oor van een waterslagerkweker in het voorbij fietsen, en soms even stoppend, naar de zingende nachtegalen te luisteren. Ieder jaar valt me weer iets nieuws op. Zo hoorde ik dit voorjaar een klokkende waterslag zoals ik die tot dusver nog nooit bij een nachtegaal had gehoord. Dick de Vos verwoordt dit gevoel als volgt: ‘Er schijnen mensen te zijn die nog nooit een nachtegaal hebben gehoord. Ze zijn diep te beklagen, want ze missen een onvergetelijke ervaring’.  

Het zal, na bovenstaande, geen verbazing wekken dat ik één en al oor ben wanneer, waar dan ook, de nachtegaal ter sprake komt. In het dagblad Trouw van zaterdag 5 juni 2021 stond een boekbespreking van het door  Dick de Vos geschreven en zojuist verschenen ‘Ode aan de nachtegaal’. In de recensie werd niet alleen lovend over het boek geoordeeld, maar werd ook verwezen naar de als nachtegalen zingende kanaries van Karl Reich. Er werd zelfs een website aangegeven waarop geluidsopnames van deze kanaries te horen waren.4

Dat hoef je mij maar één keer te laten weten en alras zat ik naar als nachtegalen zingende kanaries te luisteren. De naam Karl Reich deed bij mij een lichtje branden, want ik was hem ook al uitgebreid tegengekomen in het door Tim Birkhead  geschreven boek ‘The Red Canary’.  Kortom, mijn interesse voor ‘Ode aan de nachtegaal’ was gewekt en het boekje werd aangeschaft.

Algemene info
Het door Dick de Vos geschreven boekje ‘Ode aan de Nachtegaal’ is in 2021 uitgegeven door KNNV Uitgeverij te Zeist. Het is gebonden, voorzien van een harde kaft en heeft 176 pagina’s. Het boek is rijk voorzien van kleurenfoto’s: zowel opnamen van nachtegalen in de natuur, als op de besproken onderwerpen betrekking hebbende illustraties. Het boekje kost in de boekhandel € 22,50; hetzelfde bedrag als de opbrengst van één waterslager, met keurlijst, bij de opkoper.

Dick de Vos beschrijft  de nachtegaal niet alleen als natuurvogel, maar heeft vooral oog voor de relatie tussen nachtegalen en mensen en de betekenis van de nachtegaal voor de kunst en cultuur. Hij gaat daarvoor ver terug in de geschiedenis. Het goed leesbare én informatieve boekje wordt afgesloten met o.m. een uitgebreide literatuuropgave. 


Cover van het door Dick de Vos geschreven ‘Ode aan de nachtegaal’. waarvan in dit artikel een bespreking te lezen valt.

 Dick de Vos (geb. 1958) is schrijver van diverse boeken en artikelen over vogels en de natuur. Zijn interessegebied reikt tot ver buiten Nederland en hij heeft vogelreizen gemaakt naar vrijwel alle werelddelen. Tevens is hij ook actief als gids gedurende georganiseerde buitenlandse vogeltrips. Dick de Vos woont in Leiden, was daar o.m. gemeenteraadslid voor de Partij voor de Dieren en ook algemeen bestuurslid van het Hoogheemraadschap van Rijn-land.5  Dick de Vos is een geëngageerd natuurliefhebber en hij kan het dan ook niet nalaten om, met name in het laatste hoofdstuk van ‘Ode aan de nachtegaal’, zich als dominee van de ‘Partij-voor–de-Dieren-kerk’ te manifesteren. Uit zijn ‘preekjes’ maak ik op dat het geloof van de Vos oprecht en recht in de leer is, maar eerlijkheid gebied me ook om te melden dat ik hem niet heb kunnen betrappen op uitspraken die hem tot de ‘orthodoxie’ van dit genootschap rangschikken. Mensen die in huis een vogel in een kooitje hebben worden door hem dus geen leven in de hel in het vooruitzicht gesteld.

De nachtegaal als natuurvogel
De wetenschappelijke naam van ‘onze’ nachtegaal is Luscinia megarhynchos. Het zijn kritische vogels. Ze stellen nogal wat eisen aan hun  biotoop. Ze houden van behaaglijke temperaturen. Hierdoor ligt de noordelijke grens van hun leefgebied in Europa van Zuid Denemarken tot de Bulgaarse Zwarte Zeekust. Het gebied ten noorden van deze lijn is het domein van de noordse nachtegaal. Die qua zang duidelijk van de ‘onze’ afwijkt.

Ook in de keuze van hun broedgebied zijn ‘onze’ nachtegalen selectief. Veranderingen in de leefgebieden waar ze in het verleden veelvuldig voorkwamen hebben er toe geleid dat ze in Nederland tegenwoordig eigenlijk alleen nog in de duingebieden aan de kust in grote aantallen voorkomen.  Hier vinden ze in overvloedige mate het door hen zo gewenste struweel met dichte ondergroei, die henzelf en hun nest bescherming bieden. In duingebieden waar door menselijk ingrijpen of overbegrazing door damherten het areaal struweel en/of de ondergroei is verminderd, zoals in de  Amsterdamse waterleidingduinen, zien we ook een terugloop van de nachtegaalpopulatie. Duingebieden waar  het struweel (nog?) volop aanwezig is en kruiden- en insectenrijke natte duinvalleien weer in ere zijn hersteld, zoals tussen Katwijk en Den Haag, voelt de nachtegaal zich volop in z’n element gedurende de korte tijd dat hij in Nederland te gast is.

Het verblijf van de Luscinia megarhynchos in Nederland is slechts van korte duur. In de eerste helft van april verschijnen de eerste mannen om een territorium te bepalen en met hun zang één van de één tot twee weken later arriverende wijfjes te versieren.  Wijfjes hoppen van territorium naar territorium en kiezen mannetjes uit op hun zang. Mannetjes die ’s nachts zingen en in hun lied de langgerekte fluiten overvloedig verwerken hebben nog geen wijfje weten te strikken. De meeste Nederlandse nachtegalen leggen in de eerste helft van mei drie-zeven eieren. Na dertien dagen broeden komen de eieren uit. De, doorgaans, drie à vier jongen verlaten al na elf dagen het nest, vijf dagen later zijn ze in staat om te vliegen. De jongen worden twee tot drie weken na het verlaten van het nest gevoerd, daarna moeten ze voor zichzelf zorgen. Een derde van de in Nederland geboren nachtegalen overleeft deze eerste levensfase niet en valt o.a. ten prooi aan gaaien, eekhoorns, enz.  De eerste  mannetjes vertrekken al weer in juli richting het zuiden. Uiteindelijk vinden alle nachtegalen, die al dan niet met succes naar Nederland zijn gekomen om te broeden, in Afrika, in de gordel van Senegal tot Noord Zaïre, een winterverblijf. Over een heel kalenderjaar bekeken is een nachtgaal maar 3-5 maanden in Nederland. De intensiteit waarin zijn zang te horen is bereikt een hoogtepunt gedurende de periode dat de mannen op zoek zijn naar wijfjes, dus vanaf medio april tot medio mei, daarna verstomt hun zang steeds meer.

Dick de Vos begint zijn boekje met een lofzang op het luisteren naar zingende nachtegalen, maar eigenlijk kunnen we dus elk jaar maar een uiterst beperkte periode volop de geneugten van de nachtegaalzang ervaren. Wanneer we kanaries het nachtegaallied willen bijbrengen met een nachtegaal als voorzanger dan is dat dus gemakkelijker gezegd dan gedaan. In een ander verband wil ik op dit onderwerp graag nog eens terugkomen.


Zingende nachtegaal

De nachtegaal als symbool
De Nederlandse 17e eeuwse schilderkunst onderscheidt zich vanwege de talloze zogenaamde genrestukken. Individuen en gezelschappen worden zo realistisch weergegeven alsof een fotograaf de mensen in hun dagelijkse bezigheden heeft betrapt. Schijnt bedriegt, want zo onschuldig en alledaags zijn de afgebeelde taferelen vaak niet. Het interieur van het vertrek is door de schilder welbewust samengesteld en de personen doelbewust geschilderd in de vertoonde houding en uitmonstering.  Het schilderij is niet geschilderd om de alledaagse werkelijkheid ‘fotografisch’ weer te geven, maar ‘tot lering en vermaak’, een boodschap die vaak moralistisch van aard is. Uit de literatuur, al of niet voorzien van bijpassende prenten,  is voor ons nog vaak te achterhalen welke (bij)betekenissen de afgebeelde personen en voorwerpen hebben. Voor de 17e eeuwer was de boodschap in de regel duidelijk herkenbaar. Vogels op 17e eeuwse schilderijen verwijzen doorgaans naar de liefde en erotiek. Jagers jagen zelden op in de vrije natuur levend wild, maar zijn duidelijk uit op ander vlees. Een, op het eerste gezicht, realistisch en harmonieus tafereel van een jager die een vrouw een door hem geschoten fazant aanbiedt was voor de 17e eeuwer een nauwelijks verholen waarschuwing tegen een te losbandig leven.6 

Nachtegalen onderscheiden zich van de overige zangvogels door hun nachtelijk gezang. Nachtegalen zijn dus actief in het duister en worden dan ook in verband gebracht met handelingen die het daglicht niet kunnen velen, zoals buitenechtelijke relaties, amoureuze contacten tussen personen die vanwege sociale omstandigheden elkaar niet mogen ontmoeten, enz. De nachtegaal als symbool voor liefdesverlangen in onmogelijke situaties, al dan niet met fatale afloop, vinden we al in de Griekse mythologie en keert bij herhaling terug in de Westerse literatuur, zoals in het bekende ‘Romeo en Julia’ van William Shakespeare.  Dick de Vos neemt ons in zijn ‘Ode aan de nachtegaal’ mee op een literaire tocht vanaf de oude Grieken, door de eeuwen heen, met tal van voorbeelden waarin de nachtegaal symbool staat voor een bepaalde gebeurtenis of handeling, vaak verbonden met seksualiteit, liefdesverlangen en liefdesleed. 

