AlgemeenContactblad

 

Algemeen

 

De leden van de Speciaalclub Zang NZHU wonen verspreid over Nederland. Het clubblad is daarom een belangrijk middel om elkaar te informeren en ervaringen uit te wisselen. In het Contactblad vindt men verslagen van de door de Speciaalclub georganiseerde activiteiten en artikelen met betrekking tot het houden en fokken van zangkanaries, i.h.b. harzers, waterslagers en timbrado's.
Uitgangspunt is om drie keer per jaar een editie van het Contactblad uit te geven.

Op deze site is de laatste editie van het Contactblad integraal geplaatst.
Elders op deze site vindt men ook, op onderwerp gerubriceerde, artikelen uit vorige edities van het Contactblad.

De eindredactie en distributie van het Contactblad is in handen van:
Jaap Plokker
Hercules 86
2221 MD Katwijk

TOP

 

 

Laatst verschenen edities Contactblad

Hieronder vindt men de laatst verschenen edities van het clubblad van de Speciaalclub Zang NZHU, februari 2019, 35e jaargang, nr. 1 en oktober 2019, 35e jaargang nr. 2.


 

Contactblad

Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub Zang NZHU is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

Februari 2019, 35e jaargang, nr. 1

Inhoudsopgave            
Voorwoord
Afluisterochtend 24 november 2018
Verslag clubkampioenschappen 2018
Diertjens van een wonderlyk maeksel
Ervaringen met Avimite: deel 1 – Jaap Plokker
Ervaringen met Avimite: deel 2  – Jan Zonderop 
Ervaringen met Avimite: deel 3  - Paul Schilte
Mededelingen

©   Het contactblad van de Speciaalclub Zang NZHU verschijnt drie keer per jaar. De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de artikelen. Overname van artikelen of delen daaruit is toegestaan mits daarbij de naam van de auteur en de bron wordt vermeld.

-0-

 
Voorwoord

door Jaap Plokker

Eerder dan gebruikelijk ontvangen jullie de eerste editie van 2019 van ons clubblad. Het grootste gedeelte van deze editie lag al enkele weken min of meer drukklaar op de plank en de inhoud van een groot deel van dit nummer zou sommigen wat later in het seizoen misschien kunnen ervaren als mosterd na de maaltijd. Vandaar.
Uiteraard vinden jullie in deze eerste editie een terugblik op de clubactiviteiten in de laatste maanden van 2018: de afluisterochtend en uiteraard onze clubkampioenschappen.
Een ander opmerkelijke gebeurtenis uit de afgelopen periode is dat Ton Diepenhorst na  14 jaar bestuurslidmaatschap het secretariaat heeft overgedragen aan Piet Hagenaars. We danken Ton voor alle tijd en energie die hij tot dusver in de NZHU heeft gestoken en zijn blij dat Piet bereid is geweest het stokje over te nemen. We wensen hem daarbij veel plezier en succes toe.
Het overgrote deel van dit dubbeldikke clubblad is gewijd aan een onderwerp waaraan al eerder in ons Contactblad uitvoerig aandacht is besteed en menig zangkanariekweker bezig houdt: de bloedluis in ons vogelverblijf. In een uitvoerige bijdrage gaan we eens een kijkje nemen in de kring van wetenschappers en pluimveeboeren en hopen van hun bevindingen wijzer te worden. Avimite is een relatieve nieuwkomer op de markt van bloedluis bestrijdingsmiddelen. Drie kwekers hebben in 2018 Avimite aan hun vogels verstrekt in een poging het bloedluisprobleem de baas te blijven. Hun bevindingen vinden jullie ook in deze editie.
Het doet me deugd dat opnieuw twee leden input hebben aangedragen voor een artikel in ons clubblad en hopelijk volgen er meer.
Hoewel de inhoud soms taaie kost is hoop ik dat jullie deze editie van ons clubblad met interesse zullen lezen en er uit kunnen pikken wat je in je eigen situatie zou kunnen toepassen.

-0-

 Afluisterochtend 24 november 2018

door Jaap Plokker

Op zaterdag 24 november 2018 werd voor de negende keer een afluisterochtend georganiseerd. Behalve het met elkaar luisteren naar hopelijk mooie vogels is deze activiteit ook bedoeld om zich te bekwamen in het kritisch luisteren en beoordelen van het lied.

Vanaf 09.30 u. druppelden de leden het clubgebouw van ‘De Kanarievogel’ aan de Oude ’s Gravendijckseweg te Katwijk binnen. Onder het genot van een kopje koffie werden de laatste nieuwtjes uitgewisseld. Om 10.00 u. bleek dat we met elf personen 44 waterslagers, oftewel 11 stammen, zouden gaan afluisteren.


Foto. 24 november 2018. Afluisterochtend. Het grootste deel van de aanwezigen luisterend naar een stam waterslagers.

Opzet
Na kort overleg werd besloten de opzet van voorafgaande jaren, het invullen van keurlijstjes, te laten voor wat het was en gezamenlijk de vogels af te luisteren. Wel zouden we de vogel kritisch volgen om aan het eind een prijs uit te kunnen reiken aan de mooiste stam en mooiste vogel van de ochtend.
Eén voor één kwamen de 11 stammen op tafel en namen we per stam een kwartiertje de tijd om te luisteren en het lied te becommentariëren. Gelukkig zongen de vogels goed door en er viel dus veel over het lied te bespreken, waardoor het een bijzonder onderhoudende morgen werd.
Duidelijk was te horen dat de ene stam veel verder in zangontwikkeling was dan de ander. Hetgeen natuurlijk op 24 november niet vreemd is. Ieder jaar constateren we hoe verschillend de zang van waterslagers kan zijn. Zo beluiserden we een stam van Tinus Teeuwen met uitgesproken nachtegaaltoeren. De structuur van de zang, krachtig en toeren kort op elkaar afwisselend deed denken aan het lied van de nachtegaal. Andere kwekers houden meer van een ingetogen vloeiende zangstructuur en ook de liefhebbers van deze waterslagerzang kwamen op de afluisterochtend aan hun trekken.
We werden weer eens overduidelijk geconfronteerd met het belang van het zangmilieu voor het uiteindelijke lied. Men zou zelfs kunnen stellen dat we het bewijs hebben gehoord van de stelling dat zangmilieu belangrijker is dan erfelijkheid. Piet Hagenaars heeft dit jaar maar weinig waterslagers gekweekt, maar wel heel veel kleurkanaries. Zijn waterslagers zijn tussen de kleurkanaries opgegroeid en dat was overduidelijk te horen. We moesten zoeken naar een waterslagertoer. Piet heeft o.m. gekweekt met afstammelingen van bij Jan Zonderop aangeschafte vogels. Jan herkende in de vogels die Piet had opgezet helemaal niets meer terug van de zang van zijn eigen vogels. De conclusie was dus enerzijds dat het zangmilieu waarin de vogels opgroeien van cruciaal belang is voor het uiteindelijke lied en anderzijds dat het eigenlijk onmogelijk is om goede zangkanaries te kweken in een ruimte waarin ook vogels met aan kanaries verwante zang zijn gehuisvest. Voor sommigen worden hier mogelijk twee open deuren ingetrapt, maar nog altijd zijn er kwekers die volledig vertrouwen op de erfelijkheid van de zang. Zolang ze ook het zangmilieu waarin de vogels opgroeien goed in de gaten houden kan dit geen kwaad.
Jaap had weer twee gerookte makrelen meegenomen om aan de eigenaren van de mooiste vogels mee te geven. In een groepsgesprek werd bepaald dat de vogels van Jan Zonderop en Chagas Pinheiro een gerookte makreel verdienden. Ca. 12.15 u. overhandigde Jaap Plokker met een ‘gefeliciteerd en eet smakelijk’ de’ mekrielen’ aan Jan en Chagas, dankte alle aanwezigen voor hun komst, gezellige sfeer en wenste hen een wel thuis toe.


Foto. 24 november 2018. Afluisterochtend. Tinus Teeuwen, Freek Schot en Geard de Brabander geconcentreerd luisterend naar en stam waterslagers.

-0-

Verslag Clubkampioenschappen 2018

door Jaap Plokker

Van 20 t/m 22 december 2018 organiseerden we onze 34e clubkampioenschappen. Voor de derde achtereenvolgende keer vond dit evenement plaats in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, tevens het clubgebouw van vogelvereniging ‘De Kanarievogel’.

Na twee geslaagde clubkampioenschappen in het gebouw van de Katwijkse vogelvereniging De Kanarievogel hebben we inmiddels de (on) mogelijkheden van dit gebouw voor onze wedstrijd ervaren. Toch ontdekken we ieder jaar wel iets wat voor verbetering vatbaar is, maar over de algehele linie begint het organiseren van onze wedstrijd in dit gebouw al een beetje op routine te lijken.


Foto. Op donderdag 29 november 2018 werden bij Ton thuis de inschrijvingen administratief verwerkt  en de volgorde van keuring geloot. Vlnr. Ton Diepenhorst, Jaap Plokker, Gerard van Zuilen.

De jaarvergadering op 27 november 2018 was tevens de sluiting van de inschrijving. Donderdag 29 november kwamen Gerard van Zuijlen, Ton Diepenhorst en Jaap Plokker bij Ton thuis bij elkaar om de inschrijvingen te verwerken en de volgorde van keuring te loten. Nadat alle inschrijvingen waren verwerkt bleek dat 21 leden aan de wedstrijd zouden deelnemen, t.w. 5 leden hadden 60 harzers en 16 leden 234 waterslagers ingeschreven. In totaal dus 294 zangkanaries. Ze waren als volgt verdeeld: 15 stammen harzers en 31 stammen, 27 stellen en 56 enkelingen, incl. 4 C-vogels, waterslagers. Voor dit aantal waren 1 harzerkeurmeester en 5 waterslagerkeurmeesters benodigd, exact het aantal gecontracteerde keurmeesters. Vergelijken we voornoemde cijfers met voorafgaande jaren dan is er sprake van een langzame edoch gestage daling van zowel het aantal deelnemende leden als het aantal ingeschreven vogels. Eerlijk gezegd viel de daling van het aantal deelnemers en vogels mij nog mee, omdat op 1 januari 2018 een aantal vaste inzenders met de hobby was gestopt, het lidmaatschap had beëindigd en we van hen dus geen vogels hoefden te verwachten. Gelukkig zijn het afgelopen jaar twee harzerkwekers, Ton Gerritsen en André Schrama, lid geworden en hebben zij ook vogels voor de wed-strijd ingeschreven, waardoor er maar liefst 60 harzers, ingeschreven door 5 liefhebbers, om het clubkampioenschap kampten. Waterslagerskwekers die als gevolg van een mislukt broedseizoen vorig jaar verstek moesten laten gaan  waren dit jaar weer present, waardoor, per saldo, we maar één deelnemer minder hadden dan vorig jaar.
In de eerste volle week van december organiseerde de Katwijkse vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ traditiegetrouw haar afdelingstentoonstelling. Hiervoor waren bijna 160 waterslagers ingeschreven en zoals al jaren gebruikelijk is maakte zij gebruik van onze keurkamers en vervoerkoffers. Dit betekende dat bijna de helft van het materiaal dat wij voor onze wedstrijd nodig hadden al in het gebouw aanwezig was toen wij met de voorbereidingen op onze clubkampioenschappen begonnen. Vorig jaar was het prima bevallen om het resterende deel van het voor de wedstrijd benodigde materiaal op de dag van opbouwen van de opslag bij Ton Diepenhorst te verkassen naar de wedstrijdlocatie.  Dus dat hebben we er in gehouden.


Foto. 20 december 2018. De berging van KoPluKo was tijdens onze wedstrijd het onderkomen van de harzers, Henk Oudshoorn en Tinus Teeuwen zetten de keurkamer op.

Opbouw en inkooien 20 december 2018
Op donderdag 20 december 2018 was ca. 09.30 u. de opbouwploeg, bestaande uit Theo Kramp, Krien Onderwater, Henk Oudshoorn, Jaap Plokker en Tinus Teeuwen.in het gebouw present om de ruimtes vrij te maken, de keurkamers op te zetten, tafels met vervoerkoffers klaar te zetten voor het inkooien, etc., etc. Ook gingen twee mensen naar Ton Diepenhorst om daar diens aanhanger te laden en het resterende wedstrijdmateriaal naar het clubgebouw te vervoeren. Hoewel we met aanzienlijk minder mankracht waren dan voorafgaande jaren verliep het verkassen en het opbouwen gesmeerd en omstreeks 12.30 u. stond nagenoeg alles op z’n plek en konden de inkooiers de  inzenders ontvangen. Inmiddels waren ook Piet Drop, Paul Schilte en Jan Zonderop gearriveerd, die het inkooien verder zouden begeleiden. Vanaf 13.30 u. druppelden de deelnemers met hun vogels geleidelijk binnen. Ca. 19.45 u. werd de balans van het inkooien opgemaakt. De gebroeders Henny en Willy Kling waren wegens droeve familieomstandigheden niet met hun vogels aanwezig. Verder waren alle inzenders gekomen en hadden al hun ingeschreven vogels ingeleverd, zodat de vogels over de keurkamers verdeeld konden worden. Om 20.30 u. konden de lichten uit en heerste er volkomen rust in het gebouw.


Foto. 20 december 2018. Inkooien 34e clubkampioenschappen. Nadat Piet Drop de ringnummers heeft geregistreerd geeft Paul Schilte de vogels van Chagas Pinheiro water.

Keuringsdag 21 december 2018
De keuringsdag, vrijdag 21 december, begon voor Jaap Plokker met het aanzetten van het koffiezetapparaat en het ‘luchten’ van de zangkanaries. Vanaf ca.08.00 u. kwamen ook de keurmeesters binnen. Na een kopje koffie met kerststol en het welkomstwoord van Jaap Plokker kregen de keurmeesters de blinde lijst uitgereikt en konden om 09.00 u. de eerste vogels op tafel gezet worden. De vogels werden door 6 keurmeesters beoordeeld: de harzers door Hans Bakhuizen; de waterslagers door: Joop Aelbrecht, Jan de Bruine, Henk Doward, die Willy Kling verving, Toon van Gestel en Krien Onderwater. Menigeen had al met gefronste wenkbrauwen door de ramen naar buiten gekeken. Windvlagen, al dan niet met regen, gierden rond het gebouw; niet echt optimale omstandigheden waaronder zangkanaries uit volle borst willen zingen. Dit bleek alras bij het binnenkomen van de eerste keurlijsten. In veel stammen braken de vogels voortdurend hun lied af en/of zongen om beurten waardoor ze elkaar niet optrokken naar een hoger niveau. Jammer, maar als organisatie kun je aan de meeste voorwaarden voor een geslaagde keuringsdag voldoen, maar je hebt niet alles in de hand. Dat bleek wel weer op 21 december 2018.


Foto. 21 december 2018. Keuringsdag. Twee leden van de wedstrijdorganisatie: Theo Kramp, die als vanouds de harzers verzorgde, en Max Gerhards, die de gegevens op de keurlijsten in de computer invoerde.

Terwijl de keurmeesters de vogels afluisterden en de keurbriefjes invulden was elders in het gebouw het wedstrijdsecretariaat in vol bedrijf: Piet Drop, Max Gerhards, Paul Schilte en Jan en Tiny Zonderop verzamelden de keurlijsten, schreven de namen en ringnummers er op en voerden in de computer de resultaten in.  Terwijl het wedstrijdsecretariaat op volle toeren draaide zorgde Theo Kramp er voor dat de harzers op tijd voor de keurmeester verschenen. Tegen etenstijd verscheen ook Ageeth Onderwater om te helpen bij het diner.
Kort na het middaguur werd de keuring onderbroken voor een aperitiefje en omstreeks 12.30  u. arriveerde Ton Diepenhorst met het Chinees buffet. Nadat de als vanouds voortreffelijke Chinese maaltijd was genuttigd nam Jaap Plokker de gelegenheid om de aanwezigen te informeren over de reden waarom Willy Kling niet aanwezig was om waterslagers te keuren. Met een moment stilte werd  bij deze voor Willy en zijn dierbaren droeve gebeurtenis stilgestaan. Ook was er de mogelijkheid je naam te zetten op een condoleancekaart voor Willy.
Had harzerkeurmeester Hans Bakhuizen met 60 vogels een volle dag, de waterslagerkeurmeesters waren daarentegen wat eerder klaar. Toen ook Hans Bakhuizen z’n laatste vogels op papier had gezet kon de verdere organisatie opgepakt worden, zoals het verplaatsen van de transportkoffers naar de inkorfruimte, het voeren van de vogels, het afbreken van de keurcabines, het inrichten van de afluisterlocaties, het maken van de catalogus, etc. Inmiddels had Ton Diepenhorst z’n aanhanger opgehaald  en werd een deel van het niet meer benodigd wedstrijdmateriaal opgeladen en naar de opslagruimte vervoerd. Dat scheelde in ieder geval op 22 december na het uitkooien een rit. Daarna was aan vrijwel iedereen een welverdiende rust gegund. Dat gold niet voor Jaap Plokker die nog een klusje te klaren had: het in orde maken en drukken van de catalogus en oorkondes die daags daarop resp. aan de inzenders en prijswinnaars zouden worden uitgereikt. Rond 22.00 u. lag voor iedere inzender de catalogus klaar, waren de oorkondes gedrukt en zat voor hem de dag er ook op.


Foto. 22 december 2018. Studiedag. In alle rust bestuderen waterslagerkwekers de zojuist ontvangen keurlijsten en wedstrijdcatalogus.