Waar in heel veel literaire werken de nachtegaal en zijn zang worden geassocieerd met seksualiteit beschouwden Christelijke schrijvers het als hun taak om tegenover de ‘volkse’, schunnige en losbandige, bijbedoelingen van de nachtegaal en zijn zang een verheven tegengeluid te laten klinken.  Het beeld van de nachtegaal die dag en nacht het hoogste lied zingt ter ere van God valt al te lezen bij kerkvaders in de 4e eeuw. In de middeleeuwen bereikt de sacrale symboliek betreffende de nachtegaal haar hoogtepunt. De nachtegaal wordt dan symbool van de ziel die snakt naar de Verlosser en later zelfs van de lijdende Christus in hoogsteigen persoon.
Ook in onze tijd gebruiken we de nachtegaal en zijn zang in een symbolische betekenis, maar dan wordt die veelal geassocieerd met een welluidend zingende vrouwen- of mannenstem.


Label van een langspeelplaat waarop een strijkorkestje ‘Hawaiian Memories’ speelt en hun uitvoering wordt vermengd met kanariezang van Karl Reich’s nachtegaalzangers. Toen ik het op mijn computer afspeelde ging  de waterslager in mijn woonkamer volledig uit z’n dak.7

De nachtegaal als inspiratiebron voor musici
Het is niet verrassend dat de zang van de nachtegaal tal van musici in heden en verleden heeft geïnspireerd. In  ‘Ode aan de nachtegaal’ worden in een bijlage 131 composities  opgesomd waarin de nachtegaal op een of andere wijze een rol speelt, en er zijn er meer.

Sommige musici  hebben zich in hun compositie of bijbehorende tekst door de nachtegaalzang laten inspireren, anderen pogen de zang van de nachtegaal instrumentaal na te bootsen. De ultieme integratie tussen nachtegaalzang en muzikale compositie werd mogelijk toen men in staat was geluidsopnames te maken. Natuurlijke nachtegaalzang werd verweven in de orkestrale weergave van het muziekstuk, zowel live als op de grammofoonplaat. Een probleem was echter dat nachtegalen niet op commando zingen. Daarom werd in de jaren ’20 en ‘30 veelvuldig gebruik gemaakt van geluidsopnames van als nachtegalen zingende kanaries. De kanaries die hiervoor bij uitstek geschikt waren behoorden toe aan de te Bremen woonachtige Karl Reich.

Vanaf 1911 had Reich een stam zangkanaries opgebouwd met als kweekdoel ze als nachtegalen te laten zingen. Zijn resultaten maakten hem vermaard in binnen- en buitenland. Je hoeft echter geen volleerd vogelgeluidenkenner te zijn om het verschil tussen echte nachtegalen en Reich’s nachtegaalzangers te horen. Reich’s nachtegaalzangers zijn en blijven kanaries, maar voor waterslagerkwekers is het wellicht wel aardig om in het lied van Reich’s kanaries overeenkomsten met de waterslagerzang te ontdekken.8

Overigens vormt Reich’s experiment de basis van de opvatting dat gecultiveerde kanariezang erfelijk is. Voor de eveneens te Bremen woonachtige Hans Duncker was het vogelverblijf van Karl Reich de proeftuin voor zijn artikelen  over kanariezang en genetica. Duncker’s these ligt ten grondslag aan publicaties over de erfelijkheid van kanariezang van o.m. Martin Weijling en, in diens voetspoor, Paul Kwast. Het is een intrigerend onderwerp waarop ik in een ander verband nog eens uitgebreid wil ingaan.

Natuurbeleving als medicijn
Na het hele boek zich te hebben gefocust op de nachtegaal, zijn zang en de plaats van beide in kunst en cultuur plaatst auteur Dick de Vos in het laatste hoofdstuk van ‘Ode aan de nachtegaal’ de vogelzang in een breder perspectief: natuurbeleving en vogelzang hebben een uiterst positieve werking op het algeheel welbevinden van de mens . De Vos ziet de natuur als een alomvattend systeem waarin de mens participeert. Als deelnemer in dit alomvattende systeem dient de natuur door de mens gerespecteerd te worden. Dick de Vos laat in zijn boek zich niet alleen kennen als een erudiet, maar ook als een geëngageerd natuurliefhebber. Vanuit zijn engagement met voornoemde visie op de natuur was hij in Leiden o.m. acht jaren gemeenteraadslid voor de Partij voor de Dieren.

De relatie tussen vogelzang en menselijk welbevinden beschrijft Dick de Vos aan de hand van enkele, meest recente, wetenschappelijke onderzoeken. Een aantal tekstfragmenten ter illustratie: ‘Vogelzang heeft grote positieve effecten op de geest van mensen’; (…) ‘Mensen luisteren graag naar vogels. We voelen ons er prettig bij’; (…) ‘Ze ontdekte dat sommige vogelgeluiden vermoeidheid en stress verminderden’; (…) ‘Het niveau van mentaal herstel hangt dus af van het soort geluid dat een vogel maakt. Zangvogels scoorden het hoogst: zij werden als muzikaal en aangenaam ervaren. Mensen luisteren graag naar vogelgeluiden die (…) een niveau van complexiteit hebben, zoals een melodie ’;  (…) ‘Luisteren naar vogelzang werkt juist andersom: het is ontspannend en bevordert daardoor ons algeheel welbevinden.’; (...) Kortom, contact met de natuur vermindert stress en werkt genezend, letterlijk;  (…) Mensen (zijn) het gelukkigst als ze dagelijks meerdere vogelsoorten kunnen ervaren in hun natuurlijke omgeving: groengebieden en water. Biodiversiteit aan vogels, bleek voor het geluksgevoel zelfs net zo belangrijk als inkomen’.


Een zogenaamde ‘film still’ uit de minidocumentaire ‘De beesten de baas’ uit 1995, waarin o.m. Wim Schimmel vol emotie spreekt over de schoonheid van het harzerlied.

Aan bovenstaande wil ik geen tittel of jota afdoen, integendeel, maar er is meer. De Vos had naast bovenstaande citaten ook aan talloze andere wetenschappelijke onderzoeken kunnen refereren waarin het hebben van huisdieren een positieve invloed uitoefent op de levenskwaliteit van de mens. Ook de zang van vogels die in gevangenschap worden gehouden kan op de mens een heilzame werking hebben. Als ik Dick de Vos persoonlijk had gekend had ik hem ter onderbouwing van bovenstaande graag de volgende tip meegeven: ‘Probeer eens de uitzending van het NCRV programma ‘De beesten de baas’ uit 1995 op de kop te tikken waarin  Jan Fillekers op bezoek gaat bij een Rotterdamse zangkanarievereniging, en luister met een onbevooroordeeld oor goed naar wat er wordt gezegd’  In desbetreffende aflevering, waarin harzerkwekers aan het woord komen over het kweken van zangkanaries en hun gevoelens uiten over de kanariezang,  worden alle bovenstaande citaten ontrokken aan hun wetenschappelijke context en krijgen ze een concrete en emotionele lading. Mannen van middelbare en iets oudere leeftijd, sommige weduwnaar, spreken over hoe de zang van hun harzer zangkanaries hen niet alleen kan ontroeren, maar ook vertroosting geeft in moeilijke levensfases. Zo werkt het dus ook in de praktijk, wellicht niet achter de voordeuren in de Amsterdamse grachtengordel, maar wel achter die van gewone, doorsnee, mensen.

Jammer dat Dick de Vos in zijn boekje geen enkel woord besteedt aan het heilzame effect van vogelzang van, bijvoorbeeld,  een huiskamerzanger voor mensen die niet (meer) in staat zijn de natuur in te gaan; voor de zangkanariekweker die het jaar rond in zijn vogelverblijf mentale rust vindt bij zijn zangkanaries. Het kanariepietje in de woonkamer, het houden en kweken van zangkanaries, etc.  kunnen voor de aan huis gebondenen, sociaal minder actieve mensen, de mensen met een stressvolle baan, enz. dezelfde heilzame werking hebben als voor de mensen die de natuur in trekken om daar naar vogelzang te luisteren. Zij hebben de natuur in huis gehaald. Aan de ander kant snap ik Dick de Vos ook wel. Dat het houden van een kanariepietje in een kooitje een heilzame werking kan hebben op het welbevinden van de eigenaar is vloeken in de Partij-voor-de Dieren-kerk.  Daar preekt de dominee dus ook niet over.