Studiedag 22 december 2018
Op zaterdag 22 december hadden we onze traditionele studiedag. De dag begon met het vaste ritueel van het open zetten van de koffers zodat de vogels konden eten en drinken. Om 09.00 u. arriveerde Krien Onderwater en Jacques de Beer en konden de ringen van de belangrijkste prijswinnaars gecontroleerd worden.
Vanaf 09.30 u. druppelden de eerste mensen binnen en ca. 10.00 u. opende  Jaap Plokker de studiedag met een korte toespraak, waarin hij o.m. Andries Gort welkom heette, die na een jaar met een operatie en een moeizaam herstel tot ieders vreugde, zeker niet in het minst bij Andries zelf, weer in ons midden was om waterslagers uit te leggen. Tot slot werden door hem de prijswinnaars bekend gemaakt. Vervolgens werden de catalogi en keurlijsten uitgedeeld. Nadat die in ontvangst waren genomen volgde een periode waarin men het erg druk had met het bestuderen van de catalogus, de eigen keurlijsten en die van de tafelgenoten. Inmiddels was het aantal bezoekers gegroeid en het dus de hoogste tijd om de eerste vogels af te luisteren.
Om ca. 10.30 u. begon de eerste afluisterronde. Andries Gort nam z’n vertrouwde plekje weer in en de vogels konden op tafel. Voor het middaguur was er voor de waterslagers één uitgebreide afluisterronde waarin de mooiste enkelingen, de prijswinnende stellen en enkele opmerkelijke stammen die buiten de prijzen gevallen waren, op tafel kwamen. In tegenstelling tot de dag daarvoor wilden de waterslagers op de studiedag wel zingen. Bijna alle vogels zongen uit volle borst waardoor men ook in de zaal kon constateren dat veel vogels zichzelf op de keuringsdag bij de keurmeester behoorlijk tekort hadden gedaan.  In één van de opslagruimtes had zich een klein gezelschap harzerkwekers verzameld, dat de regie volledig in eigen hand had en naar believen vogels afluisterde.
Geheel volgens het tijdschema ging iedereen om ca. 12.00 u. naar het conversatiegedeelte van de vergaderzaal voor de middagpauze. Daar kon men zich te goed doen aan erwtensoep, broodjes gehaktbal, etc. Ageeth en Mandy Onderwater hadden de handen vol om aan iedereen het bestelde te kunnen presenteren. Van de pauze werd tevens gebruik gemaakt om een verlotingsronde te houden en wisselden de eerste orchideeën van eigenaar.
In de middag was er ook één afluistersessie. Bij de waterslagerkwekers kwamen de mooiste stammen op tafel. Omdat er minder prijswinnaars waren was het mogelijk de stammen wat langer op tafel te laten staan waardoor er wat dieper kon worden ingegaan op het lied. Opvallend vond ik de ontspannen sfeer waarin op de studiedag de waterslagers werden afgeluisterd, naast de noodzakelijke stilte om de vogels goed te kunnen horen was er ook volop gelegenheid voor discussie en de gezellige sfeer werd zeker bevorderd door de regelmatige hilarische momenten. Omstreeks 14.30 u. werd het laatste viertal van tafel gehaald en nam iedereen plaats in de vergaderzaal voor een drankje, een pauzepraatje en de tweede en laatste verloting o.l.v. Ageeth en Mandy Onderwater.  Dankzij Gerard van Zuijlen zaten er schitterende orchideeën in de prijzenpot en de meeste lotenkopers konden dan ook één of meer gewonnen orchideeën mee naar huis nemen.
Alvorens tot de uitreiking van het eremetaal over te gaan werden Ageeth en Mandy Onderwater bedankt voor het organiseren en bemensen van het buffet en Andries Gort voor het becommentariëren van de waterslagerzang. Zij gingen ieder aan het eind van de middag met een mooie orchidee naar huis. De studiedag werd traditioneel afgesloten met de prijsuitreiking. Dit jaar bestond  het ‘eremetaal’ wederom uit geldprijzen. Als blijvende herinnering ontvingen de 1e t/m 3e prijswinnaars en de derbywinnaars een oorkonde.
Iets later dan de planning, nl. om 15.15 u., kon begonnen worden met het uitkooien. Hierna volgden voor de medewerkers nog de grote schoonmaak en het vervoer van het materiaal naar de opslagruimte bij Ton Diepenhorst. Dankzij de welwillende medewerking van een groot aantal inzenders ging het opruimen bijzonder snel. Terwijl een groepje het materiaal naar de opslag vervoerde en daar op z’n plek zette bleven anderen in het gebouw achter om alles in te richten zoals het op donderdag was aangetroffen: een hele klus. Omstreeks 17.00 u. stond al het materiaal bij Ton Diepenhorst op z’n plek en was in het gebouw alles in de oorspronkelijke staat teruggebracht.


Slot
Tot slot is een bijzonder woord van dank op z’n plaats. Ik wil de verenigingen ‘De Kanarievogel’ en ‘KoPluKo’ bedanken voor het mogen gebruiken van hun faciliteiten in hun clubgebouw.  Ik wil graag Krien, Ageeth en Mandy Onderwater bedanken voor het wederom organiseren van het buffet. Jullie hebben het dit jaar weer voortreffelijk gedaan, bedankt.  Een dankwoord is ook op z’n plaats voor de leden die het bestuur hebben geholpen tijdens de opbouw en opruimwerkzaamheden en hand- en spandiensten hebben verricht tijdens de wedstrijd- en studiedagen, t.w.  Tiny en Jan Zonderop, Piet Drop, Theo Kramp, Krien Onderwater, Henk Oudshoorn en Tinus Teeuwen. Dank ook aan Ton Diepenhorst die, ondanks dat hij in november jl. zijn bestuurslidmaatschap had beëindigd, weer de nodige organisatorische taken op zich genomen had. Naast genoemde personen wil ik ook graag de inzenders in mijn dank betrekken voor het helpen bij het opruimen van de wedstrijdlocatie na het uitkooien. Last but not least wil ik Ton  Diepenhorst en m’n medebestuursleden, Gerard, Jacques, Max en Paul bedanken voor hun betrokkenheid en inzet voor de vereniging gedurende het jaar 2018.
Onze 34e clubkampioenschappen werden voor de derde keer georganiseerd in het gebouw van stichting Kleindierensport Katwijk. De op de ervaringen van vorig jaar gebaseerde aanpassingen pakten goed uit en de sfeer tijdens de studiedag was ouderwets ontspannen en gezellig. 
Het was daarom in mijn beleving van 20 t/m 22 december 2018 goed toeven in het gebouw van stichting Kleindierensport Katwijk. Hopelijk tot volgend jaar.


Prijswinnaars 2018
De prijswinnaars van onze 34e clubkampioenschappen, welke gehouden werden van 20 t/m 22 december 2018 zijn:

Harzers:
Meesterzanger en winnaar NBvV Bondskruis: Jacques de Beer, 90 pnt.
Stammen: 1e prijs: Jacques de Beer, 353 pnt.; 2e prijs stammen: Lis Reichgelt, 342 pnt.; 3e prijs stammen: Max Gerhards, 342 pnt.
Derby: Max Gerhards, 85 pnt.


Waterslagers:
Meesterzanger: Krien Onderwater, 150 pnt.
Stammen: 1e prijs: Krien Onderwater, 600 pnt.; 2e prijs: Jan Zonderop, 587 pnt.; 3e  prijs: Gerard de Btrabander, 585 pnt.; 4e prijs: Krien Onderwater, 576 pnt.; 5e  prijs: Freek Schot, 571 pnt.
Stellen: 1e en 2e prijs: Jan Zonderop, resp. 298 en 298 pnt.; 3e prijs: Krien Onderwater, 290 pnt.
Enkelingen: 1e t/m 3e prijs: Boudewijn van der Stelt, resp. 140, 139, 135 pnt.
Derby: Gerard de Brabander, 145 pnt.


Foto. 22 december 2018. Studiedag. Ook de harzerkwekers hebben hun keurlijsten ontvangen, maar zij zijn, overeenkomstig de zang van hun kanaries, wat luidruchtiger. Vlnr. Ton Gerritsen, Jacques de Beer, André Toet, André Schrama en Theo Kramp. Lis Reichgelt heeft de rust opgezocht.

-0-

Diertjens van een wonderlyk maeksel

Ontwikkelingen aangaande bloedmijtbestrijding gedurende de laatste jaren

door Jaap Plokker

Vrijwel iedere zangkanariekweker besteedt een deel van zijn tijd aan het voorkomen of bestrijden van bloedmijten in zijn vogelverblijf. In ons clubblad wordt regelmatig aandacht besteed aan de bestrijding van bloedmijten.1 Terecht, want een broedseizoen kan desastreus verlopen als gevolg van een explosie van bloedmijten in je vogelverblijf. Ook leden van de NZHU blijven hiervan niet gespaard.
In editie 2018-2 van ons ‘Contactblad’ schreef Max Gerhards een artikel waarin hij o.m. opriep om voor effectieve bloedluisbestrijding onze ogen te kost te geven in de pluimveesector. Mede aan de hand van een studie van de universiteit van Wageningen, die we van Max ontvingen, gaan we in dit artikel o.m. een kijkje nemen in de stallen met leghennen en proberen daar onze lering uit te trekken.

Men verwondert zig somtyds, dat de jongen, niettegenstaende zy door de ouden wel gevoed worden, echter niet groeyen, en het wyfje op het nest niet duren kan, maer ‘er gestadig op en af vliegt en zig pluist; ook dat de jongen zeer onrustig zyn, zonder dat men de reden ‘er van beseffen kan. Men wete dan, dat dit veroorzaekt word door Luizen, die de jongen plagen en hun het groeyen beletten. Om de waerheid hiervan te ondervinden, behoeft men slechts de jongen een quartier uurs met het nestje in de hand te houden, als wanneer men zwarte plekken, even als stof van houtkool in de hand bespeuren en een grote jeukte gevoelen zal, en zo men die zwarte plekken met een vergrootglas beschouwt,  zal men een oneindige menigte diertjens van een wonderlyk maeksel ontdekken. De vluchten echter konnen met weinig moeite van dit ongediert rein gehouden worden, door vooral de oude vluchten alomme met kokend water te begieten, aleer men de Kanarien ‘er in te broeden zet. Om ook de jonge Kanarien van dat ongemak te bevryden, moet men hun ’t achterlyf met een weinig boomoly (= olijfolie. J.P.) bestryken, waernaer de Luizen kruipen, en ‘er niet weder vandaen komen zullen, vermits de oly hen alle doet sterven.2  

Van alle tijden
Getuige bovenstaand citaat, met de arcering van mezelf, uit het in 1750 verschenen en door F. van Wickede geschreven ‘Kanari-Uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanarie-teelt’, dateert de overlast die wij, zangkanariekwekers, van bloedluizen ondervinden niet van vandaag of gisteren. Tweehonderdvijftig jaar geleden kampten de vogelhouders ook al met het luizenprobleem, nog sterker: in één van de oudste boeken die ik ken waarin o.m. het kweken van kanaries wordt beschreven, het in 1678 uitgegeven ‘The Ornithology of Francis Willughby’, verwijst auteur John Ray naar de Italiaan Ulisse Aldrovandi, die in een van zijn boeken vogelhouders adviseerde kanaries regelmatig met wijn te besprenkelen waardoor de luizen dood gaan en de vogels tevens een grotere weerstand tegen luizen opbouwen.3
Zolang er kanarieliteratuur verschijnt worden kwekers dus methoden en bestrijdingsmiddelen geadviseerd waarmee men de bloedluis te lijf kan gaan. Gaf Aldrovandi kwekers de tip af en toe de vogels met wijn te besprenkelen, in ‘Kanari-Uitspanningen’ kunnen we, naast voornoemde adviezen, ook enkele andere preventiemaatregelen en bestrijdingsmethoden lezen: zo adviseert van Wickede de kwekers geen ‘hoedenvilt’ als nestmateriaal te gebruiken, omdat luizen er zich graag in verschuilen.4 Verder kookte hij na ieder rondje het nestje uit.5 Deze bestrijdings- en preventiemaatregel is kennelijk van alle tijden. Trouwens, ook het gebruik van oliehoudende stoffen, zoals het door van Wicekede genoemde en hiervoor aangehaalde olijfoliekwastje, behoort nog altijd tot de toegepaste middelen om bloedmijten te bestrijden.
Moraal van het verhaal: sedert mensen zich hebben toegelegd op het houden en kweken van kanaries zijn fokkers en bloedluizen tot elkaar veroordeeld. Anno 2019 kan men de conclusie trekken dat na 400 jaar ‘oorlog’ de kanariekweker nog steeds niet als overwinnaar uit het strijdperk is getreden, integendeel de strijd tegen de bloedluis duurt nog onverminderd voort, met regelmatig de bloedmijt aan de winnende hand; zeker nu de beschikbaarheid van insecticiden voor de bestrijding van bloedluizen steeds beperkter wordt. De titel die Max Gerhards aan zijn in clubblad 2018-2 geplaatste artikel gaf is dit opzicht veelzeggend: ‘Bloedmijten - een onuitroeibare plaag in ons vogelverblijf’.6

Wagenings rapport uit 2005
Niet alleen het bloed van kanaries scoort hoog op de menukaart van de bloedmijten, ook dat van kippen versmaden ze niet. In voornoemd artikel van Max Gerhards konden we al lezen dat zo
wel de pluimvee- als de siervogelhouderij er bij gebaat is dat bloedluizen effectief kunnen worden bestreden. ‘Zijn wij een kleine speler in het spel; voor de pluimveehouderij geldt dat allerminst. Het is dus in ons belang goed te kijken naar de ontwikkelingen in de pluimveehouderij op het gebied van de luizenbestrijding en daar ons voordeel mee te doen’.7 Vanuit dit perspectief bekeken is het daarom niet vreemd dat op de universiteit van Wageningen de bloedmijt, de schade die hij aanricht in de pluimveesector en hoe de schade tot een minimum beperkt kan worden, onderwerp van nadere bestudering is. In 2005 liet de ‘Animal Sciences Group’ van voornoemde universiteit het door R.A. van Emous, T.G.C.M. Fiks-van Niekerk en M.F. Mul geschreven rapport ‘Bloedluizen (vogelmijten) op papier en in de praktijk’ verschijnen, waarin de kennis over de bloedmijt op dat moment op een rijtje werd gezet.8 
Menig vandaag de dag op internet te vinden tekst over bloedluizen en de bestrijding hiervan baseert zich overduidelijk op dit rapport, overigens meestal zonder het als bron te vermelden.9
Hoewel het Wageningse rapport dus al bijna 14 jaar geleden werd uitgegeven en het daarom op sommige punten wat gedateerd overkomt bevat het nog veel waardevolle informatie. Het grote voordeel van dit rapport is dat er degelijke wetenschappelijke studie aan ten grondslag ligt, hetgeen ons in staat stelt de indianenverhalen van feiten te kunnen onderscheiden.

Miljoenenschade pluimveesector door bloedmijt
Rick van Emous en de anderen schatten dat in 2005 de Nederlandse pluimveesector jaarlijks voor 11 miljoen euro schade leed als gevolg van bloed-luizen.10 Zowel Rick van Emous, Thea van Niekerk als Monique Mul zijn nog steeds verbonden aan de Universiteit van Wageningen, officieel Wageningen University & Research (WUR), in het bijzonder aan het onderzoeksinstituut Wageningen Livestock Reserach, met de bloedmijt in de pluimveesector als één van hun onderzoeksgebieden. Ter gelegenheid van de promotie van Monique Mul werd op 13 januari 2017 een mini-symposium georganiseerd waarin Rick van Emous de laatste onderzoeksresultaten van het Wageningse team aangaande de vogelmijt bekend maakte. Hij schatte dat in 2017 de Nederlandse pluimvee sector voor 21 miljoen schade zou ondervinden van de bloedmijt; bijna een verdubbeling t.o.v. 2005. De redenen voor deze toename waren: de uitbreiding van de sector sinds 2005, verbeterde inzichten omtrent het verband tussen de activiteiten van de bloedmijt en het hogere voerverbruik door de leghennen, meer mijten als gevolg van de veranderde huisvesting van kooi (legbatterij) naar alternatieve huisvestingssystemen, gevolgen van het verbod op snavelbehandeling bij leghennen en de stijgende kosten van de bloedmijtbestrijding.11
Deze blik in de pluimveesector maakt duidelijk dat men met betrekking tot de bloedmijt de zaken in de kippenstallen allerminst onder controle heeft, integendeel bloedmijten komen frequenter voor, de bedrijfsschade neemt toe, kortom de kippenboeren hebben allerminst het lek boven water; men verdaagt eerder van de regen in de drup. Dit alles ondanks dat in Wageningen de bloedmijtbestrijding al geruime tijd onderwerp van onderzoek is. Dit zijn geen hoopgevende verhalen voor ons, zangkanariekwekers. Als de professionals, met al hun economische belangen, het ei van Columbus nog niet hebben gevonden, waar zijn wij dan, de ‘calimero’s onder de pluimveehouders’?

Bloedluizen en vogelmijten
Hoog tijd om ons verder te verdiepen in de veroorzakers van al dit onheil, de ‘diertjens van een wonderlyk maeksel’, zoals van Wickede ze in 1750 omschreef. De plaaggeesten die wij onder elkaar ‘bloedluizen’ of kortweg ‘luizen’ noemen werden ooit gedoopt alsDermanyssus gallinae’. Ze worden gerekend tot de geleedpotigen en zijn nauw verwant aan de spinnen en zijdelings aan de kreeften en schorpioenen. Het zijn daarom mijten en geen luizen.12
Bloedmijten worden ondergebracht bij de parasieten, organismen die leven ten koste van hun gastheer. Omdat de bloedmijt niet in de gastheer leeft, maar van buiten voedsel aan de gastheer onttrekt, t.w. bloed, beschouwen we de bloedmijt als een ectoparasiet. Bekende ectoparasieten zijn muggen, vlooien, luizen. Deze hebben met elkaar gemeen dat ze in het volwassen stadium zes poten hebben; de bloedmijt heeft er echter acht. Voor de ‘diertjens van een wonderlyk maeksel’ komen we in de literatuur diverse benamingen tegen: ‘luis’,  ‘vogelluis’ ‘bloedluis’, ‘rode vogelmijt’ ‘vogelmijt’,‘bloedmijt’, enz. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is ‘luis’ dus niet correct en moeten we onze kwelgeesten eigenlijk ‘bloedmijt’ of ‘(rode) vogelmijt’ noemen.13  
Het volwassen vrouwtje van de Dermanyssus gallinae is ovaal tot peervormig, 0,6-0,8 mm lang en 0,4 mm breed en heeft lange poten. Wanneer de wijfjes zich hebben volgezogen met bloed worden ze 1 mm lang of meer en dus duidelijk zichtbaar voor het menselijk oog. Het volwassen mannetje is iets kleiner dan het vrouwtje. De kleur varieert normaal van grijs/wit tot zwart, maar wanneer ze net bloed hebben gezogen zijn ze licht tot donkerrood. De vogelmijt heeft geen echte mond maar monddelen waarmee ze het bloed tot zich kunnen nemen. De ogen bezitten fotocellen waarmee ze hoofdzakelijk licht en donker van elkaar kunnen onderscheiden. Het belangrijkste zintuig van de vogelmijt is de reuk. Hiermee zijn ze in staat om vogels/kippen op te sporen voor een bloedmaaltijd. Ook bij de voortplanting speelt de reuk een belangrijke rol om een partner te vinden. Voor de zuurstofopname bezit de vogelmijt acht openingen op zijn rug die in verbinding staan met het luchtwegenstelsel.14
Voor de reproductie van de soort leggen volwassen wijfjes eitjes. De cyclus van eitje tot volwassen mijt verloopt als volgt: De eitjes ontwikkelen zich in 2 à 3 dagen tot een zespotige larve. Zonder voeding transformeert de zespotige larve zich na 1 à 2 dagen in een achtpotige protonimf. De protonimf heeft een bloedmaaltijd nodig om in 1 à 2 dagen te transformeren naar een deutonimf. Na nog een bloedmaaltijd transformeert de deutonimf zich in 1 à 2 dagen in een volwassen vogelmijt. Onder optimale condities qua temperatuur en luchtvochtigheid kan de ontwikkeling van eitje naar volwassen vogelmijt voltooid worden in 7-8 dagen.  Na de laatste vervelling zal een vrouwtje snel paren met een mannetje. Het leggen van de eitjes vindt plaats 12-48 uur na een bloedmaaltijd. Gemiddeld leven vogelmijten circa 20 dagen. De wijfjes leggen dan ongeveer 50 eitjes met maximaal 9 eitjes per legreeks. De eitjes zijn ovaalvormig en parelwit en worden gelegd in kieren en spleten. Onder gunstige omstandigheden kunnen bloedmijten echter veel langer leven en is de eierenproductie dus ook veel hoger.15
Onderzoek, waarbij onder optimale omstandigheden van constant 25oC  de ontwikkeling van eitje naar het volwassen stadium werd gevolgd, toonde aan dat 44% van de gelegde eitjes alle fases overleefden en in 7,7 dag uitgroeiden tot volwassen mijten. Tussen mannetjes en wijfjes werden geen verschillen geconstateerd.16