Toch ben ik blij dat Dick de Vos dit onderwerp in ‘Ode aan de nachtegaal’ aansnijdt. Hij bekijkt de relatie tussen mens en natuur en het heilzame effect dat vogelzang kan hebben weliswaar vanuit de Partij-voor-de Dieren-tunnel,  maar ook voor degenen die een wat wijdere blik op de relatie dier-mens prefereren is zijn betoog eens te meer een aanbeveling om je in het leven te omringen met vogelzang.

Iedere keer weer verbaas ik me over het zangrepertoire van mijn waterslagers. Ze staan te boek als ‘nachtegaalzangers’ en luisterend naar de variatie in het lied van de nachtegaal snap je ook waarom. Dick de Vos refereert aan een onderzoek waaruit blijkt dat hoe gevarieerder de vogelzang, des te groter de helende werking.  Houden en kweken van zangkanaries is daarom niet alleen een uiterst aangenaam tijdverdrijf, maar daarenboven ook nog heilzaam, wetenschappelijk aangetoond, met dank aan Dick de Vos.

Slot
In bovenstaande heb ik gepoogd een inkijkje te geven in een bijzonder boekje over de nachtegaal. Uiteraard heb ik me moeten beperken tot enkele ‘krenten uit de pap’. Met ‘Ode aan de nachtegaal’ heeft Dick de Vos een letterlijk en figuurlijk veekleurig boekje geschreven. De nachtegaal komt niet alleen aan bod als vogel in de vrije natuur,  maar ook zijn plaats in de kunst en cultuur komt uitgebreid aan de orde. Met name dit laatste aspect maakt ‘Ode aan de nachtegaal’ tot veel meer dan een ‘vogelboek’.  Wie wat meer wilt weten over de nachtegaal als natuurvogel kan in heel veel boeken en ook op internet terecht; wie ook kennis wilt nemen van het scala aan verwijzingen naar de nachtegaal in kunst en cultuur kan eigenlijk niet om het boekje van Dick de Vos heen.

Noten
1. Meijdendel is een tot de gemeente Wassenaar behorend duingebied ten noorden van Den Haag.
2. Vos, Dick de, Ode aan de nachtegaal, portret van een onsterfelijke zanger, p. 7. KNNV Uitgeverij, Zeist, 2021.
3. Plokker, Jaap, Nachtegalen luisteren in Meijdendel. In: Contactblad Speciaalclub NZHU, jrg. 2019, nr. 2, pp. 3-8.  
4. Buiter, Rob, De onsterfelijke nachtegalen. Boekbespreking van het door Dick de Vos geschreven ‘Ode aan de nachtgaal’ in dagblad Trouw van zaterdag 5 juni 2021.
5. Ode aan de nachtegaal, pp. 165-166 en even ‘Googelen’ op ‘Dick de Vos  vogels’.
6. Jongh, E. de, Erotica in vogelperspectief. De dubbelzinnigheid van een reeks zeventiende-eeuwse genrevoorstellingen. In: E. de Jongh, Kwesties van betekenis. Thema en motief in de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw. Leiden, 1995, pp. 21-58, 245-254. https://www.dbnl.org/tekst/jong076erot01_01/jong076erot01_01_0001.php  
7. De uitvoering van het strijkorkestje met de kanaries van Karl Reich als achtergrondkoor  is op YouTube te beluisteren:
https://www.youtube.com/watch?v=j9PboD3Q6h8 
8. Op onderstaande website vind je, scrollend naar beneden, de link naar de geluidsopname van de nachtegaalzangers van Karl Reich. De geluidsopname  is beveiligd en dus niet afzonderlijk op te slaan. https://www.trouw.nl/duurzaamheid-natuur/natuurliefhebber-dick-de-vos-schreef-een-ode-aan-de-nachtegaal-hun-volume-is-ongekend~b1741150/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

 

De afbeelding van de nachtegaal op blz. 13 is niet afkomstig uit het boek van Dick de Vos, maar vanaf Internet geplukt.

 
Een vogel in een kooitje; voor de fundamentalistische aanhangers van de Partij voor de Dieren een gruwel. Ze zijn er niet gevoelig voor dat de kanariepiet in een kooitje in de huiskamer een uiterst positieve bijdrage kan leveren aan het algeheel welbevinden van de eigenaar. Dat het geestelijk welzijn van de mens prioriteit heeft boven het dierenwelzijn komt in hun ideologie niet voor. Alhoewel,  als de huiskamerzanger in het kooitje zich zo onbehaaglijk  zou voelen zou hij niet zingen, toch?

-0-

Naar de geboortegrond van de Harzer zangkanarie

door Jaap Plokker

Onder de titel ‘Een regenachtige dag in de Harz’ verscheen in ons clubblad van september 2010 een door Jaap Plokker geschreven artikel over zijn bezoek aan het Harzer-Roller-Museum in Sankt Andreasberg in augustus 2009. Afgelopen zomer, twaalf jaar later, was Jaap opnieuw in de Harz regio en wederom werd een bezoek gebracht aan het ‘Kanarienmuseum’.

Van 16 t/m 23 september 2021 hebben m’n twee broers en ik een weekje doorgebracht in de Harz regio, in centraal Duitsland, in het grensgebied van het voormalige West- en Oost Duitsland. Vanuit ons vakantieappartement in Silstedt,  op ca. 2 km van Wernigerode, hebben we vijf dagen het Harz-gebergte en de uitlopers daarvan doorkruist. Het is allerminst mijn bedoeling om ons clubblad te laten fungeren als een VVV brochure met toeristische tips voor toeristische trips, maar de Harz is een bezoek meer dan waard;  voor de liefhebbers van natuur, cultuur en historie heeft de regio veel interessants te bieden, en zeker ook voor zangkanariekwekers.

 
De als gevolg van de vraatzucht van de larven van de schorskever massaal afgestorven fijnsparren geven grote delen van de centrale Harz een naargeestige aanblik
.

Natuur en cultuur
In augustus 2009 en 2010 was ik al eerder in de Harz, maar toen om met mijn broer en diens schaatsmaat een lang weekend daar te fietsen. Wat mij van die korte vakanties o.m. is bijgebleven zijn de eindeloos dichte naaldbossen waar we doorheen fietsten en de schaarse punten waarop we van mooie vergezichten konden genieten. Dat beeld behoeft sinds afgelopen zomer voor mij de nodige correctie en ik zal niet de enige zijn. Oorzaak is de schorskever. Dit insect van een formaat  dat niet groter is dan de kop van een lucifer boort zich een weg door de buitenkant van een naaldboom naar het zachte weefsel daaronder. Daar legt het eitjes. De larven vreten zich een weg door de stam van de boom waardoor de water- en voedseltoevoer zodanig wordt onderbroken dat de boom uitdroogt en sterft. Duizenden hectaren fijnsparrenbos in de Harz zijn inmiddels afgestorven. De arealen aangetaste bomen zijn vanwege het ontbreken van het sparrengroen als grijze vlekken in het landschap zichtbaar, talloze bomen zijn geveld en afgevoerd of staan als kale, toploze skeletten in een troosteloos en bizar landschap. Het gebied in de wijde omtrek rond de hoogste berg van de Harz, de Brocken, is het zwaarst getroffen.  Het imago van de Harz met zijn dichte naaldbossen gaat voor dit gedeelte niet meer op en zal  waarschijnlijk ook niet meer terugkeren. Zaailingen krijgen nu een kans en er worden ook veel nieuwe bomen aangeplant, vooral loofbomen, maar wanneer zijn die volgroeid? Aan voetbalfilosoof Johan Cruijff wordt wel de uitspraak toegekend: ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’. Doordat het landschap van de Harz in sommige streken veel opener is geworden valt er ook veel meer van fraaie uitzichten te genieten dan voorheen.

Het dal van de Bode, met ook veel loofhout, is (nog) niet overal door de schorskever ontdekt en we maakten vanuit Thale een schitterende wandeling langs het riviertje door en boven de kloof die de Bode daar in het gebergte heeft uitgesleten. Wie dan toch in de buurt van Thale is moet zeker een bezoek-je brengen aan de Hexentanzplatz met schitterende uitzichten over de kloof van de Bode en mag zeker ook de Teufelsmauer niet overslaan. Als een 20 kilometer lang lint ligt deze natuurlijke muur van Blankenburg tot Ballenstedt in het landschap, op sommige plaatsen nauwelijks zichtbaar op andere plekken prominent aanwezig met grillige formatievormen. Wij bezochten het gedeelte tussen Thale en Weddersleben, wat toch wel beschouwd wordt als een van de  meest spectaculaire gedeelten van de Teufelsmauer. Ondanks, en in een zeker opzicht ook dankzij de schorskever valt er nog heel veel van natuurschoon in de Harz te genieten.  