Voorwaarden voor voortvarende reproductie
Om in leven te blijven en zich voort te kunnen planten heeft een volwassen vogelmijt bloed nodig. Onder normale omstandigheden en bij aanwezigheid van voldoende voedsel neemt een vogelmijt regelmatig een bloedmaaltijd. De bloedmijt neemt geen genoegen met kleine porties. Na een bloedmaaltijd is het gewicht van een mijt met een factor 3 toegenomen. Bij afwezigheid van voedsel kan de vogelmijt 8-9 maanden overleven. Een hongerige bloedmijt wordt minder kieskeurig en kan ook  bloed opnemen bij zoogdieren, bijvoorbeeld muizen en konijnen. Dit heeft echter wel gevolgen voor het reproductievermogen, dat beduidend kleiner wordt. Menselijk bloed kan de mijt wel tot zich nemen, maar tot dusver is niet geconstateerd dat het leidt tot het leggen van eieren. Mannelijke vogelmijten nemen veel minder vaak een bloedmaaltijd. Bloedmijten zijn het meest actief tussen 5 uur nadat het licht is uitgegaan en 2 uur voordat het licht aangaat.17
Dat bloedmijten uitsluitend in het donker actief zijn is een fabeltje. Ze weten echter dat het donker hun bescherming biedt en daarom zijn ze gedurende de nacht actiever dan overdag. Bij het vinden van hun gastheer maken mijten gebruik van beweging, warmte, CO2 (koolstofdioxide) uitstoot en de geurstof die door de gastheer via de huid wordt afgegeven.  Onderzoek heeft aangetoond dat in een lichte omgeving mijten anders reageren op een verhoging van CO2 in hun omgeving dan in het donker. Daaruit concludeert men dat de mijten weten dat ze in het donker lastiger voor de gastheer en vijand te traceren zijn.18
Bloedmijten leven in nesten. Wanneer ze niet ‘op jacht’ zijn verblijven ze hoofdzakelijk in kieren en naden waar ze zich ook voortplanten en hun eitjes leggen. Mijten verstoppen zich met voorkeur in de buurt van de voedselbron. Gaten en kieren in de buurt van de zitstokken zijn toplocaties.19  In de broedtijd bieden de jonge vogels in de nesten uiteraard ook een niet te versmaden maaltijd.
Temperatuur is een belangrijke factor in het mijtenleven. In een laboratoriumsituatie legden bij 5o C en 25o C 80% van de vogelmijten eitjes. Het gemiddeld aantal gelegde eitjes was bij 5o C lager dan bij 25o C. Zelfs mijten die bij een temperatuur van 45o C werden ondergebracht legden eitjes, echter niet veel en ze waren klein, droog en ontwikkelden zich niet verder. Bij -20o C en +65o C werden geen eitjes gelegd. De onderzoekers constateerden dat de bij 5o C gehuisveste mijten het langst eieren produceerden, nl. drie maanden. Ook bleven ze bij deze temperatuur het langst in leven zonder voedsel, nl. meer dan 9 maanden. Na het leggen van de eitjes werd bij 5o C geen verdere ontwikkeling van de eitjes waargenomen, maar ze leken vitaal en levensvatbaar. Een onderzoek uit 1956 concludeerde dat eitjes van de bloedmijt niet uitkomen bij een temperatuur onder 12o C. Eitjes die bij een temperatuur beneden de 12o C zijn gelegd gaan zich verder ontwikkelen wanneer de temperatuur tot boven de 12o C oploopt. Mijten die werden ondergebracht in een temperatuur van -20o C bleven minimaal 10 minuten in leven, maar na 20 minuten waren ze allemaal dood. Bij 45° C  stierf 20% van de vogelmijten binnen 90 minuten en de rest was binnen 120 minuten dood. Alle vogelmijten die werden gehouden bij –20o, 45o en 65° C waren binnen 24 uur dood.20
De voor de bloedmijt optimale temperatuur ligt tussen 25o en 37o C. Dan is de eierenproductie hoog,  ontwikkelen de eitjes zich het snelst tot volwassen mijt en leven de volwassen mijten lang. Er is echter één voorwaarde aan verbonden, nl. de luchtvochtigheid. Eitjes, larven, protonimfen, deutonimfen en volwassen mijten zijn gevoelig voor verdroging. Een voor mijten ideale temperatuur tussen 25o en 37o C, maar gecombineerd met een lage relatieve luchtvochtigheid zijn voor de bloedmijt beduidend minder gunstig en leidt niet tot een voor de mijt optimale reproductie. Het best gedijen de mijten bij een temperatuur tussen 25o en 37o C én een luchtvochtigheid van 70-75%. Dit verklaart waarom gedurende de zomermaanden, wanneer de temperatuur wel gunstig, maar de luchtvochtigheid in de regel lager is, een mijtenexplosie minder vaak voorkomt dan in het voorjaar en najaar wanneer de temperatuur gedurende dagen omtrent 25o C kan zijn, maar daarenboven de relatieve luchtvochtigheid beduidend hoger is.21
Wat zijn voor ons, vogelkwekers, belangrijke conclusies uit alle studies naar het leven en de reproductiecapaciteit van bloedmijten?
-          Volwassen mijten kunnen heel lang blijven leven zonder bloedmaaltijd. Onder gunstige omstandigheden zeker tot 9 maanden.
-          Temperaturen lager dan -20o C en hoger dan 45o C zijn voor een bloedmijt dodelijk; niet à la minute, wel na verloop van tijd.
-          Wijfjes blijven tot relatief lage temperatuur eitjes produceren, mogelijk zelfs wanneer de temperatuur tot onder het vriespunt is gedaald. De eitjes ontwikkelen zich echter bij deze temperatuur niet verder. In ieder geval bij een temperatuur van 5o C en lager, mogelijk zelfs beneden 12o C, komen mijteneitjes niet uit. Ze zijn echter wel levensvatbaar en gaan zich ontwikkelen wanneer de temperatuur boven 12o C komt.
-          Warmte en hoge luchtvochtigheid zijn voor mijten ideale omstandigheden om zich in ijltempo te vermenigvuldigen, De meeste optimale omstandigheden zijn 25o-37o C en een relatieve luchtvochtigheid van 70-75%.

Mechanische en fysische bestrijdingmethoden
Toegespitst op de situatie in de stallen van de leghennen inventariseerden Rick van Emous e.a. in de praktijk toegepaste en in laboratoriumsituaties onderzochte bestrijdingsmethoden en rubriceerden die in een aantal categorieën. Men onderscheidde de volgende methoden van bloedmijtbestrijding: mechanische, fysische, chemische, fysiologische, biologische en overige bestrijdingsmethoden.22
Tot de mechanische bestrijding rekent men het branden, stofzuigen, gebruik van perslucht, etc. om verdachte plekken mijtvrij te maken. Deze methode werkt tijdelijk, maar het probleem keert ontegenzeggelijk terug.23
Tot de fysische bestrijding rekenen de auteurs de zogenaamde Thermokill methode. De kippenstal wordt in z’n geheel verwarmd tot een temperatuur van minimaal 45o C. Door verder ook de relatieve luchtvochtigheid te verlagen naar maximaal 15% drogen ook de eitjes uit. Het is de enige methode waarbij niet alleen de mijten en hun voorstadia, maar ook de eitjes worden vernietigd. Stallen die met deze methode zijn behandeld, zijn geruime tijd mijtvrij, zeker wanneer de mijten geen mogelijkheid hebben vanuit belendende ruimtes naar de schoongemaakte ruimte te verhuizen. Om het effect nog te versterken wordt de Thermokill methode vaak toegepast in combinatie met het gebruik van silicium oxide (silica/diatomeeënaarde)
Een nadeel van Thermokill is dat de hoge temperaturen schadelijk kunnen zijn voor het inventaris van de stallen en als gevolg van de geleidelijke toename van de warmte mijten op de vlucht kunnen slaan naar plekken waar de dodelijke temperatuur hen niet bereikt.24

Chemische bestrijdingmethoden
Het grote nadeel van chemische bestrijding van bloedmijten in stallen met leghennen is dat het bestrijdingsmiddel terug gevonden kan worden in de eieren. Het fipronil schandaal in 2017 is daar een sprekend voorbeeld van. De pluimveesector heeft daarom heel weinig mogelijkheden om de mijten langs chemische weg te bestrijden. Chemische stoffen die tot omstreeks de millenniumwissel of kort daarna door de pluimveesector werden gebruikt waren, de inmiddels in land- en tuinbouw verboden,  propoxur en carbaryl. In 2005 mochten de pluimveeboeren ook nog de ruimtes mijtvrij maken met cyfluthrin en dichloorvos, maar laatstgenoemde  insecticide is inmiddels ook verboden. Een artikel met cyfluthrin als werkzame stof mag sinds 1 september 2018 niet meer worden verkocht en de pluimveesector mag de nog in bezit hebbende restanten tot 1 maart 2019 opmaken. Meestal kennen wij wel de merknaam, maar niet de werkzame stof. Om even een déjà vu gevoel te geven  Carbaryl is de werkzame stof in Ocepou en de oude vertrouwde Vapona strip en het oude U3 bevatte dichloorvos. Propuxur is ook door Max Gerhards in zijn vogelverblijf gebruikt; het stinkt verschrikkelijk, maar is inmiddels dus ook een verboden product.
In de regel geldt eigenlijk voor nagenoeg alle chemische bestrijdingsmiddelen dat de mijt er mee in aanraking moet komen om het loodje te leggen. Blijven ze verstopt in kieren waar het middel hen niet raakt dan hebben ze er ook geen last van. Bovendien kunnen mijten lang zonder voedsel en zich dus ook lang verborgen houden. Sommige producten zijn wel geschikt om de mijten te bestrijden, maar alleen wanneer de kippen uit de ruimte zijn verwijderd. Verder bestaat het vermoeden dat bij een plotselinge afname van de mijtenpopulatie de overgebleven mijten met een hogere eierenproductie de mijtenbevolking weer op het oude niveau proberen terug te krijgen. Naast zelfbescherming door zich sneller te reproduceren houden mijten ook de soort in stand door relatief snel een resistentie tegen chemische bestrijdingsmiddelen op te bouwen.25 
Positieve ervaringen werden opgedaan met het plaatsen van mijtenvallen met in de val een chemisch bestrijdingmiddel. De vallen werden, bijvoorbeeld, geplaatst op plekken waar de mijten langs moeten op weg naar hun gastheer.26
De ervaring in 2005 was derhalve dat chemische bestrijding slechts tot een tijdelijke vermindering van de mijtenpopulatie leidt en het de vraag is of men veel energie moet spenderen aan het zoeken naar chemische bestrijdingsmethoden in de pluimveesector, omdat de voordelen vaak niet opwegen tegen de nadelen. Van Emous e.a. stelden in 2005 dat ‘door het ontstaan van resistentie en de discussie rond de voedselveiligheid het gebruik van chemische middelen een doodlopende weg is’.27 Het fipronil schandaal in 2017 is eigenlijk wel een goed voorbeeld van het gelijk van deze zienswijze voor de pluimveesector.

Fysiologische mijtbestrijding
Fysiologische mijtbestrijding is er op gericht het bloed van de vogel onaantrekkelijk te maken voor de vogelmijt. Hiertoe behoren vitaminen (B2) en knoflookpreparaten. Vitamine B2 zorgt voor een verandering van het bloed van de kippen. Het wordt donkerder (bruiner) en stroperiger. Dit maakt het bloed minder aantrekkelijk voor vogelmijten. Zij nemen hierdoor minder bloed op waardoor de ontwikkeling en vermeerdering afremt. Ook het sprayen van kippen en het vermengen van het drinkwater met een preparaat op basis van knoflook had tot gevolg dat mijten de lust tot het drinken van bloed verging en de levenscyclus van de bloedmijten onderbroken werd. Knoflook schijnt als bijkomend voordeel ook een gunstig effect te hebben ter voorkoming van E. coli. Het is mij  niet bekend of Vitamine B2 en knoflook op kanariebloed hetzelfde effect heeft als bij kippen, maar het zou me niet verbazen wanneer de verstrekking van zowel vitamine B2 als knoflook een voor de kanariekweker positief effect heeft op de bloedmijtenpopulatie. Of deze producten ook minder welkome bijwerkingen hebben is mij niet bekend.28

Biologische bestrijdingmethoden
Tot de biologische bestrijdingmethoden wordt het sprayen met biodiesel en het gebruik van silica gerekend. Kippenboeren hebben hiermee positieve resultaten  bereikt. Biodiesel, op basis van koolzaadolie, verdampt niet, is reukloos en volkomen biologisch afbreekbaar. Het doodt de luizen doordat de uitwendige ademhalingsopeningen op de rug van de vogelmijt verstopt raken door de vetzuren. Biodiesel moet gespoten worden op de plaatsen waar men luizen verwacht. Het werkt ongeveer 4 tot 6 maanden. Een belangrijk nadeel van dit middel is dat de diesel kan inwerken op het inventaris van de stal en de huisvestingsruimte van de vogels vervuilt.29
Siliciumdioxide ook wel silica genoemd komt voor in een kirstallijne en amorfe vorm. In de amorfe vorm vinden we siliciumdioxide in de skeletjes van fossiele kiezelwieren ook wel diatomeeën genoemd. Een delfstof waarin zich veel diatomeeën bevinden is diatomeeënaarde.  
De effectieve werking van silica bij de bestrijding van bloedmijt berust op de eigenschap dat silica een sterk absorberend vermogen heeft voor oliën en vetten. Door deze eigenschap tast het de waslaag van de vogelmijt aan, die daardoor uitdroogt en sterft. Diatomeeënaarde en silicaproducten op basis van gefossiliseerde plankton bestaan bovendien uit messcherpe deeltjes, de gefossiliseerde skeletjes van de kiezelwieren, die de huid van de mijt beschadigen als de mijt tegen het scherpe deeltje aanschuurt. Zonder de bescherming van een onbeschadigde washuid verdroogt de mijt en sterft. Door de fysieke werking is er voor de vogelmijt geen mogelijkheid tot resistentievorming tegen silica/diatomeeënaarde. Vanwege de gunstige resultaten met silica in de mijtenbestrijding worden de producten op basis van silica voortdurend gemodificeerd, met een betere en langduriger werking.30
Van Emous e.a hebben in 2005 ook een inventarisatie gemaakt van natuurlijke vijanden die bij de bestrijding van bloedmijten in pluimveestallen ingezet zouden kunnen worden en de daarmee bereikte resultaten. De door bacterie Bacillus thuringiensis geproduceerde stof endotoxine is, zoals men al in 1911 heeft ontdekt, giftig voor diverse insecten en blijkt ook dodelijk te zijn voor de bloedmijt. Andere met name genoemd natuurlijk vijanden van de bloedmijt zijn bepaalde schimmels en jachtmijten. Een potentiële inzetbare vijand van de bloedmijt is de tempexkever, ware het niet dat hij ook schade toebrengt aan de isolatie in de stallen. Proeven met de roofmijt Cheyletus eruditus werden in 2005 als minder veelbelovend beoordeeld. Het zijn nu juist roofmijten die in de jaren na 2005 zijn omarmt als natuurlijke vijanden van bloedmijten, die bij de bestrijding ingezet kunnen worden. Ook de  oorwurm is een natuurlijke vijand van de bloedmijt.31
Tenslotte rangschikten van Emous e.a. een mengsel van groene zeep en spiritus en kalk/krijt ook tot de biologische bestrijdingsmethoden. 32 

Overige bestrijdingmethoden
Onder de noemer ‘Overige bestrijdingsmethoden’ noemen van Emous e.a. een scala aan producten die ze in literatuur hebben gevonden en tegen bloedmijt worden ingezet. We zullen hier een aantal noemen: lokstoffen, ultrasoon geluid, bladeren van tabaksplanten en urine van konijnen. Verder etherische oliën, vervaardigd uit: koriander, mosterd, mierikswortel, soorten van de Citrus, Cymbopogon (citroengrassen), Eucalyptus, Juniperus (jeneverbes), Mentha (munt), Origanum (marjolein) en Pimenta (piment).  Het meeste succes tegen bloedmijten werd bereikt wanneer de uit deze planten vervaardigde oliën werden verdampt en kennelijk invloed hadden op het ademhalingssysteem van de bloedmijt. Ook het verstuiven van de frisdrank cola gaf een vermindering van het aantal bloedmijten te zien. Bij alle proeven met voornoemde bestrijdingsmethoden was sprake van een (tijdelijke) afname van de mijtenpopulatie; niet van een algehele eliminatie van het mijtenprobleem.33

Reiniging en desinfectie
Tenslotte wijst men er in het rapport op dat reiniging en desinfectie een belangrijk preventief middel is tegen bloedmijten. Pluimveehouders wordt geadviseerd wanneer de stallen zijn geruimd en men op een nieuwe zending leghennen wacht de ruimte grondig schoon te maken. Dit betekent los inventaris zoveel mogelijk verwijderen, alle droge resten, stof en mest, verwijderen met bezem en stofzuiger en daarna met veel water, het liefst heet, met schoonmaakmiddel, zeep en spiritus, en hogedrukspuit de ruimte ‘uitsoppen’ tot in alle gaten en kieren. Bloedmijten zijn nl. gevoelig voor water en heet water is dodelijk. Het meeste effect heeft deze ‘grote schoonmaak’ wanneer de stallen nog warm zijn van de kippen die erin verbleven hebben.34
Wij, kanariekwekers, kunnen deze adviezen ter harte nemen en wanneer mogelijk hetzelfde toepassen op onze vogelverblijven en hokken, bijvoorbeeld aan het begin van het broedseizoen. Niet dat we hiermee een mijtenplaag voorkomen, maar we maken het de bloedmijten in ieder geval lastiger om zich al vroeg in het broedseizoen explosief te vermenigvuldigen.

Het rapport uit 2005 versus huidige situatie voor pluimveesector en vogelhouder
Het rapport waaraan bovenstaande is ontleend dateert uit december 2005. Inmiddels zijn we geruime tijd verder en hebben de ontwikkelingen niet stilgestaan. Een actuele studie, die qua gedegenheid vergelijkbaar is met die uit 2005, is niet voorhanden. Op websites van professionele bloedmijten bestrijders in de pluimveesector krijgen we een indruk welke methoden tegenwoordig het meest frequent worden toegepast. Dan blijkt dat veel methoden die in het rapport van R. Elmous, e.a. 2005 beschreven of genoemd worden nog steeds gebruikelijk zijn. Omdat Max Gerhards in zijn artikel ons adviseert bij de pluimveesector een kijkje te nemen, opdat we wellicht ideeën kunnen opdoen die voor ons toepasbaar zijn, gaan we hier verder op in.

Bestrijding met hoge temperatuur en lage luchtvochtigheid - Thermokill
De door van Emous, e.a. beschreven Thermokill methode wordt nog steeds vrij algemeen in pluimvee stallen toegepast. De bestrijding is gebaseerd op het feit dat mijten in een omgeving met een temperatuur boven 45o C sterven en eitjes bij een relatieve luchtvochtigheid van 15% en lager uitdrogen. Stallen worden gedurende enkele dagen aan deze omstandigheden blootgesteld en de ruimte is daarna voor lange tijd vrij van bloedmijten. Een firma die zich in de Thermokill methode heeft gespecialiseerd is, bijvoorbeeld, Van Eck Bedrijfshygiëne bv in Son en Breugel.35 
Mij lijkt deze methode van opwarmen tot ca. 45o C en uitdrogen heel lastig toe te passen in onze vogelverblijven, te meer daar de behandeling enkele dagen duurt. Plaatselijke verhitting in de vorm van branden en stomen is een slap aftreksel van de Thermokill methode die wel voor ons toepasbaar is. Max Gerhards noemde ze al in zijn artikel in ons clubblad.36 Het werkt op de korte termijn doeltreffend tegen de levende stadia van de mijt die met de hitte in aanraking komen. Er zullen echter in gaten en kieren altijd eitjes en mijten buiten schot blijven, die gestimuleerd worden zich extra te vermenigvuldigen, omdat de populatie als gevolg van het stomen en branden ernstig is gedecimeerd. Stomen en branden helpen wel, echter voor de korte termijn. Het blijft overigens oppassen voor schade aan het (kooien) materiaal dat aan dergelijke hoge temperaturen wordt blootgesteld.

Insecticiden – Solfac, Spionosad, Elector, Exzolt en ivermectine
Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Cgtb) had tot en met de fipronilaffaire twee middelen toegelaten ter bestrijding van bloedluis in de pluimveesector: Elector op basis van spinosad en Solfac-vloeibaar op basis van cyfluthrin.37 
De toelating van het product Solfac is inmiddels ingetrokken. Het product mocht door producent Lifarma bv tot 1 september 2018 geleverd worden, en de pluimveesector heeft toestemming tot 1 maart 2019 de aanwezige restanten te gebruiken.38
Spinosad is een insecticide dat bestaat uit een mengsel van chemische stoffen die het gevolg zijn van een gistingsproces van de bodembacterie Saccharopolyspora spinosa. Het gistingsproces produceert meer dan 10 verwante stoffen die ieder worden aangeduid met een letter. Spinosym A en D vertonen een insectendodende werking. Spinosad betaat voor 50-95% uit Spinosyn A  en voor 5-50% uit Spinosyn D. Omdat spinosad van bacteriën afkomstig is en geen synthetische stof, is het geschikt om te combineren met biologische bestrijdingsmethoden.  Spinosad mag daarom o.m. als luisbestrijdingsmiddel worden toegepast in pluimveestallen.39  
Spinosad is verwerkt in het luisbestrijdingsmiddel Elector. Uit een begin 2017 door de WUR gehouden enquête, met overigens maar een respons van 5%, en dus niet representatief, bleek dat van de 44 respondenten er één was die Elector gebruikte, of gebruikt had.40 
Max Gerhards heeft Elector ook gebruikt en geconcludeerd dat het nauwelijks effect had op de mijtenpopulatie in zijn vogelverblijf. Zijn conclusie over dit relatief dure artikel was kort en bondig: Zonde van het geld.41
Terwijl de pluimveesector nog druk bezig was de wonden te likken die de fipronilkwestie had veroorzaakt lanceerde op 3 oktober 2017 farmaceut MSD Animal Health een nieuw middel tegen bloedmijt: Exzolt. Het is het eerste geregistreerde dierengeneesmiddel voor de bestrijding van vogelmijt en wordt via het drinkwater toegediend. Exzolt wordt uitsluitend op doktersrecept verstrekt aan pluimvee bedrijven. De werkzame stof in Exzolt is fluralaner, dat te boek staat als geneesmiddel, maar bijzonder effectief blijkt te zijn tegen bloedmijt. De eerste reacties van pluimveeboeren die Exzolt hadden verstrekt waren bijzonder positief. Ze bleven gedurende lange tijd volkomen mijtvrij. Over de prijs van Exzolt wordt nogal geheimzinnig gedaan. Een pluimveebedrijf in Hekendorp met 120.000 leghennen was voor een kuur met Exzolt bijna 20 cent per kip kwijt. De werking van Exzolt lijkt erg op die van ivermectine. Door het drinken van water waarin Exzolt is vermengd komt de fluralaner in de bloedbaan. De bloedmijt drinkt dit bloed en de werkzame stof tast het zenuwstelsel van de bloedmijt aan die vervolgens sterft.42  
De pluimveesector, na de fipronilaffaire bijzonder huiverig geworden voor het gebruik van niet-biologische bestrijdingsmiddelen, staat vooralsnog niet massaal te trappelen om leghennen drinkwater met Exzolt te verstrekken. Er zijn zelfs (Duitse) supermarkten die van de aanleverende pluimveebedrijven eisen dat ze geen Exzolt gebruiken.43 
Het is me niet bekend of Exzolt, via de dierenarts, ook beschikbaar is voor de vogelhobbyist. De werkzame stof in Exzolt, fluralaner, bevindt zich wel in een middel dat teken en vlooien bij honden en katten bestrijdt. Dat artikel heet Bravecto en is ook uitsluitend met een recept van de dierenarts verkrijgbaar. Overigens is het gebruik van Bravecto niet onbesproken.
De opmerkzame lezer is wellicht opgevallen dat de werkzame stof ivermectine nog niet is genoemd. Tenslotte is dit in menig voor siervogelhouders en -fokkers bestemd bloedluis bestrijdingsmiddel verwerkt. Omdat sporen van ivermectine in eieren teruggevonden wordt is het gebruik van een medicijn of bestrijdingsmiddel op basis van ivermectine in de pluimveesector verboden. Gebruik je als luisbestrijdingsmiddel in je vogelverblijf een artikel met ivermectine als werkzame stof, bijvoorbeeld Parasita, dan komt de ivermectine dus ook in de eieren van je vogels. Welke invloed dat kan hebben op het kuiken in het ei, is mij niet bekend.44

 Onsmakelijk bloed
In hun rapport besteden van Emous, e.a. ook ruimschoots aandacht aan het toevoegen van natuurlijke stoffen aan het drinkwater en voer van kippen waardoor het bloed van de gastheer minder aantrekkelijk wordt voor de bloedmijt. Positief berichten zij over proeven met vitamine B2 en knoflookpreparaten. Het principe om kippenbloed zo onaantrekkelijk voor de bloedmijt te maken dat hem de lust tot het drinken van dit bloed vergaat is na 2005 verder ontwikkeld en heeft zelfs de markt voor de siervogelhouders bereikt.
Hoewel op veel websites, in navolging van onderhavig rapport, Vitamine B2 wordt genoemd als een voedingssupplement waarvan bloedmijten niet gecharmeerd zijn is mij geen producent bekend die een artikel met vitamine B2 als werkzame stof als luisbestrijdingsmiddel op de markt brengt.
Van Emous e.a. zijn positief over het effect van knoflook op de bloedmijtpopulatie. De werkzame stof in knoflook, allicine, vervluchtigt echter snel. De auteurs noemen het product Nopex-Bk, een vloeistof dat 10.000 maal geconcentreerder is dan knoflookpoeder en waarin de allicine stabiel blijft. De ervaringen met dit product waren in 2005, vooralsnog, veelbelovend. Nopex-Bk wordt nog steeds geproduceerd, maar ik heb alleen Britse websites gevonden die het te koop aanbieden. In Nederland zijn echter ook producenten die een voedingssupplement hebben ontwikkeld met allicine als bestanddeel; voor zover mij bekend niet specifiek voor de pluimveesector, maar meer in het bijzonder voor de siervogelhouders: Refona brengt Bio Allicine Bird en Koudijs  Garlic Allicin op de markt. Ze melden vooral dat de allicine conditieverbeterend is en als gunstig neveneffect dat bloedmijten er een hekel aan hebben. Artikelen, op basis van allicine, die expliciet op de markt zijn gebracht als mijtbestrijdingsmiddel heb ik niet kunnen vinden.
De firma Schippers in Bladel richt zich wel expliciet op de pluimveesector. Onder de merknaam MS Schippers brengt het MS Mite Extract op de markt, dat is samengesteld uit plantenextracten en aan het drinkwater van de kippen moet worden  toegevoegd.45 De plantenextracten zorgen er voor dat het door de luis opgezogen vogelbloed in het lichaam van de mijt stolt. Het middel is te koop in jerrycans van 10 liter en kost, incl. BTW,  € 315,00 per 10 liter.
Een andere firma die een vergelijkbaar product heeft ontwikkeld  en vanaf 2015 op de markt brengt is DGW Pharma Animal Health. Het door deze producent ontwikkelde middel Finecto Pro Oral moet aan het voer worden toegevoegd en bevat o.m. knoflook en citronella.46 Bloedmijten vinden het bloed van vogels die dit voer hebben gegeten niet smakelijk en mijden het.47  Volgens een woordvoerder van het bedrijf is het middel, voordat het op de markt verscheen, getest op 160.000 leghennen.48 Voor vogelhobbyisten is een vergelijkbaar middel op de markt onder de naam Finecto + Oral.49
Sinds hierover in november 2017 een artikel in ‘Onze Vogels’ verscheen is Avimite ook onder vogelkwekers een bekender product geworden. Avimite wordt via het drinkwater aan de vogels gegeven. Bloedmijten die het bloed opzuigen van vogels die drinkwater met Avimite hebben gedronken kunnen dat niet verteren en worden apathisch. De mijt neemt daardoor niet meer een voor de reproductie noodzakelijke nieuwe bloedmaaltijd en de populatie sterft op den duur  uit bij gebrek aan nageslacht. Althans dat is de bedoeling. Hiervoor zagen we dat een bloedmijt 8-9 maanden zonder een bloedmaaltijd in leven blijft, dus het kan even duren.
Voor de goede orde: Avimite is dus geen bestrijdingsmiddel dat bloedmijten op korte termijn doodt!  Desgevraagd mailde de aan de WUR verbonden Monique Mul mij dat Avimite een merknaam is van het door het Franse Eurotec´h geproduceerde LentyPou+. Dit wordt door Dosupps, een onderdeel van het te Tienray gevestigde bedrijf Dosers BV, ook  in Nederland aan pluimvee bedrijven verkocht onder de naam Hensupp+. Eurotec’h is een te Morlaix (Bretagne) gevestigde firma, die gericht is op de biologische veeteelt. Het door dit bedrijf geproduceerde bloedmijt bestrijdingsmiddel LentyPou+ wordt in 23 landen onder 14 merknamen verkocht; in België dus onder de naam Avimite, in Nederland als Hensupp+. Van de door Eurotec’h in Morlaix geproduceerde LentyPou+ wordt 50% geëxporteerd. De werkzame stof in LentyPou+ bestaat uit o.m. extracten van tijm, boerenwormkruid en klit of klis.50
Ik kan me overigens voorstellen dat men in de pluimveesector heel huiverig is voor het toevoegen van  bepaalde supplementen als ‘aromatische stoffen’ aan het voer van leghennen. Visresten, een prima voertje en vroeger bij ons thuis volop voorhanden, werd door mijn vader nooit aan de kippen gegeven, omdat de eieren een vis bijsmaak kregen. De voornoemde WUR enquête uit 2017 vermeld één respondent die Hensupp+ heeft gebruikt, maar niet weet of het effect op het aantal bloedmijten in z’n stallen had.
Mij bekende, op dit moment voor vogelhobbyisten verkrijgbare en bestemde, niet chemische, artikelen, die aan voeding of drinkwater moeten worden toegevoegd en een positief effect zouden hebben op de bloedmijtbestrijding, zijn: Bio Mite Free van Refona en de al eerder genoemde Finecto+ Oral en Avimite.
De producenten geven niet graag het geheim van de smid prijs; nergens wordt vermeld welke werkzame stof het middel bevat dat mijtverdrijvend zou zijn. Refona beperkt zich tot de opmerking dat Bio Mite Free, dat aan het drinkwater moet worden toegevoegd, ‘natuurlijke kruiden’ bevat. Voornoemd Finecto+ Oral, dat met het voer moet worden vermengd, bevat ‘aromatische stoffen’. Van LentyPou+/Avimite/Hensupp+ zagen we dat natuurlijke extracten van tijm, boerenwormkruid en klis of klit, waarvan de wortel veel gelijkenis vertoont met de pastinaak, een belangrijk bestanddeel vormen.
Voor vogelhobbyisten is in het Nederlandse taalgebied LentyPou+ dus verkrijgbaar als Avimite en wel bij het Belgische ‘Ark van Pollare’.  Na enig zoekwerk is door mij een schimmige Franse webwinkel gevonden, t.w. het in het Franse Volgelsheim (Elzas) gevestigde Blue Cristal Sas, die LentyPou+  aan particulieren verkoopt voor een aanmerkelijk lagere prijs dan waarvoor Avimite verkocht wordt. Het op de Franstalige versie van de website aangeboden LentyPou+ is overigens duurder dan op de Duitstalige!51
Objectieve onderzoeksresultaten over het nuttig effect van voornoemde producten in zowel pluimvee bedrijven als bij vogelhobbyisten heb ik op internet tot dusver niet gevonden.  Van Monique Mul, onderzoeker op de WUR, vernam ik dat op 12 november 2018 het project  MiteControl is gestart. Daarin wordt o.m. onderzocht wat de werking en nuttige effecten van voedingssupplementen zijn bij het bestrijden van bloedmijten. De eerste onderzoeksresultaten worden pas in 2022 verwacht. Nog even geduld hebben dus.52

Silica en diatomeeënaarde
Amorfe silica en diatomeeënaarde zijn sedert 2005 breed ingezet ter bestrijding van bloedmijten, zowel in de professionele pluimveesector als door siervogelhouders. Vanuit ‘Wageningen’ is lange tijd het gebruik van silica geadviseerd als onderdeel van een totaalpakket dat de overlast van bloedmijten in pluimveestallen moet inperken. Zo werd aan de ‘Thermokill’ methode verbonden dat men de stallen waarin de kippen gehuisvest waren eerst grondig moest schoonmaken, vervolgens via de ‘Thermokill’ methode moest verhitten om de aanwezige mijten te doden en als preventie voor het ontstaan van een nieuwe mijtenpopulatie daarna de ruimte met vloeibare silica moest behandelen. Na opdroging blijft er een fijn laagje silicapoeder achter. Deze methode wordt algemeen in de pluimveesector toegepast en garandeert een langdurige periode mijtvrij, mits men op het bedrijf de vereiste preventiemaatregelen qua hygiëne, enz. blijft voortzetten.53  Uit de al eerder aangehaalde, begin 2017 gehouden, enquête onder pluimveehouders blijkt het gebruik van silicaproducten tegen bloedmijten populair te zijn en door de boeren ook als doeltreffend wordt beoordeeld.54
De firma van Eck bv in Son en Breugel heeft zich o.m. toegelegd op het mijtvrij maken van kippenstallen met behulp van de ‘Thermokill’ methode, maar is bovendien gespecialiseerd in het behandelen van de kippenstallen met vloeibare silica. Van Eck levert ook silica in poedervorm aan siervogelhouders in de vorm van het artikel Home Shield.55
Het gebruik van silica is echter niet onomstreden. Het fijne poeder zou bijzonder schadelijk zijn voor de longen en dus voor de gezondheid van mens en dier. Om deze reden kwam silica op een lijst met producten die vanaf 1 juli 2015 verboden zijn.56 
Waarom er anno 2019 nog steeds silica in pluimveestallen gespoten wordt is me enigszins duidelijk geworden.  Het is zo klaar als een klontje dat de pluimveesector en de bedrijven die voor een deel afhankelijk zijn van de bloedmijtbestrijding allerminst staan te juichen voor een silica/diatomeeënaarde verbod. Aanvankelijk vielen silica en diatomeeënaarde onder de Regeling Uitzondering Bestrijdingsmiddelen (RUB) en daardoor was het gebruik van dit middel, hoewel er dus een discutabel luchtje aan zat, wettelijk toepasbaar.57 
In juli 2018 werd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Cgtb) officieel afgekondigd dat de op de RUB lijst vermelde producten  nog tot 1 oktober 2018 aan de clientèle verkocht en de bij de gebruikers aanwezige voorraden nog tot 1 oktober 2019 verwerkt mochten worden. De’ gedoogconstructie’ met de RUB uitzonderingen verdween dus.58 Wel was aan de fabrikanten van producten die op de RUB lijst stonden vermeld aangeboden  het door hen gefabriceerde middel te melden bij het Ctbg met het verzoek de werkzame stof te onderzoeken en bij een positieve eindbeoordeling een verklaring af te geven dat het middel toegepast mocht worden.59 
Op de lijst van producenten en artikelen die van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt en waarvan het product, vooralsnog, vrij te koop is, staan ook bloedmijt bestrijdingsmiddelen op basis van silica en diatomeeënaarde.60  Voorlopig blijven de producten van deze bedrijven dus beschikbaar voor de pluimveesector en dus ook voor de vogelhouders.  Een belangrijke speler op de markt van mijtbestrijding is van Eck bv. Uiteraard heeft dit bedrijf ook producten op basis van silica en diatomeeënaarde aangemeld voor blijvend gebruik, i.h.b. Silica VE. Wel adviseert van Eck in een op 4 september 2018 gedateerde power point presentatie, waarin ook een stukje geschiedenis en regelgeving is verwerkt, de gebruiker bij de verwerking  van genoemde middelen ademhalingsbescherming toe te passen; een advies dat wij, siervogelhouders, maar ook ter harte moeten nemen wanneer we silica in onze hokken en vluchten spuiten of strooien.61 
Slotsom, silica/diatomeeënaarde heeft zijn nuttig effect in de strijd tegen bloedluis in de afgelopen jaren ruimschoots bewezen, is als bestrijdingsmiddel populair in de pluimveesector en zal, ondanks alarmerende berichten in het recente verleden, naar het zich nu laat aanzien, voorlopig beschikbaar blijven voor zowel de pluimvee sector als de hobbyist.