Ook in visueel cultureel opzicht heeft de Harzregio veel moois te bieden. Met name in de uitlopers van het gebergte aan de noord- en zuidzijde tref je een aantal plaatsen waarvan de ‘Altstadt’ gedomineerd wordt door vakwerkhuizen. Houd je er van om in het centrum van dergelijke oude stadjes rond te dwalen dan heb ik nog wel wat tips. Het is moeilijk kiezen, maar mijn top vijf  bestaat uit: 1e Goslar, 2e Quedlinburg, 3e Stolberg, 4e Wernigerode, 5e Duderstadt. Maar laat je door mij niet in de war brengen: ze zijn alle vijf een bezoek meer dan waard. 

 
Het door een kasteel gedomineerde, bescheiden, Stolberg bestaat maar uit enkele straatjes, maar die zijn dan ook van een wonderbaarlijke schoonheid.

Een veelzijdige geschiedenis met ook zwarte bladzijden
De Harz kent een veelzijdige geschiedenis, die vooral gedomineerd wordt door de mijnbouw. Sinds de prehistorie, maar met name vanaf de middeleeuwen tot aan de jaren ’90 van de vorige eeuw werd er in dit gebied zilver, koper, lood en zink gedolven en menig plaatsje in het gebergte dankt zijn ontstaan aan de mijnbouw. Wie meer wilt weten over de geschiedenis van de mijnbouw in de Harz kan op meerdere plaatsen terecht. Corona maakt het er niet gemakkelijker op om mijnen in te gaan. Bezoeken onder leiding van een gids aan oude mijnen moeten vooraf worden gereserveerd en de groepsgrootte is beperkt. Wij hebben er voor gekozen om het bij vluchtige bezoekjes te houden en zo hebben we het indrukwekkende complex van de zilver-, lood- en zinkmijn ‘Ranmelsberg’ bij Wernigerode van afstand bekeken. Ook het bezoek aan het schachtgebouw van Grube Samson in Sankt Andreasberg was niet om ons te laten infomeren over de geschiedenis van deze oude zilvermijn. Maar daarover later meer.

In de Harzregio word je ook geconfronteerd met de duistere kanten van de Duitse geschiedenis. We bezochten twee voormalige concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog. De gevangen van het KZ Langestein-Zwieberge hebben in een jaar ruim 13 km tunnels gegraven in de Thekeberge ten zuiden van Halberstadt. De bedoeling was om in de tunnels de fabricage van vliegtuigonderdelen onder te brengen, maar de gegraven tunnels zijn nooit in gebruik genomen. Het regime in KZ Langestein-Zwieberge behoorde tot het slechtste wat de SS in petto had. Duizenden hebben de ontberingen in dit kleine en onbekende concentratiekamp niet overleefd, ook Nederlanders.

Beter bekend is het KZ Mittelbau-Dora bij Nordhausen. In het bij dit kamp behorende tunnelcomplex werden de beruchte V1 en V2’s in elkaar gezet. Vanwege de corona pandemie was ook hier de tunnel voor bezoek gesloten.

Als alternatief nam de gids ons mee naar het crematorium van het kamp. Van beide kampen is overigens niet veel meer over. De houten barakken waren na de oorlog gewild als bedrijfspand op een industrieterrein. Meestal moeten informatieborden aangeven wat er op desbetreffende plaats stond en wat er heeft plaatsgevonden. Lopend over het terrein van de voormalige concentratiekampen die ik tot dusver heb bezocht heerst er een vredige rust van natuur en zingende vogels. Waar tijdens WO II barakken stonden staan nu vaak bomen. Het is daarom nauwelijks voor te stellen welke gruwelijkheden op die plek hebben plaatsgevonden. Maar rondlopend, met in je hoofd de beeldvorming die je in de verhalen van de gidsen hebt meegekregen, blijft een bezoek aan een voormalig concentratiekamp voor mij iedere keer weer een indrukwekkende ervaring. Het siert de Duitsers dat zij de allerzwartste bladzijden uit hun geschiedenis niet proberen weg te moffelen, integendeel. In beide kampen staat een documentatiecentrum met een indrukwekkende tentoonstelling en zijn er medewerkers, al dan niet vrijwilligers, die je gevraagd en ongevraagd van alles willen vertellen en er niet voor schromen de meest delicate kwesties  aan te snijden. Alles is gratis toegankelijk, ook de rondleiding met een gids. Het verdient respect om als Duitser Nederlanders te woord te staan en te vertellen wat een vorige generatie landgenoten ook Nederlanders heeft aangedaan. Wij, Nederlanders, kunnen van de Duitsers nog wel wat leren over hoe je met de zwarte bladzijden uit je eigen geschiedenis ook om kan gaan…..       

 
Sankt Andreasberg, het schachtgebouw van de zilvermijn Grube Samson. Op de begane grond de met een metalen deksel afgesloten mijnschacht; op de eerste en tweede verdieping het Harzer-Roller-Museum

Naar de wortels van de harzer …. en ook die van de waterslager?
Van een geheel andere orde is dat we de wortels van onze harzer zangkanarie ook in deze regio moeten zoeken. Afgaande op het assortiment vogels dat ambulante vogelhandelaren in de Republiek te koop aanbood moeten we de opkomst van een commerciële kanarieteelt in Saksen dateren in de tweede helft van de 18e eeuw. Voor 1760 visiteerden ambulante vogelverkopers uit Saksen ook al de Republiek, maar toen verkochten zij met name wildzang en wijsjes zingende goudvinken. De handelaren waren vooral afkomstig uit de steden om het Harzgebergte, zoals Halle en Braunschweig, maar het is heel goed mogelijk dat de bergbewoners voor hen de belangrijkste leveranciers van vogels waren. Vanaf 1760 werden door hen ook kanaries te koop aangeboden, vooral kanaries die de ‘Nachtegaalslag’ zongen. Aanvankelijk werden deze kanaries in de Republiek ‘Hallische kanaries’ genoemd. In de 19e eeuw verschenen er in onze streken ook kanariehandelaren uit de bergdorpen zoals Sankt Andreasberg. De naam ‘Hallische kanaries’ heeft dan plaatsgemaakt voor ‘Saksische kanaries’.

Naarmate de kanarieteelt in de Harzregio steeds commerciëler werd ontstond er ook een scala aan zangrichtingen, voortkomende uit de aloude nachtegaalzangers. In een advertentie in de Antwerpse krant ‘Het Handelsblad’ van 27 mei 1873 bood de uit Dresden afkomstige ambulante vogelhandelaar J. Zuckerkandel maar liefst ‘acht soorten Saksische kanarievogels’ aan. De in de advertentie met name genoemde zangkanarievarianten zijn: ‘Rolders, Waterslagers en verscheidenen met de stem van den Weener nachtegaal’. Het is dus heel aannemelijk dat de aanduiding ‘waterslager’ in Vlaanderen is ontstaan voor uit Saksen afkomstige kanaries met nachtegaalslag.

Wilhelm Trute uit Sankt Andreasberg kweekte ook zangkanaries, aanvankelijk nachtegaalzangers. Hij wist, zoals vele andere kwekers, zijn vogels op den duur van andere zangkanaries te laten onderscheiden door een eigen klank. Met anderen staat Wilhelm Trute aan de basis van de zangrichtingen die uiteindelijk  zouden samenkomen in de harzer edelroller.

In Sankt Andreasberg wordt hun plaatsgenoot Wilhem Trute beschouwd als de grondlegger van de harzer zangkanarie. Volgens mij is in werkelijkheid het ontstaan van het harzer zangkanarieras niet zo monocausaal, maar veel complexer. Ik wil de betekenis van Trute zeker niet ontkennen, maar ook niet overschatten. Hij is een belangrijke kweker in een periode waarin heel veel kwekers op zoek zijn naar een zangkanarie waarvan het lied afwijkt van die van de oude nachtegaalzanger en zij richten zich op een voordracht die meer rollend en beschaafder gezongen wordt, de edelroller. Wilhelm Trute heeft in dit proces ongetwijfeld een toonaangevende rol gespeeld.

De herinnering aan Wilhelm Trute, het commerciële belang van de kanarieteelt voor een plaatsje als Sankt Andreasberg en het verband tussen Sankt Andreasberg en de harzer zangkanarie worden o.m. levend gehouden in het Harzer-Roller-Museum in Sankt Andreasberg; bij mijn weten het enige museum in de wereld dat geheel aan de  zangkanarieteelt is gewijd.   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Als je in Sankt Andreasberg toch bij het ‘Trute Denkmal’ bent, moet er ook maar een foto gemaakt worden.

Sankt Andreasberg
Tijdens mijn eerste fietsweekend in de Harz in augustus 2009 bezocht ik het kanariemuseum in Sankt Andreasberg voor het eerst. Ik vond het leuk, sommige afdelingen waren alleraardigst, maar over de hele linie was het toch vooral een verzameling van kooitjes gelardeerd met een overvloed aan prijzen en bokalen. Kortom, niet een museum om nog eens voor een tweede keer te bezoeken. Mijn broer Jan dacht er precies hetzelfde over, maar René, mijn jongste broer, die bij mijn afwezigheid mijn vogels verzorgt, wilde  het kanariemuseum wel eens van binnen bekijken. Het Harzer-Roller Museum is in Sankt Andreasberg ondergebracht in het complex van de oude zilvermijn Grube Samson, in het voormalige schachtgebouw, om precies te zijn. Op het gebied van de mijnbouw is op het complex nog van alles te zien. Vanwege corona is het bezoek gekoppeld aan een rondleiding met een gids en moet er vooraf voor een bepaalde tijd gereserveerd worden. Dus heb ik er toch ook maar een mailtje aan gewaagd om het bezoek aan het kanariemuseum te reserveren, met een tijdslot. Dit was helemaal niet nodig. We konden komen wanneer we wilden.

Op maandag 20 september 2021 reden we richting Sankt Andreasberg. Als we toch die kant uitgingen dan maakten we er ook een complete bedevaart van. Wanneer je over de Clausthalerstrasse het dorp binnenrijdt ontwaar je aan linkerkant van de weg een enorm inzetkooitje. Het is een monument ter ere van Wilhelm Trute. Uiteraard werd de auto geparkeerd en diverse foto’s genomen. Op ca. 300 meter van het Trute monument, in de Schützestrasse, staat op nr. 40 het huis waar Trute heeft gewoond. Een groot bord in de tuin herinnert de kanarietoerist aan dit feit. Op korte afstand van het voormalige woonhuis van Trute, waar de Schulstrasse uitkomt in de Schützestrasse, is een  toegangshek naar de begraafplaats van Sankt Andreasberg. Hier ligt Wilhelm Trute begraven. Op zijn grafsteen, in de vorm van een ruw uitgehouwen rotsblok, staat een zilverkleurige kanarie zoals die ook menige ereprijs siert. Tegen het rotsblok is een plaquette bevestigd die herinnert aan Wilhelm Trute (1836-1889), de ‘Kanarienvogelzüchter’.  

Na deze herinneringen aan Wilhelm Trute in het dorp Sankt Andreasberg te hebben bezocht werd het tijd om naar het museum te gaan. Bij aankomst bij het schachtgebouw van Grube Samson had zich daar al een klein groepje mensen verzameld. Een hekje voor een voordeur maakte men er op attent dat de kaartverkoop 10 minuten voor aanvang van de rondleiding zou beginnen. Het had dus geen zin om aan te bellen, de zaak was op dat moment gesloten. Prompt om tien voor elf verscheen er in de deuropening een manspersoon die een verhaal afstak, dat voor het overgrote deel de coronavoorschriften betrof. Iedereen moest vanaf dat moment een mondmasker op doen en de bewijzen van inenting bij de hand hebben. Zo niet, dan kon men geen deel nemen aan de rondleiding. Vervolgens werd om beurten iemand naar binnen geroepen om voor hem en eventuele metgezellen een kaartje te kopen. Toen ik, wat later de gids bleek te zijn, duidelijk maakte dat ik alleen kwam voor een bezoek aan het kanariemuseum werd de zaak een stuk simpeler. Ik rekende de 3 x €  3,00 = € 9,00 toegangsprijs af, een vaccinatiebewijs was niet nodig en een dochter werd met ons meegestuurd om de deur open te doen en het licht aan te steken. De dochter ging ons voor, drukte op de lichtknopjes, wenste ons een aangenaam bezoek en verdween.


Het voormalige woonhuis van Wilhelm Trute , Schützestrasse nr 40 te Sankt Andreasberg.

Daar stonden we dan, in het Harzer-Roller-Museum, met z’n drieën. Oude herinneringen kwamen weer boven. Tot op heden was er weinig veranderd. Als eerste werden de mondkapjes afgedaan, want die waren volkomen overbodig geworden. Vervolgens zijn we op ons gemak alle ruimtes doorgelopen en hebben van alles wat los en vast zat gefotografeerd.  Met name ook oude, ingelijste, artikelen uit 19e eeuwse kranten en tijdschriften. Wie weet komen ze ooit van pas als informatiebron. Ik betrapte me er op dat ik sinds 2009 veel meer te weten was gekomen over de vroege geschiedenis van de harzer kanarie en daardoor toch weer met andere ogen de tentoongestelde objecten in me opnam. Meer dan twaalf jaar geleden realiseerde ik me de grote economische betekenis die de kanarieteelt decennialang heeft gehad voor de Harzregio in het algemeen en Sankt Andreasberg in het bijzonder. Kanaries kweken was geen hobby, maar in de eerste plaats business. Foto’s en opstellingen in het museum lieten zien hoe, soms in kleine huisjes, kamers tot aan het plafond waren gevuld met kooitjes. Elk plekje dat voor een vogelkooi gebruikt kon worden werd benut. Bio-industrie en ‘legbatterijen’ zijn daar uitgevonden. Om maar te zwijgen over de productie van houten kooitjes in allerlei soorten en maten. Die werden niet alleen in werkplaatsen gefabriceerd, maar ook in huiskamers werd jong en oud aan tafel geposteerd om kanariekooitjes in elkaar te zetten. Voor menig huisgezin in de Harz zorgde de kanarieteelt voor een uiterst welkom neveninkomen.  


Het graf van Wilhelm Trute op de begraafplaats in het centrum van Sankt Andreasberg.

De aandacht die geschonken werd aan het fenomeen dat kanaries werden ingezet als ‘alarminstallatie’ voor mijngas was mij de vorige keer niet opgevallen. Misschien is dit ook wel een van de schaarse wijzigingen die de opstelling in het museum sinds 2009 heeft ondergaan. Ik heb altijd mijn bedenkingen gehad bij dit verhaal. Wie neemt er een kanarie mee in de mijn om bij gevaar dood te gaan, terwijl diezelfde kanarie op de ‘markt’ in de Lage Landen een weeksalaris kan opbrengen? Ik kan me wel een goedkopere vogel voorstellen die ik voor dat doel zou gebruiken. Het blijkt dat men aanvankelijk in de mijnbouw ook geen kanaries heeft gebruikt, maar vinken. De inzet van kanaries dateert van later en die herinnering is blijven hangen, alsof het altijd zo geweest is. Overigens blijken kanaries wel sneller te reageren op koolmonoxide dan menig andere vogelsoort. Van omstreeks 1900 is bekend dat bij verdachte omstandigheden reddingswerkers de mijn ingingen met een kanarie als ‘alarminstallatie’. Het gebruik van vogels in de mijnen heeft echter ook zijn beperkingen. Vogels reageren sneller dan mensen op hoge concentraties koolmonoxide, maar onderzoek heeft uitgewezen dat heel lage concentraties koolmonoxide voor de mens uiteindelijk fataal kunnen zijn, terwijl de kanarie nog het hoogste lied zingt. In plaats van de kanarie als ‘alarminstallatie’ voor de mijnwerker was de mijnwerker dat voor de kanarie.  Dit alles volgens de in het museum verstrekte informatie.

Het is niet mijn bedoeling hier nog eens dunnetjes over te doen wat ik over het museum heb geschreven naar aanleiding van het bezoek in 2009.  Wie kennis wilt nemen van mijn toenmalige indruk van het museum, en dat is sinds het recente bezoek niet veel gewijzigd, kan nog altijd het artikel lezen dat in ons clubblad van september 2010 heeft gestaan. Het staat op de website van de vereniging www.zangkanaries onder ‘Artikelen’ tussen die over de harzers. 

Na toch nog anderhalf uur in het museum te hebben rondgedwaald vonden we het welletjes, deden het licht uit en liepen naar het woonhuis om de dochter te informeren dat we weer verder gingen. Ze vroeg beleefd of we ons vermaakt hadden en dat was zeker het geval.

 
Een van de leukste delen van het kanariemuseum is de keuken van een zangkanariekweker. Hier hangen ook kooien met levende kanaries, die alleen zingen als je niet in de keuken bent.

 

-0- 

Mijn ervaringen bij de kweek van Harzer Roller Kanaries.

door Ernst Schirmer

Ernst Schirmer, te Nörten-Hardenberg en de vertaling is afkomstig van Math Lemmens te Maastricht.  Aan de wens van Jacques wordt uiteraard voldaan. In onderstaande is de aangeleverde tekst inhoudelijk integraal afgedrukt.1

Vooraf nog het volgende: Iedere zangkanariekweker houdt er z’n eigen gewoontes op na, zo ook Ernst Schirmer. Zo verstrekt Schirmer, bijvoorbeeld, gekiemd zaad en is van anderen bekend dat zij dat niet doen. Ernst Schirmer zal ongetwijfeld aangeven dat zijn aanpak tot successen leidt, maar dat zullen andere kwekers, die er een heel andere praktijk op na houden, ook beweren. Met andere woorden, Ernst Schirmer is nogal stellig in de beschrijving van zijn aanpak, maar er zijn meer wegen die naar Rome leiden. Doe jij het anders en ben je daar tevreden over: blijf zo doorgaan. Maar mogelijk biedt het artikel van Ernst Schirmer nieuwe  inzichten waardoor je jouw methode zou kunnen verbeteren.