Roofmijten
Was de inzet van roofmijten tegen bloedluis in pluimveestallen in 2005 nog in een proefondervindelijk stadium, in het afgelopen decennium is de luisbestrijding met behulp van roofmijten onderwerp van grondige studie geweest en zijn er op dit moment pluimveebedrijven die roofmijten inzetten om bloedluizen in de stallen te bestrijden. Daarnaast heeft de firma Refona zich gestort op de markt van de vogelhobbyist en zij brengt roofmijten op de markt onder de merknaam Dutchy’s.
In 2012-2013 verschenen de resultaten van het door Emilie Sion uitgevoerd onderzoek naar de inzetmogelijkheden van een specifieke roofmijt, t.w. Hypoaspis miles, in de modernere literatuur ook wel aangeduid als Stratiolaelaps scimitusis, bij de  bestrijding van bloedmijten in kippenstallen.62 Tegelijk met de studie van Emilie Sion verscheen die van Benoit  Dutordoir, die zich dezelfde onderzoeksvraag had gesteld, maar dan voor de roofmijt Androlaelaps casalis.63
Naast het gebruik van de door de beide Belgische onderzoekers bestudeerde roofmijten ben ik op internetsites ook de roofmijten Cheyletus eriditusen, Armascirus taurus, ‘Androlis’, en de tempex kever (Alphitobius diaperinus) als bloedluisbestrijders tegengekomen.64  
Peggy Friessen, Brenda van Rooij en Amy Verhoeven hebben in Nederland een onderzoek gedaan naar de ervaringen van pluimveehouders met de inzet van roofmijten. De bevindingen van de onderzoekers was dat 20% van de geënquêteerde bedrijven ervaringen hadden met de inzet van roofmijten, maar de waardering sterk uiteenliep, nl. 19% was tevreden tot zeer tevreden, terwijl 48 % ontevreden tot zeer ontevreden was.65 Uit voornoemde WUR enquête uit 2017 blijkt dat het gebruik van roofmijten op pluimveebedrijven om bloedmijten te bestrijden zich tot een zeer kleine minderheid beperkt.66 
De gemengde reacties met betrekking tot de inzet van roofmijten in de pluimveesector heeft de firma Refona er niet van weerhouden ook roofmijten op de markt te brengen voor de vogelhobbyisten. Ze zijn te koop onder de merknaam Dutchy’s. Dutchy’s zijn roofmijten, vlgs de fabrikant,  uit de familie Laelapidae. Dat is een wel heel grote groep, waartoe ook de mijten behoren die beide Belgen hebben onderzocht. Refona verkoopt ook ‘Androlis’ roofmijten. ‘Androlis’ is geen wetenschappelijk naam en ik heb dus niet kunnen achterhalen welke mijt dit precies is, mogelijk is het een verbastering van Androlaelaps en dan behoort deze mijt tot dezelfde familie Laelapidae. De reacties over het gebruik van roofmijten tegen bloedmijten uit kringen van siervogelhouders zijn niet allemaal laaiend enthousiast, maar lijken wat positiever dan die  uit de pluimveesector.67 Mogelijk dat de resultaten met roofmijten in kleine, afgesloten ruimtes beter zijn dan in grote stallen.

Kalk/krijt
Als we de resultaten van voornoemde enquête uit 2017 doornemen ontdekken we een in de pluimveesector toegepast middel dat ook door Rick van Emous e.a. in hun rapport uit 2005 wordt genoemd en in kanariekwekers kringen sinds mensenheugenis wordt gebruikt: witkalk/krijt. Bloedmijten hebben graag een hoge relatieve luchtvochtigheid, maar een hekel aan nat en droogte is fataal voor ze. Kalk en krijt onttrekken vocht aan de omgeving en zorgen voor een microklimaat van extreme droogte met als gevolg dat de mijten het loodje leggen. Mogelijk, maar daar heb ik geen aantoonbaar bewijs voor gevonden, tast het witkalk of krijt ook de waslaag van de mijt aan wanneer beide met elkaar in aanraking komen. De mijt z’n bescher-mingslaag is dan beschadigd en hij droogt uit. Een Nederlandse pluimveehouder die in Bulgarije wat had rondgekeken was opgevallen dat men daar in de pluimveebedrijven heel veel met kalk werkte en hij nauwelijks bloedmijten had geconstateerd.68

Groene zeep
Opvallend in het rapport over voornoemde enquête uit 2017 vond ik dat de combinatie zeep en spiritus een enkele keer was aangekruist. Je kunt geen website op internet openen over de bestrijding van bloedluis of (groene) zeep en spiritus wordt genoemd als een bestrijdingsmiddel, dat weliswaar het mijtenprobleem niet oplost, maar wel verkleind. Ook van Emous e.a. melden dat dit middel in wetenschappelijke literatuur als bestrijdingsmiddel wordt genoemd.69  Nergens heb ik echter kunnen vinden wat nu precies de werking van de zeep en de spiritus op de bloedmijt is. Mogelijk dat de in de zeep aanwezige vetzuren het ademhalingssysteem van de mijt aantasten waardoor deze stikt. Voorwaarde voor een effectieve bestrijding is wel dat de mijt met het zeep/spiritus mengel in aanraking moet komen. In nauwe kiertjes waar het zeepvocht niet komt zit de mijt dus betrekkelijk veilig. Eenmaal opgedroogd schijnt de zeep z’n effectieve werking tegen bloedmijten te hebben verloren.

Oliehoudende stoffen
In 1750 adviseerde van Wickede kanariekwekers de lijfjes van jonge kanaries in te smeren met olijfolie zodat de bloedluizen die over de huid van de jongen kropen in de olie verstrikt zouden raken en dood zouden gaan. Van Wickede schreef zijn boekje mede op basis van ‘meer dan vyf en twintig jarige ondervinding’. We mogen daarom aannemen dat van Wickede zelf ook menig maal het olijfoliekwastje heeft gehanteerd. Tweehonderd vijftig jaar later  zijn oliehoudende stoffen onderwerp van wetenschappelijk onderzoek naar de bestrijding van bloedmijt. Van Emous e.a. hebben de ervaringen met olie als luisbestrijdingsmiddel op een rijtje gezet en zich vooral beperkt tot oliën van plantaardige oorsprong. In hun rapport uit 2005 worden o.m. positieve conclusies getrokken uit het gebruik van biodiesel. Biodiesel, op basis van koolzaadolie, verdampt niet, is reukloos en volkomen biologisch afbreekbaar. Het doodt de luizen doordat de uitwendige ademhalingsopeningen op de rug van de vogelmijt verstopt raken door de vetzuren.70 Het moet gespoten worden op plaatsen waar de bloedmijten zich bevinden en blijft 4-6 maanden werkzaam. Kleine haarden kunnen ook met een kwast(je) behandeld worden. Hetzelfde geldt voor koolzaadolie, slaolie en zonnebloemolie.71
Uit de al eerder genoemde WUR enquête uit 2017 blijkt dat, op silicaproducten na, oliehoudende middelen het meest door de respondenten wordt genoemd als een bestrijdingsmiddel waarmee bevredigende resultaten worden bereikt in de strijd tegen de bloedmijt in hun stallen met leghennen.
Hoewel ik ooit wel heb gehoord dat kwekers de uiteinden van de zitstokken met een olie/vetachtige stof insmeerden, heb ik over de toepasbaarheid van oliehoudende stoffen in ons vogelverblijf zo mijn bedenkingen. Ik kan me voorstellen dat niet iedereen er op zit te wachten om de gaatjes, spleetjes en kiertjes in zijn vogelhokken in te smeren met een kleverig goedje. Als er een schoner alternatief voor handen zou zijn, zou dat toch mijn voorkeur hebben.

Reacties op artikel Max Gerhards
In zijn  artikel in clubblad 2018-2 vroeg Max Gerhards om reacties. Ik ont-ving een praktijkervaring van ons lid Koos van der Hulst uit Waddinxveen.  Hij mailde me dat hij als nestmateriaal,  in zowel de broedkooien als volière, altijd paardenhaar gebruikt en in de nesten geen spoor van bloedmijten aantreft. Verder wordt al het nestmateriaal, nestkastjes en touwnestjes, na de broed door hem grondig schoongemaakt met chloor. Hij heeft geen last van bloedluis.
Een Engelse kanariekweker, waarmee ik gecorrespondeerd heb, zweert ook bij het gebruik van bleekmiddel om overlast van bloedmijten te voorkomen/bestrijden.
In bovenstaande  hebben we ons met name gericht op de pluimveesector en geconstateerd dat  ivermectine in de pluimveesector niet mag worden toegepast. Ivermectine wordt overigens volop gebruikt bij de bestrijding van teken en wormen bij, bijvoorbeeld, paarden, schapen en geiten. Onlangs vertelde een NZHU lid me dat hij een dierenarts had gesproken die, voor bestrijding van bloedluis, Oramec had voorgeschreven en had gehoord dat dit goede resultaten opleverde. Oramec is eigenlijk een wormbestrijdingsmiddel voor schapen of geiten, met ivermectine als werkzame stof. Oramec moet via het drinkwater worden verstrekt en dat is aanzienlijk gebruiksvriendelijker en minder stressvol voor de vogels dan het druppeltje in de nek. Evenals leghennen mogen ook zoogdieren die melk produceren voor menselijke consumptie geen genees- of bestrijdingsmiddelen verstrekt krijgen op basis van ivermectine.

Slot
In z’n al meerdere keren aangehaalde artikel adviseert Max Gerhards ons een kijkje te nemen in de pluimveesector en kennis te nemen van de ervaringen van de kippenboeren met de bestrijding van bloedluizen of beter gezegd bloedmijten. In bovenstaande zijn we uitvoerig in de wereld van de kippenboeren en hun leghennen gedoken en kunnen een aantal conclusies trekken m.b.t. het luizenprobleem in onze tak van sport.
In maart 2017, dus voor het bekend worden van het gebruik van fipronil in pluimveestallen door de firma Chickfriend, werden de resultaten gepubliceerd van een door de WUR (Wageningen) uitgezette enquête over bloedmijtbestrijding door pluimveehouders.72 Slechts 5% van de Nederlandse pluimveehouders. t.w. 44, hebben de enquête ingevuld. De enquête is dus verre van representatief, maar opvallend is de grote variatie in mijtbestrijdingsmiddelen en methoden die door de respondenten werd genoemd, nl.  37, waaronder Chickfriend. Vaak was een specifiek middel of methode maar één keer aangevinkt. Gezien het aantal vinkjes en het aantal respondenten kunnen door één pluimveeboer meerdere middelen gebruikt zijn. Te denken valt dan aan schoonmaak en/of ontsmettingsmiddel in combinatie met een silicaproduct  Het overzicht is typerend voor het oerwoud van informatie en methodes die je op internet tegenkomt over de bestrijding van bloedmijt voor zowel de professionele pluimveesector als de vogelhobbyist. Het maakt ook duidelijk dat het een illusie is om te denken dat één methode/middel het bloedmijtprobleem kan oplossen. Voor ons, zangkanariekwekers, is het zo klaar als een klontje dat bloedmijtbestrijding anno 2019 zich niet meer beperkt tot de waarneming van luizen, een pot of flesje uit een kastje, wat spuiten of strooien en weg is het probleem. Het vrij blijven van bloedmijten vereist jaarrond aandacht, bestaande uit: goede hygiëne, preventieve maatregelen, observatie en controle en, indien nodig, bestrijding. Jaarrond, want de temperaturen in onze hokken bereiken nooit waarden waarop de bloedmijt geen bloed meer zuigt en geen eitjes meer legt. Weliswaar zijn de mijten bij lagere temperaturen minder actief en komen beneden de 12o C de eitjes niet uit, maar ze worden wel geproduceerd en o wee als de temperaturen hoger worden.
Kijken we nog even naar de resultaten van de enquête dan springt het gebruik van silicaproducten er wel uit.  Vrijwel iedere pluimveehouders heeft na gebruik van het middel een daling van het aantal bloedmijten geconstateerd en het schap op internet met artikelen op basis van silica of diatomeeënaarde heeft  een respectabele lengte. (In het Duitstalige gebied spreekt men van ‘Kieselgur’. Een bloedluis of bloedmijt
heet in het Duits ‘rote Vogelmilbe’ of gewoonweg ‘Milbe’. In het Engelstalige gebied wordt diatomeeënaarde op de markt gebracht als ‘Diatomaceous Earth’; een bloedluis wordt in het Engels ‘red mite’ genoemd) Als we iets kunnen leren van de pluimveesector dan is het dus dat het gebruik van silica en diatomeeënaarde in ons vogelverblijf ons bloedluisprobleem kan verkleinen. Er zijn, ook voor vogelhouders, diverse artikelen te koop met silica/diatomeenaarde als werkzame stof. Kies vooral voor een product dat zo min mogelijk stuift; nog beter: in vloeibare vorm kan worden opgebracht. Wat googelen en je hebt te kust en te keur in zowel het Nederlandse- als Duitstalige gebied. (De markt in Groot Brittannië wordt waarschijnlijk na de Brexit voor ons wat minder gemakkelijk toegankelijk) Denk aan de ademhalingsbescherming! Bedenk wel dat alleen silica strooien of spuiten geen garantie is voor een mijtvrij vogelverblijf.
Van toenemend belang lijken middelen te worden op basis van natuurlijke producten, zoals planten extracten, die aan het drinkwater of voer moeten worden toegevoegd en de bloedmijt weliswaar niet direct doodt, maar wel de populatiegroei afremt. Aan de universiteit van Wageningen is men het pro
-ject MiteControl begonnen wat ons o.m. hierover in de toekomst  ongetwijfeld waardevolle info zal verschaffen.
Het is al met al een heel verhaal geworden. Ik heb geprobeerd me zoveel mogelijk te baseren op wetenschappelijk onderzoek en praktijkervaringen van pluimveebedrijven en met een kritisch oog te kijken naar de verkoopverhaaltjes van producenten op internet en naar websites met opmerkingen en reacties van hobbyisten waarop het ‘roept u maar’ gehalte mij vrij hoog lijkt. Mocht je je verder willen interesseren in deze materie? Met de in onderstaande noten gelinkte websites en via Google en wat trefwoorden kun je dagen zoet zijn met het scala aan info dat via internet te verwerven is, met het risico dat je na verloop van tijd door de bomen het bos niet meer ziet, zoals mij bij het schrijven van dit artikel regelmatig is overkomen.  

Noten
1. Gerhards, Max, Bloedmijten, een onuitroeibare plaag in ons vogelverblijf. Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, 2018-2, pp. 26-32; Plokker, Jaap, Niet-chemische luisbestrijding. Contactblad 2018-1, pp. 20-29; Plokker, Jaap, Bloedluis en andere ectoparasieten. (boekbespreking ‘Bloedluis en andere ectopatrasieten’, geschreven door Harrie van Rooij), Contactblad 2013-1, pp. 14-22; Beer, Jacques de, Mijn ervaringen met roofmijten. Contactblad 2013-1, pp. 23-24; Plokker, Jaap, Vogelmijtbestrijding. Contactblad 2012-3, pp. 3-6. Alle artikelen zijn te vinden op de website van de NZHU, www.zangkanaries.nl, onder ‘Artikelen’.
2. Wickede, F. van, Kanari-Uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanarie-teelt. Amsterdam, 1762, 3e druk, p. 64.
3. Ray, John, The Ornithology of Francis Willughby. London 1678. Book II, Chapter XIII, p. 262.                             39
4.
Wickede, F. van, Kanari-Uitspanningen, o.c., pp. 26-27.
5. Ibidem, pp. 27-28.
6. Gerhards, Max, Bloedmijten, een onuitroeibare plaag in ons vogelverblijf. Contactblad Speciaalclub Zang, 2018-2, september 2018, pp. 26-32.
7. Ibidem, p. 32.
8. Emous, R.A. van,  T.G.C.M. Fiks-van Niekerk en M.F. Mul,  Bloedluizen (vogelmijten) op papier en in de praktijk. Praktijkrapport 17 van de Animal Sciences Group van de Universiteit van Wageningen. 2005. Op internet te downloaden:  https://www.levendehave.nl/sites/default/files/bestanden/Bloedluizen_op_papier_en_in_de_praktijk_0.pdf)
9.
https://www.kijk-op-ongedierte.nl/bestrijding-rode-bloedluis/probleemomschrijving-omvang
10. Emous, R.A. van, e.a., Bloedluizen, o.c., p. 21.
11. Bijleveld, Hans, Schade door bloedluis € 21 miljoen per jaar. In: Boerderij, 16 januari 2017 ( https://www.boerderij.nl/Pluimveehouderij/Nieuws/2017/1/Schade-door-bloedluis-21-miljoen-per-jaar-82092E/ ); Loon, Monique van, Verwachtte schade bloedluis 21 miljoen. In: Pluimveeweb, 17 januari 2017 ( https://www.pluimveeweb.nl/artikelen/2017/01/schade-bloedluis-21-miljoen-euro/ ) en Klein Swormink, Berrie, Vogelmijt blijft plaaggeest voor leghen. In: Nieuwe Oogst, 10 februari 2017. (https://www.nieuweoogst.nu/nieuws/2017/02/10/vogelmijt-blijft-plaaggeest-voor-leghen )
12. Emous, R.A. van, e.a., Bloedluizen, o.c., p. 2.
13. Ibidem, p. 2.
14.
Ibidem, p. 3.
15.
Ibidem, pp. 3-4.
16. Ibidem, p. 4.
17. Ibidem, pp. 5-7.
18.
Ibidem, pp. 7-8.
19.
Ibidem, p. 8.
20.
Ibidem, pp. 9-11.
21. Ibidem, pp. 12-13.
22. Ibidem, p. 23.
23. Ibidem, p. 23.
24. Ibidem, pp. 23-24.
25. Ibidem, pp. 24-25.
26. Ibidem, p. 25.
27. Ibidem, p. 36.
28. Ibidem, p. 26.
29. Ibidem, p. 26.
30. Ibidem, pp. 26-27.
31. Ibidem, pp. 27-28;  N.N., Oorwurm als luizenbestrijder. In: Onze Vogels, jrg. 2018, nr. 10, oktober, p. 23. 
32. Ibidem, p. 28.
33. Ibidem, p. 28.
34. Ibidem, p. 34.
35. 
https://vaneckbv.nl/nl/producten-diensten/thermokill
36. Gerhards, Max, Bloedmijten, o.c., p. 30.
37. www.sgp.nl/actueel/antwoorden-op-kamervragen-over-fipronil-in-eieren/7091
38. https://www.lifarma.com/catalogus/ongediertebestrijding/insectenbestrijding/overige-kruipende-insecten/solfac-vloeibaar-2-5-liter/_381_w_1196_657993_NL_1 en https://toelatingen.ctgb.nl/toelating/?id=1012&category=Biocide
39. https://www.milieucentraal.nl/in-en-om-het-huis/ongediertebestrijding/bloedluis-op-kippen/
40. https://www.wur.nl/upload_mm/5/3/f/c436931b-1aef-4c22-84be-4b15303c2374_Resultaten%20bloedluis%20enquete%2029-3.pdf
41. Gerhards, Max, Bloedmijten, o.c., p. 30.
42.  https://www.pluimveeweb.nl/artikelen/2018/03/piet-wiltenburg-tevreden-over-exzolt-behandeling/  ; Vlgs. Max Gerhards kost 1 liter Exzolt €  1300,00!!! (21-1-’19)  https://www.boerderij.nl/Pluimveehouderij/Nieuws/2018/3/Eerste-praktijkresultaten-Exzolt-effectief-tegen-vogelmijt-257986E/
43. https://www.pluimveeweb.nl/artikelen/2018/08/eierhandelaren-wees-terughoudend-met-gebruik-exzolt-tegen/
44. Berry Reuvekamp,  Monique Mul , Thea Fiks-Van Niekerk, Literatuurstudie naar wormen bij legpluimvee. p. 41   Animal Sciences Group van Wageningen UR, Rapport 96, 2008. (http://edepot.wur.nl/43607);  http://www.kippenforum.nl/phpBB3/viewtopic.php?t=23534
45. www.schippers.nl en https://www.schippers.nl/ms-mite-extract-org-10-l-3705041.html
46.
https://www.finecto.com/nl-nl/pluimveehouder/producten/finecto-pro-oral
47. http://edepot.wur.nl/353240
48.
https://www.pluimveeweb.nl/artikelen/2015/02/bloedluisbestrijding-via-voer/
49. https://www.finecto.com/nl-nl/custom_faq_category/finecto-offinecto-pro
50. Mails van Monique Mul aan Jaap Plokker, dd. 13 en 15 november  2018.  http://www.eurotech.bzh/fr/lentypou/  http://www.dosupps.nl/pdf/Hensupp+.pdf
51. In een aan Jaap Plokker gericht mailtje dd. 18-11-2018,  bevestigde de directeur van Ark van Pollare, Hans Lenvain, dat Avimite door hetzelfde bedrijf wordt geproduceerd als LentyPou+ , het Franse Eurotec’h. Avimite is, volgens hem, echter niet identiek aan LentyPou+, maar zou je als een verbeterde versie kunnen beschouwen. 
www.bloedluis.be; http://www.derbauernhof.com/de/natuerliche-pflege-fuer-huehner/57-lentypou.html ; https://www.lafermesauvegrain.com/recherche?controller=search&orderby=position&orderway=desc&search_query=Lentypou&submit_search
52. Mail van Monique Mul aan Jaap Plokker, dd. 13-11-2018.
53.
https://weblog.wur.nl/livestockstories/bloedluis-bestrijden-bloedluis-bestrijdbaar/
54.
www.wur.nl/upload_mm/a/e/e/76f0655b-e405-4d32-b885-f186da412eb8_Resultaten%20bloedluis%20enquete%20maart%202017.pdf
55. https://vaneckbv.nl/nl
56.
http://edepot.wur.nl/353240
57.  https://fipronilvanprobleemnaaroplossingen.nl/wp-content/uploads/2017/10/A-Jan-Willem-Andriesen.pdf 
58.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-34031.html
59.  https://www.ctgb.nl/actueel/nieuws/2017/08/29/%E2%80%98natuurlijke%E2%80%99-middelen-voor-bloedluisbestrijding-en-andere-toepassingen
60.https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-34031.html 
61.
https://www.wur.nl/upload_mm/3/f/8/e2c6c5cd-4e41-48f9-a73e-c260a17e7bd9_6.%20RUB-Silica%20en%20DE%2020180907.pdf
62. Sion, Emilie, Mogelijkheden voor het gebruik van de roofmijt Hypoaspis miles in de geïntegreerde bestrijding van de vogelmijt in de legpluimveehouderij. Gent 2012-2013. Deze studie geeft ook veel informatie over het leven en bestrijding van de bloedmijt, enz.  https://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/063/580/RUG01-002063580_2013_0001_AC.pdf
63.
https://docplayer.nl/28340296-Mogelijkheden-voor-het-gebruik-van-de-roofmijt-androlaelaps-casalis-in-de-geintegreerde-bestrijding-van-de-vogelmijt-in-de-legpluimveehouderij.html
64. https://www.rentokil.nl/blog/hoe-werkt-bloedluisbestrijding-met-roofmijt/   en   https://www.wur.nl/upload_mm/d/c/d/92940553-2d93-46c7-afed-084d5b6cf586_IPM%20stap%204%20Niet-chemische%20middelen%20%2825-08-2017%29.pdf
65. https://docplayer.nl/12868882-Bloedmijt-bestrijding-ervaringen-van-pluimveehouders-over-inzet-van-roofmijt.html
66. www.wur.nl/upload_mm/a/e/e/76f0655b-e405-4d32-b885-f186da412eb8_Resultaten%20bloedluis%20enquete%20maart%202017.pdf
67. Beer, Jacques de, Mijn ervaringen met roofmijten. In: Contactblad Speciaalclub NZHU, 2013-1, pp. 23-24.  Plokker, Jaap en Ton Diepenhorst, In gesprek met … Henk van der Wel. Contactblad NZHU, 2010-2, pp. 14-24.
68. https://weblog.wur.nl/livestockstories/bloedluis-bestrijden-bloedluis-bestrijdbaar/
69. Emous, R.A. van, e.a., Bloedluizen, o.c., p. 28.
70.
https://www.levendehave.nl/nieuws/koolzaadolie-nieuw-middel-strijd-tegen-bloedluis
71.http://www.agraservicelindenhols.nl/ArtikelBCB.pdf
72. www.wur.nl/upload_mm/a/e/e/76f0655b-e405-4d32-b885- f186da412eb8_Resultaten%20bloedluis%20enquete%20maart%202017.pdf