Kweekvoorbereiding
Elke kweek van vogels begint met de voorbereiding in de winter. Hennen 0.1 (kweekwijfjes) die de winter goed zijn doorgekomen, welke normaal gesproken in de vrije volière gehouden kunnen worden, zijn de beste voorwaarden voor een succesvolle kweek.
Daarom begint ook voor elke beginner de eigenlijke kweek in de herfst met de aankoop van broedvogels. Deze vrouwtjes, die op deze manier goed de winter zijn doorgekomen, worden rond eind februari in de goed voorbereide broedhokken of kweekkooien geplaatst. Op de voorkant van het broedhok of kweekkooi zit een kweekstamkaart. Hierop wordt het kweekproces genoteerd.


Een in het kanariemuseum aanwezige foto van een broedruimte in de eerste decennia van de 20e eeuw. Elk plekje werd benut. Rechts de zangkoffers voor het africhten van de mannen. Geen gordijntje, maar deurtjes.

Als de dieren geringd zijn, wordt eerst het ringnummer van de kweek-hen genoteerd. De ringnummer van de haan 1.0 in de volgende kolom, gevolgd door de dag van het leggen, hoeveel eieren er zijn gelegd, wanneer ondergelegd, gevolgd door het begin van het broeden en het uitkomen van de jongen. Het gedrag van de hen tijdens het broeden is net zo belangrijk als het bouwen van een nest, schrijf alles op! Bij slecht gebouwde nesten door de hennen, kan of moet de fokker het nest een beetje vormen door middel van een niet meer gebruikte gloeilamp. Daarna volgen precieze vermeldingen over de jonge dieren zoals ringnummer en eventuele kenmerken.
Na ca. 14 dagen nestelen kun je aan de verenkam al zien of het jonge hanen (intensief gekleurd) of jonge hennen (niet zo intensief gekleurd) betreft. Ik heb een quotum van 98%, waarbij de intensief gekleurde jonge vogels altijd hanen zijn! Maar vooraf moeten, alle eieren die door de kweekhennen worden gelegd dag na dag worden verzameld en tussendoor heel zorgvuldig worden bewaard. Kleine dozen gevuld met vogelzaad zijn geschikt voor opslag, die natuurlijk ook, net als de broedkooien, genummerd moeten worden. Hier is vermelding van het kooinummer en wanneer de eieren zijn gelegd voldoende. En dagelijkse registratie is erg belangrijk. In plaats van de gelegde eieren, worden nu kunststof- of gipseieren in het nest gelegd. De handel biedt deze aan. Ik gebruik hiervoor een ronde kunststof koffielepel, pas nadat het laatste ei is gelegd worden de echte eieren van de hen weer teruggelegd.

Waarom, zullen velen vragen? Het antwoord is dat onze hennen beginnen vanaf het eerste gelegde ei met broeden. Dus, de jonge vogels komen op vijf verschillende dagen uit het ei. De laatste uit het ei gekomen jong, of zelfs meer worden dan in het nest van de vijf dagen oudere broers en zussen, onderdrukt bij het voeren en zullen snel het onderspit delven.

Dat nu voldoende en veelvuldig gevoerd moet worden, is een goede en eerste succesvolle fase in de kweek. Naast een goede mengvoeder dient nu ook in de vroege ochtend gekiemd zaad vers aangeboden te worden, aangevuld met meerdere keren per dag een ei of opfokvoer verrijkt door de fokker. Eens per week kan een goed vitaminesupplement aan het drinkwater worden toegevoegd.

De jonge vogels worden geringd als ze zelf de uitwerpselen over de rand van het nest brengen. Afhankelijk van het ontwikkelingsstadium is dit tussen de 5e en 7e dag.

Er wordt niet voorgeschreven aan welke poot de kweker de jonge vogel ringt, maar het is een eis, dat dit voor alle jongen eenduidig moet zijn. Als de jongen 16 tot 18 dagen oud zijn, verlaten ze de nesten heel snel. Hier moet de kweker, die de wisselbroed hanteert, weer goed opletten. Tijdig het kweek-mannetje erbij plaatsen, zodat het vrouwtje weer bevlogen kan worden. Bied tijdig voldoende nestmateriaal (scharpie) aan zodat de jongen niet geplukt worden. Eventueel een tweede nest aanbrengen en zo nodig de kweekman met de jongen van de eerste broed in één aparte kooi plaatsen. In de regel nemen goede kweekmannen het voederen van de jongen over en paren het  popje erbij.
Het drinkwater moet dagelijks worden ververst. De drinkbuizen moeten met ronde borstels worden uitgewassen, zodat er geen algen ontstaan. Drinkwater is overal van goede kwaliteit en kan daarom zonder aarzelen worden gegeven.


Een als vogelkamer ingerichte ruimte in het kanariemuseum met broedkooien en achter tegen de muur een echte zangkast, met inzetkooitjes. De zangkast moet met een deur afgesloten  worden.

De hormonen en de stofwisseling van de kanarie zijn sterk aangepast aan de natuurlijke verandering tussen dag en nacht, dus een nachtrust is essentieel.

Dit betekent dat als een vogel in een kooi in de kamer wordt gehouden, deze 's nachts bedekt moet worden met een doek zodat het levensritme behouden blijft en de vogel niet wordt gestoord door licht.

Kanaries worden pas tam als ze door mensenhanden worden grootgebracht. Het voeren van de gespeende jonge vogels moet zorgvuldig worden overwogen. Aangezien de vogels geen tanden of kauwgereedschap hebben, maar het voedsel in de maag eerst wordt verpletterd door in de spiermaag te wrijven met toevoeging van zogenaamde maalstenen, moet gritzand en kalksteen worden toegediend.

Ook de granen van het mengvoer moeten vooraf door de kweker worden gepletterd. Dit kan zowel in de koffiemolen als onder een deegroller. Dit is de enige manier voor de jonge vogels om de binnenkant van de zaden tot zich te nemen. Om het geheel ook gevarieerd te maken, worden groen zoals appels, wortelen, komkommers, courgetteVoor kiemzaad, is het belangrijk, vooral kiemkrachtige raapzaad aan te schaffen. Er zijn behandelde rassen die niet ontkiemen of bederven bij het ontkiemen. Deze meest gebruikelijke methode wordt door veel schrijvers aanbevolen. Daarom heb ik deze voor mezelf gekozen en heb er alleen maar goede ervaringen mee. Hierna wordt de benodigde dagelijkse hoeveelheid kiemzaad in een zeef gedaan, onder een straal water gereinigd en minimaal 6 uur in lauw water gehouden. De kamertemperatuur moet 18 graden zijn. Het kiemmateriaal blijft dan in de kom in de zeef, onder constant spoelen. Na 36 uur zijn de kiemen zichtbaar en mag het aan de vogels gevoerd worden, nadat Propolis is toegevoegd om schimmelvorming te voorkomen. Vrijwel alle soorten hoofdvoer kunnen worden gebruikt voor kieming, alleen lijnzaad is niet geschikt omdat het een kleverige pulp is die niet kan worden gevoerd. Voor onze Harzers is nigerzaad in ongezwavelde toestand het beste, maar erg duur, vandaar dat er door kwekers raapzaad of koolzaad in ongezwavelde toestand als kiemvoer wordt verstrekt. Raapzaad in mengvoeders is gezwaveld omdat het dan het langer houdbaar blijft. Als ik als kweker de raapzaad bij de handelaar inkoop, moet ik op het volgende letten: Het raapzaad moet glanzen en een nootachtige geur of smaak hebben. Een groot voordeel van ontkiemen is, dat ook de koolzaad in gekiemde toestand, door de vogels zeer graag wordt gegeten. Koolzaad is vandaag de dag de helft goedkoper dan raapzaad. Veel lokale boeren bieden dit aan. Raapzaad en koolzaad behoren beide tot dezelfde familie van de kruisbloemige planten. De voorkeur wordt hier altijd aan zomerraapzaad of zomerkoolzaad gegeven. De bitterstoffen van de tannine zijn door rasverbetering bijna niet meer aanwezig. Door het kiemproces worden deze bitterstoffen verder uitgespoeld, als deze nog voor tweederde in het graan aanwezig zijn. Zodoende wordt het dus ook graag gegeten. of paardenbloem, vogelmuur, herderstasje of weegbree geserveerd. Sla eet de Harzer ook, alléén verwerkt hij het water uit de sla. Het eerder gegeven ei- of opfokvoer zal binnenkort moeten worden stopgezet omdat de vogels in kooien snel de neiging hebben om dik of rood te worden. Kiemzaad kan echter altijd worden doorgegeven.