Foto
. 22 december 2018. Studiedag. In de afluisterruimte van de harzers was het een gezellige boel. Vlnr. Max Gerhards, Jacques de Beer, Ton Gerritsen André Schrama, Theo Kramp en Lis Reichgelt.

-0-

Ervaringen met Avimite – deel 1

door Jaap Plokker

In clubblad van februari 2018 schreef Jaap Plokker een lijvig artikel over zijn strijd tegen de bloedluis. Aan het slot gaf hij aan het middel Avimite te hebben aangeschaft en beloofde hij zijn ervaringen met dit product met de leden te delen. Hierbij zijn relaas over het verstrekken van Avimite gedurende 2018.


In het artikel ‘Niet-chemische luisbestrijding’, dat in clubblad 2018-1 werd gepubliceerd, heb ik de lezer deelgenoot laten zijn van mijn strijd tegen de bloedluis. Ik gaf daarin aan dat ik diverse jaren met volle tevredenheid gebruik heb gemaakt van Finecto Plus, maar ik hoogstpersoonlijk heb moeten constateren dat sinds de spray geen silica meer bevat de werking tegen bloedluis beduidend heeft ingeboet.  Hetgeen door de fabrikant overigens ook wordt onderkend.  In het novembernummer van 2017 van ‘Onze Vogels’ werd onder de titel ‘Ethisch verantwoordelijk voor onze vogels’ een artikel gewijd aan het natuurlijk bestrijden van bloedluizen. De auteur, Henk Jansen, attendeerde  daarin de lezer op een Belgisch luisbestrijdingsmiddel, Avimite, dat via het drinkwater werd toegediend. Mede naar aanleiding van de positieve ervaringen van de heer Jansen met dit product heb ik besloten in het kweekseizoen 2018 eventuele bloedmijten in mijn vogelverblijf met Avimite te bestrijden en heb dus bij de Belgische zorgboerderij die het product voor vogelhobbyisten op de markt brengt, Ark van Pollare, een flesje Avimite gekocht. In voornoemd artikel heb ik beloofd mijn ervaringen met Avitmite te delen met de leden van de vereniging. We zijn nu een jaar verder; een goede gelegenheid om mijn ervaringen met Avimite in 2018 op een rijtje te zetten.  

Wat is Avimite?
Volgens de aan de universiteit van Wageningen (WUR) verbonden Monique Mul, die mij hierover desgevraagd via de mail informeerde, is Avimite een merknaam van het door het Franse bedrijf Eurotec’h gefabriceerd bloedmijt bestrijdingsmiddel LentyPou+ . In Nederland wordt het door Dosupps, een onderdeel van het te Tienray gevestigde bedrijf Dosers BV, aan pluimveeboeren geleverd onder de naam Hensupp+.1
Een speurtocht op internet leverde het volgende op: Eurotec’h is een firma van bescheiden omvang, gevestigd in Morlaix, op steenworp afstand van de schitterende Bretonse kust, en richt zich op de biologische veeteelt.Het door Eurotec’h geproduceerde LentyPou+ wordt in 23 landen verkocht onder 14 verschillende merknamen.2  Avimite is de merknaam waaronder LentyPou+ in België wordt verhandeld. Avibel, een te Zwijndrecht in België gevestigde biologische kippenboerderij met 100.000 legkippen, levert Avimite aan de professionele biologische pluimveesector in België.3 Voor zover mij bekend is Avimite de enige merknaam van LentyPou+ die in het Nederlandse taalgebied ook aan hobbyisten wordt verkocht. Voor verkoop aan particulieren wordt Avimite op de markt gebracht door Ark van Pollare. Ark van Pollare is een vnl. door vrijwilligers gerunde zorgboerderij en asiel voor geiten, kippen, konijnen cavia’s, etc. en gevestigd in Pollare, een deelgemeente van Ninove, in Oost Vlaanderen. In Nederland kan je via internet bij Ark van Polare Avimite kopen. Het wordt dan met de post opgestuurd.4
LentyPou+ is een vloeistof met o.m natuurlijke extracten van tijm, boerenwormkruid en klit of klis. Door Avimite/Hensupp+/LentyPou+ via het drinkwater aan de vogels te verstrekken komen bepaalde stoffen in het bloed van de vogel. Het bloed dat de bloedmijt van deze vogels opzuigt kan hij niet of nauwelijks verteren. Het gevolg is dat de bloedmijt apathisch wordt, geen verdere drang heeft om bloed te zuigen en de hongerdood sterft. Omdat de bloedmijten, om te leven en zich te vermenigvuldigen, bloed nodig hebben stopt het reproductieproces al lang voordat de bloedmijt daadwerkelijk het loodje legt. Op den duur moet de bloedmijtpopulatie dus uitsterven. Althans volgens het promopraatje van de leverancier.5 Avimite/Hensupp+/LentyPou+ zijn dus geen bestrijdingsmiddelen die bloedmijten op korte termijn doden! Wanneer je tijdens de behandeling met LentyPou+ toch nog rode luizen in je hok ziet kan je die met een direct dodend bestrijdingsmiddel elimineren.
Opmerkelijk is het verschil tussen de Franse gebruiksaanwijzing van LentyPou+  en het Belgisch/Nederlandse Avimite/Hensupp+. De Franse pluimveeboer moet beginnen met 15 dagen achtereen LentyPou+  met het drinkwater te vermengen en daarna wekelijks 1-2 dagen. De gebruiksinstructies van Avimite en Hensupp+, die aanvankelijk identiek waren, schreven het volgende voor: start met 7 dagen achtereen, dan 5 weken wekelijks en daarna moet 1 keer maandelijks de werkzame vloeistof aan het drinkwater worden toegevoegd.
Deze gebruiksaanwijzing voor de pluimveesector en houders van leghennen werd aanvankelijk door Ark van Pollare ook voorgeschreven aan de vogelhobbyisten die Avimite gingen gebruiken. Dit bleek in de praktijk een misvatting, zoals hieronder zal blijken.
Wat betreft de kosten is er een aanzienlijk verschil waar je LentyPou+ koopt. Via een wat schimmige website van een Franse, in Volgelsheim (Elzas) gevestigde websitewinkel ‘Blue Crital Sas’ betaal je voor 250 ml Lentypou+ op de Franstalige website ‘La Ferme Sauvegrain’ € 28,85, maar op de Duitstalige versie ‘Der Bauernhof’ € 20,12 voor hetzelfde jerrycannetje. Bij
Ark van Pollare betaal je voor een flacon Avimite van 250 ml € 82,10. Op het moment van het schrijven van dit artikel was er een actie gaande waardoor je voor een flacon van 250 ml € 69,99 betaalde. Ondanks dat de Belgen het flesje gratis verzenden en er bij de Fransen ruim € 10,00 verzendkosten bij komen constateer ik nog een opmerkelijk prijsverschil tussen Frankrijk en België voor hetzelfde product onder een andere naam!! 6

Start met Avimite
Van een rondgang over internet nu naar de praktijk. Uit literatuur heb ik begrepen dat bij lagere temperaturen bloedmijten wel blijven leven, maar niet actief zijn. Bij temperaturen beneden de 12o C komen, bijvoorbeeld, de eitjes van de bloedluis niet uit.8 Omdat ik in de schuur waar mijn vogels gehuisvest zijn geen verwarming heb en mede om die reden pas begin april mijn poppen in de broedkooi zet, leek het mij niet logisch om vroeg in het jaar de kuur te starten en de vogels Avimite te verstrekken, maar te wachten tot de buitentemperatuur wat vaker boven de 12o C kwam en mijn voorbereidingen voor het nieuwe broedseizoen in een vergevorderd stadium waren, dus eind maart. Om het product toch maar in huis te hebben heb ik het in de loop van februari via Internet besteld.
Ik ontving het plastic flesje met 70 ml Avimite met de brievenpost. In de envelop zat behalve het flesje, een gebruiksaanwijzing en een injectiespuit (zonder naald) om de juiste dosering te kunnen toedienen. Avimite bleek aan bederf onderhevig te zijn en kan ca. 1 jaar bewaard worden. De gebruiksaanwijzing die ik in februari 2018 ontving bevatte o.m. de volgende instructie: Avimite moet vermengd worden met het drinkwater in een verhouding van 3 ml Avimite op 4 liter water. Het spuitje is dus wel handig. Men vangt de kuur aan met het 7 dagen aaneengesloten vertrekken van drinkwater met Avimite. Na de 7-daagse kuur volgt een periode van 5 weken waarin wekelijks 1x drinkwater met Avimite moet worden vertrekt. Als deze periode van 5 weken voorbij is schakelt men over op een maandelijkse verstrekking van drinkwater met Avimite.
Omdat mijn voornemen was om ca.1 april de poppen in de broedkooien te doen ben ik zondag 25 maart, gelijk met het verzetten van de klok naar de zomertijd, begonnen met het dagelijks verstrekken van drinkwater met Avimite. Zondag 8 april was de eerste keer dat mijn vogels wekelijks Avimite kregen. De kanariepoppen zaten inmiddels in de broedkooi en de eerste hadden inmiddels een nest gedraaid. Zondag 6 mei was de laatste dag van de serie wekelijkse kuren en daarna zou ik, volgens de instructie, over moeten gaan om 1x per maand Avimite te verstrekken.

Was de gebruiksaanwijzing wel logisch?
Intussen was op 1 mei 2018 het eerste broedsel uitgekomen en lagen er op 6 mei 2018 40 waterslagerjongen in de nesten. Gevoelsmatig vond ik dat de gebruiksaanwijzing niet logisch was. Wanneer ik op 6 mei Avimite gaf en pas op 6 juni weer dan hadden de meeste jongen, via de pop, in ruim een maand één dag Avimite gehad en de jongen die na 6 mei geboren waren helemaal niets. Het bloed van de poppen zorgde misschien wel voor apathische luizen, maar de mijten die het bloed bij de jongen zouden drinken konden volop hun  gang gaan met vermenigvuldigen, enz. Althans zo zag ik het. Eigenwijs zijnde, ben ik afgeweken van de gebruiksinstructie en ben ik ook na 6 mei wekelijks Avimite blijven verstrekken. In de broedtijd zelfs twee keer per week.
Ik werd gesterkt in mijn zienswijze toen ik van kwekers die wel waren over
-gestapt op de maandelijkse verstrekking vernam dat zij nesten met bloedluizen hadden. De vraag die dan onmiddellijk bij je opkomt is: werkt Avimite eigenlijk wel? 
Hoog tijd om dus contact te zoeken met de leverancier van Avimite en hem te confronteren met de luizen in de nesten bij kwekers die Avimite verstrekten en zich keurig aan de gebruiksaanwijzing hadden gehouden.  Ere wie ere toekomt, de correspondentie met de leverancier van Avimite, Hans Lenvain van
Ark van Pollare, verliep uitermate accuraat en plezierig. Soms nog dezelfde dag ontving ik via de mail antwoord op mijn opmerkingen en vragen. Op 17 mei ontving ik een mailtje dat men bij Ark van Pollare op grond van reacties van Avimite gebruikers tot de conclusie was gekomen dat de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing niet afdoende was, zeker niet wanneer er vogels aan het vogelbestand werden toegevoegd, zoals tijdens de kweek. De nieuwe gebruiksinstructie werd o.m. met de volgende adviezen aangevuld: ‘Het is absoluut noodzakelijk, als je jonge vogels in het nest hebt liggen, om meteen weer de 7-dagenkuur op te starten zodra de oudervogels de jongen beginnen te voederen. Dat is de enige manier om uw jongen te beschermen tegen bloedluis’. Ook wanneer er vogels van buiten aan het bestand werden toegevoegd moest weer met een 7 daagse kuur begonnen worden. Tevens werd aangeraden wanneer in het voorjaar de buitentemperatuur hoger werd met een nieuwe cyclus te starten, te beginnen met 7 dagen dagelijkse verstrekking. Het is duidelijk dat m.b.t. de bloedmijt bestrijding de omstandigheden in een stal met leghennen niet één op één geldt voor de situatie bij vogelhobbyisten.

Consequenties nieuwe gebruiksaanwijzing
Wanneer deze nieuwe instructie letterlijk genomen wordt houdt dat in dat gedurende het gehele broedseizoen, waarin voortdurend jongen worden geboren, de vogels elke dag drinkwater met Avimite zouden moeten krijgen, oftewel, in mijn geval zou dat betekenen dat ik gedurende drie tot vier maanden dagelijks Avimite zou moeten verstrekken. Ook aan deze instructie heb ik me niet gehouden. Na de dagelijkse kuur, eind maart, heb ik vanaf 8 april elke week Avimite verstrekt; tijdens het broedseizoen 1-2 keer per week, na het uitvliegen van de laatste jongen 1 keer per week. Achteraf bleek dat ik meer voornoemde Franse gebruiksaanwijzing heb gevolgd dan de Belgisch/Nederlandse.
Medio juni, aan het eind van mijn kanariebroedseizoen, had ik in mijn vogelverblijf een 40-tal oude waterslagermannen en -poppen, 100 jonge waterslagers en ca. 120 japanse meeuwen en bronzemannen: een hok vol dus. Gezien de hoeveelheid vogels in mijn vogelverblijf verstrek ik vanaf halverwege het broedseizoen ca. 4 liter drinkwater, dus 3 ml Avimite per keer. In de praktijk wordt dit 3-3,5 ml. Omdat ik in het najaar broed met mijn Japanse meeuwen en spitsstaart bronzemannen heb ik dus ook in het najaar wekelijks Avimite verstrekt. Het bleef trouwens tot diep in oktober erg mooi weer met dagtemperaturen van boven de 20o C, ideale temperatuursomstandigheden voor bloedmijten. Dit was voor mij een reden te meer om wekelijks Avimite te blijven verstrekken, ook al was mijn vogelbestand gedurende de maanden juli t/m medio oktober niet groter geworden.
Op grond van de oude gebruiksaanwijzing zou ik aan een flesje van 70 ml genoeg hebben voor het hele jaar. Omdat ik mijn eigen dosering er op na hield ging het allemaal veel sneller en was in juni mijn flesje van 70 ml leeg. Voor de rest van het jaar heb ik een groter flesje met 250 ml Avimite à € 59,95 gekocht. De gebruiksinstructie die ik in juni bij het flesje ontving was uitgebreid met de zin: ‘Ieder jaar in het voorjaar opnieuw starten met de 7-dagen-kuur. Zo ook als er jonge dieren worden geboren of andere dieren aan het bestand worden toegevoegd’. Men had duidelijk geleerd van de reacties van de Avimite gebruikers en het mailtje dat ik op 17 mei had ontvangen met de gewijzigde gebruiksinstructie was inmiddels ook in de met het flesje meegezonden gebruiksaanwijzing verwerkt. In totaal heb ik in 2018 voor € 80,00 aan Avimite uitgegeven. Hoewel er bij mij ook een flesje Parasita in de koelkast ligt heb ik in 2018 in mijn vogelhok uitsluitend Avimite gebruikt als luizenbestrijdingsmiddel. De mannen die ik in november in huis heb opgekooid hebben wel een druppel Parasita in de nek gehad, maar kregen daarbij ook gelijk met de anderen wekelijks Avimite. Komen de mannen terug van een wedstrijd dan krijgen alle opgekooide vogels, ook de mannen die niet naar de wedstrijd zijn geweest, weer een druppel Parasita.