De vinken in het wild eten van de lente tot de herfst een zeer hoog aandeel half-volgroeide zaden. Veel fokkers hebben dit waardevolle voedsel zelden voor hun vogels ter beschikking, omdat er niet genoeg tijd is voor de werkende fokkers omdat ze er alleen in het weekend naar kunnen zoeken. Daarnaast is het verzamelen van onkruid in het wild (onkruidzaden) niet zonder risico vanwege chemische onkruid- en ongediertebestrijding.

De vogels moeten dus niet alleen het droge mengvoer eten, ze kunnen het hele jaar door vers kiemzaad krijgen. Alleen bij temperaturen onder de 5 graden plus is het niet aan te raden!
Veel kanariekwekers geven echter geen kiemzaad, omdat ze slechte ervaringen hebben met kiemmateriaal. De voorbereidende fase van ontkieming is zwelling. Deze twee processen produceren via biologische processen licht verteerbare vormen van koolhydraten en vetten. Dit maakt het graan zacht, rijk aan vitamines en fermentatie en daardoor beter verteerbaar. Voor kweekvogels, die over kiemmateriaal beschikken, is het makkelijker om het voer voor de jonge dieren beter voor te bereiden. Het is daarom ook nuttig voor de nestjongen.

 
In het kanariemuseum in Sankt Andreasberg wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan de export van zangkanaries naar o.m. de Verenigde Staten. In de laatste decennia van de 19e eeuw werden jaarlijks op deze wijze meer dan honderdduizend zangkanaries vanuit Duitsland naar de VS vervoerd.

Kweek en onderbrenging.
Er zijn slechts vier beproefde kweekvormen in de Harzer-kwekerij: Als eerste in volières; Het woord betekent “vliegen” in de Franse taal. Hier bevinden zich de kweekparen , maar voor diegene die tentoonstellingen bezoeken is het niet aan te raden omdat het niet mogelijk is een exact kweekboek bij te houden.

Ten tweede volgt de kweek met een haan 1.0 en maximaal vier hennen 0.1 in een volière.

Ten derde een haan 1.0 met een hen 0.1 in een kweekkooi, ook wel broedpaar genoemd.

De gunstigste en waarschijnlijk de meest gebruikelijke is de zogenaamde wisselbroed. Deze vorm van teelt is bij de meeste kwekers als proef geslaagd en voortgezet. Slechts enkele kwekers, die veel ruimte en tijd hebben, maken gebruik van een paar in een broedkooi. Hier blijven de hen en de haan de hele kweekfase bij elkaar in een compartiment. Tijdens de kweekfase is de hen het dominante dier, terwijl anders de haan domineert. Het paarsgewijs houden is daarom op de lange termijn alleen mogelijk als de dieren constant worden geobserveerd en indien nodig direct kunnen worden gescheiden.

In de wisselbroed verblijft de hen gedurende de gehele kweekperiode van februari tot eind juni in een vaste broedkooi. De haan die volgens het kweekplan voorbestemd is, wordt alleen in het broedkooi geplaatst om te bevliegen of de jongen te voeren.
Bij de paarsgewijze kweekmethode moet de kooi logischerwijs groter zijn. Het geeft een minimumafmeting van  80 x 50 x 50 cm, die strikt moeten worden nageleefd. Dit is alleen het geval om redenen van mobiliteit. Omdat vogels ook spieren hebben die in beweging moeten blijven. Te weinig gebruik maken van de spieren geeft degeneratie, dat wil zeggen: als vogels in te kleine kooien worden gehouden, kunnen ze al snel niet meer goed vliegen omdat hun spieren niet goed zijn ontwikkeld. De dieren verkommeren en blijven voor altijd klein.
Daarnaast ontstaan door krappe huisvesting en eventueel krappe voeding, vetophopingen, vooral in de spieren. Dit belast de bloedsomloop enorm en de vogels zijn niet vitaal en monter.

 
Een kistje waarin bij de handelaar/kweker bestelde kanaries via de post aan de klant werden geleverd. In dit kistje was plaats voor vijf transportkooitjes.

Aanvang van de kweek en de nestbouw
Het natuurlijke broedseizoen begint in maart, rond de 19e, op St. Jozef ( Het geluid van de oude kwekers: Als de kruisbesstruiken groen worden, begint de natuurlijke kweektijd). Maar wees voorzichtig: Alle kweekdieren die nodig zijn voor de kweek zijn klaar om mee te kweken mits ze minimaal 10 maanden oud zijn én gezond én vitaal.

Heel vroeg in het jaar begint de kweker zijn vogels voor te bereiden op deze kweekperiode en ze daarop in te stellen. Het begint met absolute reinheid in de fokkerij zoals een vroegtijdige desinfectie van de betreffende ruimte. Het is voor mij een goed idee geweest om alle kooien uit te wassen met de bekende huishoudreiniger Sagrotan en heet water en daarna alle kooien en zitstokken goed te besproeien met Ardap. Het uitgangspunt  is, dat ik minimaal een week van te voren deze werkzaamheden verricht, en de kweekruimte vervolgens goed laat uitwaaien voordat ik de vogels in de kooien plaats.

De kweekruimte moet helder daglicht hebben of behoort met een goede verlichting uitgerust te zijn. De energiezuinige nieuwe LED buizen zijn hier ideaal voor.

De kamertemperatuur moet dag en nacht continue worden geregeld tussen de 18 en 20 graden. Als je dit niet kan waarmaken, moet je wachten tot april om te beginnen met kweken, hetgeen dan zeker de betere methode is. Ik raad sowieso af om de kweek te vroeg te beginnen: Waarom? Omdat er ten eerste ongeregeldheden zullen komen en ten tweede zal het kweekinstinct zich niet laten stoppen als de zon hoog aan de hemel staat en de dag dus meer dan 12 uur licht heeft en ook nog de temperaturen altijd constant warm zijn. (Dit geldt alleen voor natuurlijk broed.)
Alle hennen moeten voor de start van het kweekseizoen volledig vlezig en een goede conditie uitstralen. Alle vogelpootjes moeten worden schoongemaakt en de nagels moeten vers worden geknipt. Dit is nodig zodat de later gelegde eieren niet beschadigd worden. Er moeten zeer nauwkeurige aantekeningen in een stamboek of register worden gemaakt, zodat ik mijn fokkerij zeer nauwkeurig kan sturen en controleren. Daarom is het noodzakelijk om de vogel te ringen. Alle ringen voor de Harzer-kanaries hebben een diameter van 3,0 mm.2  Zelf heb ik eind februari, alle voor de kweek geplande hennen, in de vooraf voorbereide kweekkooien geplaatst. Aan de voorkant van de kooi, heb ik houten nestkasten opgehangen. Tegenwoordig zijn deze gemaakt van kunststof en zijn ze een stuk makkelijker schoon te maken. Er is ook een ruif voor scharpie dat ook aan de voorkant van de kooi hangt. Allereerst wordt hier het groenvoer aangeboden, later voor de beginnende nestbouw, eerst het mos, dat ik vooraf heb gewassen en gedroogd. Sinds ik het mos gebruik, heb ik geen mijten meer, dus deze kleine parasieten houden niet van mos! Pas als de broedende hennen het mos in de nesten leggen om er vervolgens een ronde holte in te vormen, geef ik natuur-scharpie.
De hennen zijn heel verschillende bouwers. Sommigen bouwen ware kunstwerken, anderen bouwen een nogal rommelig nest, dat de fokker nog moet bijvormen met een gebruikte gloeilamp. Een snel gemaakt, mooi nest kan ook zonder aarzelen worden verwijderd als de buik van het vrouwtje nog niet zo zichtbaar gezwollen is. In de volgende twee dagen moet men rekening houden dat het eerste ei wordt gelegd. De hen zal dan spoedig het nest door een nieuw vervangen. Het eerder verwijderde nest kan worden gebruikt voor de tweede broed of het kan gebruikt worden bij een slecht bouwende hen. Eerst begint het vrouwtje een ronde holte te draaien. Juist nu is het tijd om het gewenste mannetje erbij te laten die volgens het kweekplan bedoeld is. Het is het beste om dit vroeg in de ochtend na zonsopgang te doen.

Als het vrouwtje bereid is om te paren, omdat het mannetje voor haar zingt, is alles in orde. Als het vrouwtje echter achter deze man ​​aanjaagt, moet de haan toch verwijderd worden omdat, zoals gezegd, het vrouwtje nu dominant is en er constant op de haan zal worden gejaagd.


Van eierstok tot cloaca schematisch weergegeven. Deze afbeelding is aan de oorspronkelijke tekst toegevoegd door Matt Lemmens.

1. Eierstok: Folikkers met eigeel.
2. Infundibulum: Opvang van geovuleerde eicel met eigeel.
     Bevruchting! (Verblijfsduur: 15 - 30 min.).).
3. Magnum: Aanmaak en afzetting van eiwit (Duur 2-3 uur).
4. Isthmus: Aanmaak van twee schaalmembranen (Duur 2-3 uur).
5. Uterus of Schaalklier: Aanmaak van de schaal ( Duur 18-26 uur).
6. Vagina: Opslag van sperma maar geen rol in aanmaak van het ei.
7.  Cloaca: Opening.