Slot
De voor de hand liggende vragen zijn natuurlijk: ‘Houdt Avimite een bloedmijtenexplosie tegen?’ en ‘Is het aan te bevelen om met Avimite bloedluis te bestrijden en daarvoor, in mijn geval, € 80,00 uit te geven?’
Ik moet het spreekwoordelijk afkloppen, maar ik weet al enige jaren niet wat bloedluis is. Ik controleer altijd, zowel tijdens de broed als wanneer de jongen zijn uitgevlogen het nest op luizen. Ook dit jaar heb ik geen enkele luis op mijn hand zien lopen. Ondanks of dankzij Avimite kan ik weer een jaar bijschrijven zonder problemen met bloedluizen. De uitgave van  € 80,00 om een luizenexplosie tegen te houden  is aanzienlijk meer dan ik gewend was om aan Finecto Plus (oude formule) uit te geven. Verder is het heel lastig de ergernis, dode jongen, een verziekt kweekseizoen, enz. uit te drukken in een geldbedrag. Voor mij is het in ieder geval meer dan € 80,00. Wanneer ik het geld niet aan Avimite had besteed en de boel op z’n beloop had gelaten was ik dan vrij gebleven van bloedluis? Waarschijnlijk niet. Had ik voor minder geld en met andere middelen eveneens een luizenexplosie kunnen voorkomen? Waarschijnlijk wel. Ik sta voor 2019 dus voor een lastige keus: € 70,00 (dat kost tegenwoordig een flesje van 250 ml) uitgeven aan Avimite met, zoals afgelopen jaar bleek, geen last van luis, of, om goedkoper uit te zijn, met andere middelen in de weer te gaan, waarvan het nog maar de vraag is of die helpen.
Hoe het ook zij: In 2018 heb ik Avimite geprobeerd als luizenbestrijdingsmiddel. Dankzij of ondanks (Dat is me nog niet helemaal duidelijk) het verstrekken van Avimite heb ik geen luizen gezien, maar er hing wel een prijskaartje aan.

Noten
1.    http://www.dosupps.nl/#projecten-ac 
2.   
http://www.eurotech.bzh/fr/lentypou/
3.    www.avibel.be
4.    www.bloedluis.be
5.   
Ibidem 
6.   
www.bloedluis.be ; http://www.derbauernhof.com/de/natuerliche-pflege-fuer-huehner/57-lentypou.html ; https://www.lafermesauvegrain.com/recherche?controller=search&orderby=position&orderway=desc&search_query=Lentypou&submit_search
7.    Plokker, Jaap, Bloedluis en andere ectoparasieten. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, februari 2013, p. 17.


Foto. 22 december 2018. Studiedag. Ook bij de waterslagers, waar Andries Gort de zang becommentarieerde,  werd er niet alleen geluisterd, maar ook gediscussieerd en regelmatig gelachen.

-0-

Ervaringen met Avimite – deel 2

door Jan Zonderop

Een van de leden die het afgelopen seizoen ook met Avimite heeft geëxperimenteerd is Jan Zonderop. Hieronder zijn verslag over zijn strijd in 2018 tegen de bloedmijten in z’n vogelverblijf.

Een topjaar
2018 was voor mij een topjaar .……. wat betreft het aantal luizen. Ik kan me uit het recente verleden niet heugen ooit zoveel bloedluizen gekweekt te hebben. Ze zaten niet alleen binnen, waarvan ik in de veronderstelling leefde dat het ‘clean’ was, maar ook buiten en zowel bij de zangkanaries als bij m’n goudvinken. Wat betreft Avimite kan ik kort zijn. Het volgens voorschrift verstrekken van dit middel door het drinkwater heeft mij in 2018 niet luisvrij gehouden.

Avimite is ook niet alles
Ook mijn interesse voor Avimite werd in november 2017 gewekt door het artikel in ‘Onze Vogels’, waarin lovend werd geschreven over de ervaringen met dit middel bij de bestrijding van bloedluis: milieuvriendelijk en effectief was het etiket dat Avimite op grond van praktijkervaring kreeg opgeplakt. Wetende dat ik elk jaar met deze plaaggeest de strijd moet aanbinden was dit een boodschap die me als muziek in de oren klonk en heb dus een flesje Avimite aangeschaft. In februari 2018 ben ik volgens de gebruiksaanwijzing begonnen met het geven van Avimite door het drinkwater: eerst een week dagelijks, toen 5 weken wekelijks en vervolgens maandelijks. Op 21 maart had ik mijn eerste eitjes. Toen de eerste jongen uitkwamen was ik op het moment gekomen dat ik, volgens de gebruiksaanwijzing van Avimite,  moest overgaan van de wekelijkse naar de maandelijkse verstrekking. Ik heb dat keurig gedaan, maar  mij viel al snel op dat er jongen in de nesten lagen die er bleker uitzagen. Voor mij was dat een signaal om de nesten te inspecteren en ja hoor, ik ontdekte waar ik al bang voor was: bloedluizen; ondanks dat ik me keurig aan de instructies van Avimite had gehouden.
Kennelijk was ik niet de enige met deze ervaring, want in de loop van het seizoen heeft Avimite de gebruiksaanwijzing aangepast. Iedere keer wanneer er nieuwe vogels bij komen, hetzij door aankoop, hetzij vanwege broedresu
ltaten, moet met een nieuwe dagelijkse kuur begonnen worden. Dat is hele andere koek dan aanvankelijk in de gebruiksaanwijzing stond. Naast dat de verstrekking veel frequenter moet dan aanvankelijk was voorgeschreven,- Ik denk dat, na de startkuur van zeven dagen achtereen, een continue wekelijkse verstrekking meer effect heeft. - heb ik ook m’n bedenkingen over de dosering: 3 ml Avimite op 4 liter drinkwater, oftewel bijna 1 ml op een liter water. Ik heb dat in de loop van het seizoen opgevoerd naar 1,5 ml op een liter en ook dat lijkt me nog te slap.
Desondanks heb ik toch de indruk dat Avimite op de bloedluizen effect heeft. Ik zag namelijk ook veel zwarte bloedluis. Dus mijten die geen bloed gezogen hadden. Volgens de leverancier van Avimite is dit het effect van het toevoegen van het drankje aan het drinkwater. Daarom ben ik tot half oktober 2018 regelmatig Avimite aan mijn vogels blijven geven. Maar, zoals gezegd, alleen het verstrekken van drinkwater met Avimite was lang niet afdoende om de bloedmijten uit mijn vogelverblijven te verdrijven.

Voldoende jonge waterslagers
Afgezien van de problemen met de bloedluizen verliep het broedseizoen 2018 naar wens. Ik had 50 ringen besteld en aan het eind van het seizoen zaten er 52 jonge waterslagers op stok. Verder had ik van één koppel goudvinken 10 prachtige jongen. Vier jongen uit een ander koppel hebben helaas het loodje gelegd, omdat ik te enthousiast preventieve maatregelen tegen bloedluis had genomen.
Je hebt zo wel eens van die momenten dat je je afvraagt of je wel met de hobby door moet gaan. Eind 2017 heb ik met die gedachte gelopen en je snapt wel dat met de ergernis over de bloedluizen in m’n hok en in de nesten de stemming er in het voorjaar van 2018 niet beter op werd. Nu, met jonge waterslagers die naar m’n zin zijn qua gezondheid en zang; mooie gezonde goudvinken, die zonder medicijnen zijn grootgebracht en nu op stok zitten, beleef ik toch weer veel plezier aan de hobby. Regelmatig contact met een collega kweker om kanarie én goudvinken lief en leed te delen, zoals ik met Piet Drop heb, en een echtgenote die ook enthousiast is, helpen wel om door te bijten, wanneer het even niet gaat zoals je wilt.

Doorbijten
Doorbijten was het wel toen bleek dat ik met Avimite niet luisvrij bleef. Ik heb heel wat moeten doen om uiteindelijk de bloedmijt de baas te blijven. Ik ben begonnen om roofmijten in te zetten. Driemaal heb ik Dutchy’s besteld en uitgezet. Mijn ervaringen met Dutchy’s zijn positief, maar je moet goed weten wat je doet; eigenlijk moet je vooruitdenken. Als er warm weer op komst is moet je de Dutchy’s al in je hok hebben, want als bij hogere temperaturen de luizenexplosie komt en je geeft op dat moment Dutchy’s dan is er zo’n aanvoer van jonge luizen dat de Dutchy’s ze niet allemaal kunnen opeten. Ik heb drie keer Dutchy’s uitgezet, maar de frequentie zou hoger moeten zijn om te voorkomen dat bij plotsklaps hogere temperaturen een explosie van bloedluizen kan plaatsvinden.
Verder heb ik twee spuitbussen van 400 ml Luxan wespenspray, met spuitlans gekocht. De werkzame stoffen in de wespenspray zijn permethrin 0,25% en tetramethrin 0.05%. Omdat met de wespenspray je de Dutchy’s ook dood spuit heb ik de wespenspray alleen in noodgevallen gebruikt op plaatsen waar ik geen Dutchy’s had ingezet, b.v. in mijn schuur. Ik heb de wespenspray vooral in naden en kieren gespoten waar ik luizen vermoedde. 
Voor ik aan het broedseizoen begon heeft het nestmateriaal en anti-luis behandeling gehad. Ik gebruik touw- en viltnestjes. Met name de viltnestjes bevallen me prima. De nestjes werden zeiknat gespoten met Dasty en eenmaal droog konden ze voor de broed gebruikt worden. Als ik een nestje ontdekte met luis erin kregen ze direct een nieuw, schoon, nestje. Het nestje met de luizen deed ik in een plastic zakje, knoopte het dicht en verhitte het 30 sec. in de magnetron  op 900 watt.  Na deze magnetron behandeling zou je de nestjes weer kunnen gebruiken, maar voor de zekerheid heb ik de onderkant van de viltnestjes weer met Dasty nat gespoten en laten drogen.
Ik gebruik Dasty ook in de kooien en spuit er de naden en kieren mee in. Dasty is een schoonmaak- en ontvettingsmiddel voor huishoudelijk gebruik en voor een habbekrats bij de Wibra te koop. Van een ontvettingsmiddel zijn bloedluizen niet gecharmeerd. Het tast hun washuid aan en ze drogen vervolgens uit. Ik heb drie driedelige broedkooien van kunststof van de firma Heesakker, dus zonder kieren, maar wel met tussenschotten, waar de luis tussen gaat zitten, evenals onder de zandladen en zelfs achter de stalen fronten. Het lijkt wel of bloedmijten kunststof lekker warm vinden. Maar als je eenmaal luizen hebt is geen broedkooi, van welk materiaal dan ook, veilig voor ze. Ik heb ook nog drie losse, stalen, broedkooien, daar komt ook luis in. Een nadeel van Dasty is dat het op den duur wel de verf van je broedkooien oplost.

Opkooien
Mijn inzetkooitjes heb ik vooraf behandeld met U2, waarin ik 10 mottenballen heb opgelost. Met een kwastje heb ik dit goedje in alle naden gesmeerd. Verder heb ik de kooitjes, met het laatje er uit, ingespoten met wespenspray, met name de liggende naden en de pootjes en de onderkant van de pootjes.
Voordat ik de mannen in deze kooitjes heb gedaan hebben ze van mij badwater gekregen met Parasita. Ik heb een mengsel gebruikt van 20 druppeltjes Parasita op één liter water. Ik ben er overigens nog niet uit of dit de goede dosering is. Voordat ik ze in de inzetkooitjes stopte  hebben ze nog een druppeltje Parasita in de nek gekregen. Ik wil namelijk koste wat kost voorkomen dat ik bloedluis in mijn zangkast krijg.

Kassa
Als ik op 2018 terugkijk dan is het ook een topjaar geweest wat betreft de uitgaven die ik heb moeten doen om de bloedluis de baas te blijven. Als ik het zo op een rijtje zet schrik ik er best een beetje van en dan nog te bedenken dat ik veel met Piet Drop en een buurman heb kunnen combineren zodat sommige verzendkosten over drie personen konden worden verdeeld.
Het begon met een flesje Avimite, € 21,50 incl. verzendkosten, vervolgens drie keer Dutchy’s, 3 x € 21,50 = € 64,50 met verzendkosten; twee spuitbussen wespenspray, 2 x € 9,95 =  € 19,90; een fles U2 van € 15,00; een flesje Parasita  à € 10,00 en dan heb ik de Dasty maar even buiten beschouwing gelaten. Kortom:  € 21,50 + € 64,50 + € 19,90 + € 15,00 + € 10,00 is bij elkaar een bedrag van € 130,90 !!!!!. De tijd dat je voor een koopje je vogelhok een heel jaar luisvrij had lijkt voorgoed voorbij.

En, en, en, en
Als me één ding in 2018 wel weer duidelijk is geworden dan is het dat we tegenwoordig met één simpel bestrijdingsmiddel het tegen de bloedluis afleggen. Wil je het luizenprobleem beheersbaar houden zodat je geen (jonge) vogels verspeelt en de vogels niet aangetast worden in hun conditie dan lukt dat alleen met een combinatie van preventiemethoden en bestrijdingsmiddelen. Het begint met hygiëne, preventieve maatregelen en vervolgens goed kijken en opletten. Ga ’s avonds, als het een poosje donker is, eens kijken naar de vogels en de stokken waar ze op zitten; inspecteer de nesten regelmatig, vooral als de eieren net zijn uitgekomen  en de jongen een paar dagen oud zijn. Als ik het niet helemaal vertrouwde gaf ik, als preventie, tijdens het ringen, dus als de jongen 5-6 dagen oud zijn, ze toch maar weer een schoon nest. Ik heb inmiddels een extra zintuig ontwikkeld waar en wanneer ik moet kijken en inspecteren.
Wat heb ik in 2018 geleerd van mijn ervaringen, die ik meeneem naar 2019? Ik ben van plan Avimite te blijven gebruiken, maar dan wel in combinatie met Dutchy’s. De frequentie waarin ik Dutchy’s wil inzetten ben ik van plan te verhogen; om een luizenexplosie te voorkomen is het beter om ze iedere 5-6 weken te verversen. In 2018 heb ik ze drie keer uitgezet in de buitenvolière, waarin alle zangkanaries zitten; in 2019 heb ik het voornemen om dat zes keer te doen.
Zeker zal ik ook gebruik blijven maken van Dasty. Om de kosten hoef ik dat niet te laten.

Slot
Als je zo met mij m’n ‘vogeljaar’ 2018 doorneemt en leest wat ik heb moeten doen om de bloedluizen de baas te blijven dan begrijp je misschien wel met hoeveel heimwee ik terugdenk aan het oude U3 en de Vaponastrip. Maar dat is een gepasseerd station; die tijden zullen nooit terugkeren.
In plaats van de lucht te vergiftigen met dichloorvos zorgen we nu dat er allerlei ‘vogelvreemd’ spul in het vogellichaampje komt, zoals ivermectine. Of dat nu zo’n grote verbetering is? Als slotopmerking wil ik daarom wel meegeven dat het me tegenstaat om vogels spul in hun lijf te stoppen zoals Avimite en Parasita. Ik vind dat gewoon erg onnatuurlijk.
Wat ik uit mijn jeugd op de boerderij nog kan herinneren is dat wij een kippenschuur hadden met daarvoor een zandvlakte. De kippen liepen gewoon los en je zag ze vaak een heerlijk zandbad nemen, evenals de pauwen en ook altijd de huismusjes. Die raakten zo niet alle, maar wel veel luis kwijt. Maar, dat is voor onze kanaries niet weggelegd.


Foto. 22 december 2018. Studiedag. De pauzes met verloting waren ouderwets gezellig.
 

-0-

Ervaringen met Avimite – deel 3

door Paul Schilte

Ook Paul Schilte vond in het artikel
‘Ethisch verantwoordelijk voor onze vogels’ in ‘Onze Vogels’, in november 2017, voldoende aanleiding de bloedmijten in zijn vogelverblijf te lijf te aan met Avimite. Hieronder zijn terugblik op een kweekseizoen waarin hij Avimite aan zijn vogels heeft verstrekt, maar de bloedmijten actief bleven.

Na een volslagen mislukt kweekseizoen 2017 – vele jongen werden in het nest na 1 of 2 dagen leeggezogen door bloedluis - was ik na lezing van een artikel in het novembernummer  (2017) van ‘Onze Vogels’ enthousiast over de ervaringen van een keurmeester die Avimite had gebruikt. Snel bestelde ik een flesje via internet en begon direct na aankomst hiervan met de verstrekking volgens de meegezonden gebruiksaanwijzing: eerst 7 dagen achtereen, dan 5 maal één keer per week en vervolgens éénmaal per maand. Dit alles in het drinkwater.

Ondanks Avimite toch bloedluis
Voor alle zekerheid bestelde ik eind januari 2018 ook Dutchy ‘s, want de ellende van 2017 wilde ik kostte wat kost voorkomen. Op 20 maart 2018 had ik al drie maanden Avimite aan mijn vogels gegeven, maar had nog volop bloedluis. Ik zocht contact met Hans Lenvain van ‘Ark van Pollare’, waar ik het flesje Avimite had gekocht, en meldde hem over het nog steeds voorkomende probleem. Hij vroeg mij foto’s te sturen van de broedkamer, de kooien, de temperatuur, enz. Ik vond ( en vind dit nog steeds ) geleuter! Ik heb dat dus ook niet gedaan! Als Avimite in het drinkwater het bloedluisprobleem zou moeten oplossen, hebben deze zaken daar niets mee te maken. Intussen had ik ook weer een tweede zending Avimite en Dutchy’s binnengekregen. Tegen beter weten in ( ? ) ben ik verder gegaan met Avimite. Ik ben wel van voren af aan met de gehele procedure opnieuw van start gegaan, te beginnen met 7 dagen achtereen drinkwater waarmee Avitmite is vermengd. Ook heb ik alle kooien grondig gewassen.
Het kweekseizoen 2018 verliep iets ( ! ) beter: Ik kreeg 11 jongen op stok, maar had nog steeds bloedluis in mijn broedkooien, ondanks het feit dat ik de nestjes driemaal verving met een zelf gedraaid nieuw nestje in de periode van broeden en zelfstandig worden van de jongen.

Slot
Ik heb sinds mijn eerste bestelling van Avimite ruim € 100 uitgeven aan Avimite en Dutchy’s en heb nu – half december 2018 - nog steeds last van bloedluis. Ondanks de lovende tekst in voornoemd artikel in ‘Onze Vogels’ heb ik dus geen enkel vertrouwen gekregen in het gebruik van Avimite om bloedluis te bestrijden. Ik  vraag me tevens af op grond van welk wetenschappelijk onderzoek het nut van Avimite als bloedluisbestrijdingsmiddel is aangetoond. Ik heb hieromtrent tot dusver niets kunnen vinden en dat heeft mijn scepsis ten opzichte van Avimite alleen maar gesterkt.


Foto. 22 december 2018. Studiedag. Ageeth en Mandy Onderwater zorgden niet alleen voor de bar, maar ook voor de verloting.
 