Anatomie
De vrouwelijke geslachtsklier van de eierstokken is onevenredig ontwikkeld. Bij de hennen wordt meestal alleen de linker eierstok geactiveerd. In ruststand, de inactieve tijd genoemd, meestal in de winter; is de eierstok slechts een kleine, vlakke schepping.

Pas tijdens het broedseizoen in het voorjaar wordt het weer groter en vormt het zogenaamde follikels. Pas als het dooiergehalte toeneemt, komen ze uit de eierstok. Wanneer de follikel rijp is, barst deze open en laat de bolvormige

eidooier vrij in de trechter van de eileider. Alleen hier kan de bevruchting plaatsvinden en beginnen de cellen zich onmiddellijk te delen. Dat betekent, dat de haan van tevoren de hen bevlogen moet hebben. De kweker zal daarom de beoogde haan minimaal een dag van tevoren de hen moeten laten bevliegen om onbevruchte eieren te voorkomen. Plaats voor de zekerheid de haan bij de hen voordat de eisprong plaatsvindt. Het is mogelijk, als een hen éénmaal bevlogen is, dat het gehele legsel bevrucht is. Dit omdat de plooien van het bovenste gedeelte van de eileiders het sperma van de haan lang levensvatbaar kunnen opslaan. Een succesvolle bevruchting herkent de kweker direct wanneer de kweekhaan na het treden, de kop ver naar achteren strekt.

Deze eileidertrechter sluit het eiwitsegment op in de klieren. De klieren scheiden eiwit af, dat de dooier met verschillende lagen omsluiten. De benodigde eiwitbouwstenen (aminozuren) worden vooraf door de oude dieren met het voer opgenomen. De eileider volgt het sterk vernauwde deel, de landengte ook de isthmus genoemd. Hier worden de twee eivliezen aangemaakt, die aan het stompe uiteinde van het ei uit elkaar wijken om zo een luchtkamer vormen. In de eileider wordt de buitenste kalkhoudende schaal op de eivliezen geplaatst. Deze schaal is opgebouwd uit lichaamseigen kalkafzettingen. Het is dus zaak om de hennen op de volgende manier bij te voeren, door ze gekookte eierschalen te geven. Dergelijke afzettingen zijn echter al in de loop van het jaar opgeslagen in de botten van de vogel. Ze worden echter ernstig afgebroken door de verhoogde eierafgifte, dus het is essentieel om calcium en kalksteen te geven.
De dwarsgestreepte spieren van het laatste deel van de eileider, de vagina genaamd, trekken van tijd tot tijd samen, dat zijn de weeën, hetgeen wil zeggen dat de samentrekkingen en door de druk, wordt het ei naar de cloaca gestuwd, en daar wordt het uiteindelijk uitgeperst. Als een hen nog te jong of te zwak is door ziekte, dan zijn de spieren van de eileider niet in staat dit ei, ondanks de weeën, eruit te persen. Dit wordt in kwekerskringen legnood genoemd. Het is terug te voeren op onachtzaamheid van de fokkers. Hier helpen alleen nog warmte en olie. Meestal is dit ei onbevrucht.

Kweekgedrag en voedering
Gezonde hennen leggen in de regel 3 tot 7 groenachtig gespikkelde eieren, waarbij het laatste ei kleiner en minder gespikkeld lijkt. In de regel zijn het 4 tot 5 eieren die dagelijks in de vroege ochtend gelegd worden. De grootte en het aantal eieren zijn altijd in verhouding tot de fokdieren. In de regel wordt

de kweekhaan erbij geplaatst tot het 3e ei is gelegd. De dagelijks gelegde eieren worden voorzichtig uit het nest gehaald en in een voorbereide opbergdoos in een geschikte zachte bodem gelegd. Pas na het vierde of uiterlijk vijfde ei leg ik de eieren gezamenlijk weer onder de hen. Pas nu begint zich door de warmte van de hen een vogel zich te ontwikkelen, dus buiten de moeder om. Na een broedtijd van 13 tot 14 dagen komt er een volledig ontwikkeld jong dier uit. Het gebeurt zo dat dit jonge dier een ronde opening van binnenuit aanpikt en vervolgens de eischaal opent. Meteen staat het hoewel nog naakt, maar kaarslicht in het nest, te bedelen om eten.

Ook als de hen het door de fokker verrijkte opfokvoer niet meteen opeet, geen paniek, want het jonge dier kan zich nog een dag met de aanhangende dooierzak voeden. Daarom mag de fokker nooit de eierschaalhelften van het jonge dier verwijderen. Naast het bevochtigde eivoer helpt kiemzaad heel goed om jonge dieren snel te laten groeien. Groenvoer moet de eerste 8 dagen worden vermeden omdat de jonge vogels de uitwerpselen nog niet over de rand van het nest kunnen deponeren. Daardoor wordt het nest alleen maar onnodig vervuild, wat weer tot ziekten kan leiden.
Na 5 tot 7 dagen nesttijd is ook de tijd van het ringen aangebroken. Hierbij wordt de ring eerst over de drie voorste tenen geschoven, de achterste teen wordt naar achteren tegen het been geplaatst, de ring voorzichtig verder schuiven, de achterste teen wordt weer voorzichtig teruggetrokken uit de ring als de ring bijna over de achterste teen incl. het nageltje heen is geschoven. Het is erg belangrijk om de jonge dieren de eerste dagen goed te controleren. Menige hen beschouwt de ring gewoon als een vreemd voorwerp en willen hem graag verwijderen. Vaak belandt het  op de bodem en hangt er nog een jong aan. Hier zou het onvermijdelijk verhongeren, omdat de ouders alleen de vogels in het nest zien. Kort beademen en terug in het nest leggen. Terug in het nest zal het jonge dier herstellen en zal weer gevoerd worden. De jonge dieren verlaten het nest na ongeveer 16 tot 18 dagen. Hier moet de kweker weer op zijn hoede zijn en de hen ten behoeve van de tweede broed weer van scharpie voorzien, zodat de jongen niet geplukt worden, want de zachte donsveren zijn zeer aantrekkelijk voor de oudervogel.

Er moet ook worden geobserveerd hoe de haan zich nu gedraagt. In de regel zorgt een goede kweekhaan voor het voederen van de jongen uit de eerste broed en paart tegelijkertijd met zijn hen. Vanuit het gevoel denk je altijd dat alles met de volgende broed veel sneller gaat. De waarheid is echter dat alle kweekhennen nu 100% klaar zijn om te gaan broeden en hun eieren met overtuiging gaan leggen.

De jongen dieren worden gedurende de tweede broed, door de haan in een aparte kooi verder gevoed. Na 30 dagen kunnen de jonge vogels zelfstandig eten en apart worden geplaatst.

In de zomer worden de vogels in volières gehouden. Na de rui, hetgeen een volledig natuurlijk proces is, meestal eind augustus, worden de vogels uit gesorteerd. Dit gebeurt het beste als volgt: Zingt of, beter gezegd, studeert een vogel in de volière, dan besproei ik hem met voorverwarmd water uit een bloemenspuit. Deze haan landt vervolgens op de grond en ik kan hem er zo uitnemen. Wat anders is als ik de volière betreedt, omdat dan alle vogels door elkaar gaan vliegen. Deze vogel  doe ik een aanvullende extra kunststof ring om, noteer hem en eerst bij het bevestigen wordt hij als haan geregistreerd. De kunststof ring moet dan weer worden verwijderd.

Omdat de jonge dieren in het eerste jaar alleen hun kleine veren verliezen, verloopt de rui zeer snel en probleemloos. Bij de volwassen dieren moet natuurlijk meer aandacht worden gegeven. Vaak zit een vogel helemaal naakt in een hoek, zonder toegang tot eten en drinken, wat de dood voor hem zou betekenen. De kweker kan het voer en water zo plaatsen dat de vogel er bij kan. De groene komkommer helpt goed tijdens de rui, omdat er zich zeer veel kiezelaarde en zuur in bevindt. Meer glans in mengvoer zorgt ook voor een gladder verenkleed. Rust is nu vooral belangrijk. De Harzer kanarie is sowieso een vriend van de stilte, hij houdt eenvoudig niet van luidruchtige of hectische mensen. Gut Hohl !

Noten
1.  De redactie heeft alleen in de tekstopmaak e.e.a. gewijzigd. De bij het artikel behorende originele foto’s werden niet meegeleverd. De tussen de tekst geplaatste foto’s zijn  door de redactie ingevoegd.
2. In Nederland worden ringen met de maat 3,0 mm niet door de NBvV geleverd. Vroeger gebruikte men voor de zangkanaries standaard 2,9 mm, tegenwoordig zijn de meeste kwekers overgestapt op 3,2 mm, terwijl sommige waterslagerkwekers zelfs 3,5 mm gebruiken.

 

-0-

 

 



TOP