-0-

vereniging

Mededelingen

Contributie 2019

De contributie voor 2019 bedraagt € 20,00. Veel leden hebben de contributie voor 2019 inmiddels voldaan. Moet je nog betalen, dan word je vriendelijk verzocht de contributie z.s.m. over te maken op Bankrekeningnr. NL94 INGB 0009279191 t.n.v. Speciaalclub Zang NZHU te ‘s Gravenhage.  Weet je het niet meer of je het geld hebt overgemaakt, de contactgegevens van penningmeester Paul Schilte staan vermeld op de binnenzijde van de omslag.

Clubkampioenschappen 2019
De wedstrijdlocatie voor onze 35e clubkampioenschappen is weer gereserveerd. Ze staan gepland voor 19 t/m 21 december 2019 wederom in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, Oude ’s Gravendijckseweg 2a, 2221 DB te Katwijk. Op donderdag 19 december zullen de vogels worden ingekooid, op vrijdag 20 december vindt de keuring plaats en op zaterdag 21 december 2019 hopen we met elkaar weer een uiterst gezellige en onderhoudende studiedag te beleven. Vergeet genoemde data niet in de agenda of op de kalender te noteren!

Advertenties
Zoals jullie al bladerend door deze editie hebben kunnen constateren heeft Ton Gerritsen weer enige ondernemers bereid gevonden onze club financieel te ondersteunen met een advertentie. We danken de ondernemers voor hun sponsoring en uiteraard Ton Gerritsen voor zijn inspanningen deze adverteerders te werven.

Wereldkampioenen
Tijdens de van 5-13 januari 2019 gehouden Mondial in Zwolle heeft ons lid Willy Kling een kampioenschap behaald bij de stammen waterslagers. We feliciteren hem van harte met dit memorabele resultaat.
De kersverse secretaris Piet Hagenaars won 2 x goud met zijn kobalt kleurkanaries. Piet ook uiteraard van harte gelukgewenst.

Afscheid Ton Diepenhorst en nieuwe secretaris
Tijdens de jaarvergadering van 27 november hebben we afscheid genomen van Ton Diepenhorst als secretaris van de vereniging. Vanaf 2004 is Ton 14 jaar aaneengesloten secretaris van de club geweest. Hij nam in 2004 het initiatief om de vereniging een doorstart te geven. Nadat het nieuwe bestuur was begonnen heeft Ton zich erg ingespannen het ledenbestand uit te breiden en het wedstrijdmateriaal te reviseren. Als waardering voor  al het werk dat Ton in de afgelopen 14 jaar voor de vereniging heeft gedaan werd hem en z’n vrouw een etentje aangeboden.
Tijdens dezelfde ledenvergadering op 27 november 2018 is Piet Hagenaars gekozen in de vacature die door het vertrek van Ton Diepenhorst was ontstaan. Piet is voor de NZHU geen onbekende. Vanaf de oprichting in 1985 tot 2001 vervulde hij diverse bestuursfuncties, w.o. die van secretaris en penningmeester. We zijn heel blij dat Piet zich voor de functie van secretaris weer beschikbaar heeft willen stellen en wensen hem veel plezier en succes toe. De naam- en adresgegevens van de nieuwe secretaris zijn:
P.C. Hagenaars, De Waal Malefijtstraat 85, 2225 LW Katwijk.
Tel. 06-10474218. E-mail: Piet Hagenaars@outlook.com


Piet Hagenaars, de nieuwe secretaris van de NZHU.

-0-
 

Contactblad

Speciaalclub Zang NZHU
De Speciaalclub Zang NZHU is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

Oktober 2019, 35e jaargang, nr. 2

 

Inhoudsopgave
Voorwoord 
Nachtegalen luisteren in ‘Meijendel’
‘Rare jongens, die zangkanariekwekers’, over het NK Zangkanaries 
In memoriam Jaap Verboon
Van kermis naar vogeltentoonstelling – Deel 1: van kunst naar vogels
Mededelingen
  

©   Het contactblad van de Speciaalclub Zang NZHU verschijnt drie keer per jaar. De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de artikelen. Overname van artikelen of delen daaruit is toegestaan mits daarbij de naam van de auteur en de bron wordt vermeld.
 

-0-

Voorwoord

door Jaap Plokker

Enkele weken later dan jullie gewend zijn en ook mijn voornemen was ontvangen jullie hierbij de tweede editie van ons clubblad van 2019. Dat krijg je wanneer je in september met vakantie gaat en je voor het schrijven van een artikel eigenlijk te veel hooi op je vork neemt.
Diverse bij de vogelvereniging De Kanarievogel in Katwijk aangesloten waterslagerkwekers heb ik gesproken en de meesten waren redelijk tot heel tevreden over hoe hun kweekseizoen was verlopen. Niet alles ging perfect, maar vrijwel iedereen hadden de bestelde ringen voor het overgrote deel om een jong vogelpootje kunnen schuiven. Mijn vogels zijn op dit moment, begin oktober, al redelijk door de rui en de laatste dagen herken ik ook steeds meer toeren. Deze tijd blijft toch altijd spannend, omdat steeds meer duidelijk wordt of datgene wat je met je kweekplan beoogd hebt ook bereikt is. Uiteindelijk zal straks in december en januari tijdens de wedstrijden deze vraag definitief beantwoord worden.
In dit clubblad staan o.m. een verslag van een ochtend nachtegalen luisteren in Meijendel, in de Wassenaarse duinen, en het eerste deel van een artikel over het ontstaan van onze vogelverenigingen en vogeltentoonstellingen. In deel I zullen we vooral ingaan op de voorgeschiedenis en in een volgende editie hoop ik aandacht te besteden aan de eerste vogelverenigingen en vogeltentoonstellingen, waaronder de eerste wedstrijden voor zangkanaries. In het eerste deel zullen we weinig over vogels en veel over kunst lezen, maar om te snappen waarom we onze vogeltentoonstellingen organiseren op de manier zoals we gewend zijn, dan moeten we deze voorgeschiedenis erbij betrekken. Ik hoop dan ook dat jullie deze editie van het clubblad met interesse zullen lezen.

-0-

Nachtegalen luisteren in ‘Meijendel’

door Jaap Plokker

Het bij Wassenaar gelegen duingebied ‘Meijendel’ behoort tot de gebieden in Nederland waar de nachtegaal in het voorjaar uitermate frequent voorkomt. Woon je op redelijke afstand van dit duingebied en wil je genieten van nachtegalenzang dan is ‘Meijendel’ zeker een aanrader. Bij wijze van spreken kun je op de parkeerplaats, zittend in de auto, een ‘koor’ van nachtegalen horen zingen. Jan Zonderop en Piet Drop hebben al enige jaren de gewoonte om in het voorjaar naar ‘Meijendel’ te gaan om naar nachtegalen te luisteren en andere vogels te spotten. Voor deze keer hebben ze Jaap Plokker uitgenodigd hen te vergezellen.

Op dinsdag 7 mei 2019 liep om 03.30 u. mijn wekker af. Sinds m’n pre-pensioen is ingegaan ben ik niet meer gewend door een wekker wakker gemaakt te worden, maar zelfs in m’n werkzame leven was half vier ’s nachts een moment om me nog eens lekker om te draaien. Toen ik tegen m’n broers m’n voornemen vertelde om ’s nachts nachtegalen te gaan afluisteren keken ze me aan of ik inmiddels aan een vorm van verstandsverbijstering leed. Eerlijk gezegd: toen de wekker afliep konden de nachtegalen me gestolen worden en had ik het liefst me nog eens lekker omgedraaid. Echter ik kon het niet maken dat Piet Drop om 04.00 u. bij  mij voor een ongeopende deur moest blijven staan en dus toch alle moed bij elkaar verzameld en het bed uitgekropen. Klokslag vier uur stopte Piet met z’n auto voor de deur en samen reden we naar de parkeerplaats van ‘Meijendel’ in Wassenaar, waar we om tien voor half vijf uit de auto stapten. (Op kaartje: ‘A’)
Het is een merkwaardige ervaring om klokslag half vijf, in het aardedonker, op een parkeerplaats in het duingebied te staan en om je heen volop nachtegalen te horen zingen. Het was droog, weliswaar fris, maar windstil en het geluid droeg ver. Niet gehinderd door de zang van andere vogels en het ruisen van de wind in het gebladerte kon je van ver nachtegalen hun bekende lied horen zingen. Wachtend op de rest van de groep liepen Piet en ik een rondje over het parkeerterrein en bleven staan luisteren bij een nachtegaal, die op ca. 15 meter afstand tjokken, tjokkenrollen, fluiten en fluitenrollen in allerlei variaties liet horen.


Kaartje van het Meijendelgebied bij Wassenaar.

Toelichting plaatje:
A-Parkeerplaats ‘Meijendel’ 
B-Parkeerplaats ‘Boerderij’
C-Struweel nabij kruising fietspad naar ‘Boerderij’ en fietspad Wassenaarse Slag-Scheveningen
D-Duinmeer
E-Duinmeer bij uitkijkpunt ‘Meijendel’
Rode lijn     =  fietspad Wassenaarse Slag-Scheveningen
Zwarte lijn  = onze looproute ‘Boerderij’-Uitkijkpunt ‘Meijendel’ heen en terug langs dezelfde weg.

Terwijl de klok van de Kievitskerk half vijf sloeg kondigde de komst van de anderen zich al van ver aan door het ronken van de automotor en de lichten van de koplampen. Jan Zonderop was niet alleen, maar z’n vrouw Tiny en Wim Kleyweg, een hem bevriende vogelaar, waren ook meegekomen.
Nadat we elkaar hadden begroet namen we de tijd om de nachtegalen rond de parkeerplaats te gaan beluisteren. Waterslagerkwekers ontkomen er niet aan om te proberen tijdens het zingen van een nachtegaal waterslagertoeren te herkennen en te benoemen. Vaak moesten we genoegen nemen met de conclusie dat het een mengvorm was van het een of het ander. Uiteraard zouden we niet elke nachtegaaltoer in het lied van onze waterslagers willen horen, maar we hebben die ochtend schitterende fluiten, fluitenrollen, tjokken, tjokkenrollen en knorren gehoord; toervormen die in het lied van onze waterslagers niet zouden misstaan. Voor Wim, die bij ons liep, moet het af en toe geduizeld hebben. Hij was gewend om de nachtegaalzang als zodanig te benoemen en werd nu geconfronteerd met freaken die elk fragment in de nachtegaalzang ook nog wilden duiden  met een naam.


Foto. 7 mei 2019. In het schemer luisteren naar nachtegalen in ‘Meijendel’. Vlnr. Tiny Zonderop, Piet Drop, Jan Zonderop en Wim Kleyweg.

Opeens begon het regenen en leek het ons verstandig om even in de auto te schuilen. Bij de auto’s aangekomen was het al weer droog en werd van de gelegenheid gebruik gemaakt een kopje koffie te drinken. Jan Zonderop toverde klapstoeltjes uit de auto en z’n vrouw Tiny ging met de thermoskan met koffie rond. Even gezellig kletsend moest natuurlijk ook de stand van zaken met de broed aan de orde komen. Over het algemeen ging bij iedereen de kweek naar wens en waren er al aardig wat jongen geringd. Jan was bovendien behoorlijk in z’n nopjes met het feit dat hij tot dusver geen problemen met bloedluis had gehad, terwijl er toch al heel wat warme dagen waren geweest die voor een bloedluisexplosie hadden kunnen zorgen.
Of het nu door het toch wel kille weer kwam, waardoor sommige vogels weinig lust tot zingen hadden, of een ander oorzaak hieraan ten grondslag lag, maar in vergelijking tot het bezoek in 2018 constateerden Jan en Piet aanzienlijk minder zingende nachtegalen en ook het assortiment andere zangvogels was beduidend kleiner dan vorig jaar. Waren dit de gevolgen van de afname van het aantal insecten, vroegen zij zich af?


Foto. 7 mei 2019. Op uitkijkpunt Meijendel. Vlnr Piet Drop, Wim Kleyweg en Jan Zonderop, die iets bijzonders ziet. De ‘scoop’ staat stand-by.

Na nog een rondje rond de parkeerplaats te hebben gelopen werd besloten met de auto naar de ‘Boerderij’ van ‘Meijdendel’ te verkassen en daar vanuit een kijkje te gaan nemen bij de duinmeertjes. Vanaf de parkeerplaats bij de ‘Boerderij’ (Op kaartje: ‘B’) liepen we via het fietspad in de richting van het strand, naar waar dit fietspad uitkomt op dat van Wassenaarse Slag naar Scheveningen. Aanvankelijk voerde onze wandeling door een relatief bosrijk gebied (Op kaartje: tussen ‘B’ en ‘C’) en werd er geen nachtegaal gehoord, maar naarmate we dichter bij de kruising met het fietspad Wassenaarse Slag–Scheveningen kwamen ging het bos over in struweel en werden weer volop zingende nachtegalen waargenomen. (Op kaartje: ‘C’) Het fietspad richting Wassenaarse Slag volgend kwamen we links al snel bij een duinmeertje. (Op kaartje: ‘D’) Behoudens een enkele wilde eend was op en boven het water weinig vogelleven te bespeuren. Hoe anders was het toen we, even verder richting Wassenaarse Slag, op het Uitkijkpunt ‘Meijendel’ waren beland en voor ons een andere duinmeertje lag. (Op kaartje: ‘E’) We telden bij elkaar zeker een 15-tal krooneenden en spotten o.m. kuifeenden, een tafeleend en boven het water vlogen gierzwaluwen en huiszwaluwen in grote aantallen af en aan. Vanuit het uitkijkpunt zagen we zowel richting Wassenaarse Slag als richting de watertoren van Scheveningen aalscholverkolonies, herkenbaar aan de wit bescheten, dode takken van de bomen waarin de aalscholvers hun nest hadden gebouwd. Waar ik me uitsluitend moest behelpen met de bij m’n geboorte meegekregen lenzen waren Tiny en de heren daarenboven voorzien van een verrekijker en Jan Zonderop had zelfs een telescoop kijker meegenomen, waarmee je de vogels wel heel dicht naar je toe kunt halen.


Foto. 7 mei 2017. Op uitkijkpunt Meijendel. Speuren met de ‘scoop’ naar bijzondere vogels en tegelijkertijd  een kopje koffie. Vlnr. Wim Kleyweg, Jan en Tiny Zonderop en  Piet Drop.

Na nog een kopje koffie met een versnapering genuttigd te hebben braken we omstreeks 08.30 u. op en liepen langzaam terug richting de ‘Boerderij’, stoppend wanneer er een vogel duidelijk zichtbaar zat te zingen en we die even in de ‘scoop’ moesten vangen. Zo kruisten o.m. diverse grasmussen en een braamsluiper ons pad. Voor mij moest het hoogtepunt van de dag echter nog komen. Kort nadat we het fietspad Wassenaarse Slag–Scheveningen hadden verlaten en richting de ‘Boerderij’ liepen zagen we opeens bovenop een kale tak een nachtegaal zingen. (Op kaartje: ‘C‘) Snel werd door Jan de ‘scoop’ geïnstalleerd en iedereen kon even de ijverig zingende nachtegaal levensgroot in beeld zien. Hoewel ik vele malen op weg naar mijn volkstuin op de Cantineweg in Katwijk bij een bosje met een zingende nachtegaal was gestopt om hem tussen het gebladerte te ontwaren was me dat tot dusver nog nooit gelukt. Nu zat daar een zingende nachtegaal, vlak voor m’n neus, pontificaal bovenop een kale tak. Na verloop van tijd vond de nachtegaal dat hij wel genoeg volop in beeld had gezeten en vloog weg, wat voor ons het teken was om terug naar de parkeerplaats bij de ‘Boerderij’ te gaan, waar we afscheid van elkaar namen.
Om 09.30 u. zette Piet Drop me weer thuis voor de deur af. Zes uur daarvoor was m’n wekker afgelopen en met frisse tegenzin was ik uit bed gekropen. Alleen al het zicht op de zingende nachtegaal was het waard geweest bij nacht en ontij op te staan. Maar ik zou Jan, Tiny, Piet en Wim ernstig tekort doen om het gezellige samenzijn, de goede consumptieve zorgen van Tiny en Jan en de leerzame conversaties en waarnemingen hier onvermeld te laten.

-0-
 

‘Rare jongens, die zangkanariekwekers’

over het NK Zangkanaries

door Jaap Plokker

In het voorjaar van 2019 bereikten het bestuur van de NZHU berichten over een gewijzigde opzet van de Nederlandse kampioenschapen voor zangkanaries van de NBvV in Zwolle in januari 2020. Binnen de organisatie van het NK komt er voor de zangkanaries een driedaagse wedstrijd, waardoor het mogelijk wordt dat zangkanaries, waarmee de eigenaar nog aan een andere wedstrijd wil deelnemen, daags na de keuring kunnen worden opgehaald en meegenomen naar huis. Voor Jaap Plokker een gelegenheid om zijn gedachten weer eens de vrije loop te laten gaan.

Waarom geven een schaatser als Sven Kramer en een atlete als Dafne Schippers de voorkeur aan een nationale titel boven het winnen van respectievelijk de IJsselcup of het kampioenschap van de Utrechtse atletiekvereniging ‘Hellas’ en worden zangkanariekwekers liever kampioen van Katwijk, Rijssen of Urk dan Nederlands kampioen? Dit was zo’n beetje de teneur in mijn artikel ‘Nederlandse kampioenschappen zang op dood spoor?’, dat werd geplaatst in editie 2018-1 van ons clubblad. Wanneer een hobby ook als ‘sport’ wordt gekwalificeerd mag je verwachten dat ‘presteren’ een onderdeel van het totaalpakket is en bij presteren komt ook onlosmakelijk ‘het hoogst haalbare’ in beeld. Waar voor 99,9 % van de ‘sporters’ het nationaal kampioenschap een hoog aangeschreven prestatie is, het waard om op Wikipedia vermeld te worden, beschouwt het merendeel van de zangkanariekwekers een Nederlands kampioenschap als een derderangs titel. Althans, als je afgaat op de belangstelling voor deelname aan deze wedstrijd vanuit de kring van zangkanariekwekers de laatste jaren. Waar Obelix, zich voortdurend verwonderend over het doen en laten van de Romeinen, zijn verbazing uitdrukt in de opmerking ‘Rare jongens, die Romeinen’, zal voornoemd gedrag van de zangkanariekwekers bij ‘sportend’ Nederland een vergelijkbare reactie ontlokken: ‘Rare jongens, die zangkanariekwekers’.


Foto. 20 december 2018. Inkooien 34e clubkampioenschappen. Nadat Piet Drop de ringnummers heeft geregistreerd geeft Jacques de Beer de vogels van Gerard de Brabander water. Krien Onderwater wacht zijn beurt af.

Speciaalclubs versus NK
In hetzelfde artikel ging ik ook op zoek naar een verklaring voor dit verschijnsel. Omdat zangkanariekwekers de voorkeur geven aan deelname aan wedstrijden van speciaalclubs is het wellicht verhelderend onderscheidende verschillen te duiden tussen deze wedstrijden en de nationale kampioenschappen van de NBvV. Daarnaast wordt in de onderlinge conversaties het oordeel over de NK van de NBvV niet onder stoelen of banken gestoken.
Organisatorisch duren de wedstrijden van de speciaalclubs veel korter en de vogels zijn er nagenoeg identiek gehuisvest als thuis. Deelname aan een wedstrijd heeft niet of nauwelijks invloed op de zang van de vogels en binnen een korte termijn kunnen dezelfde vogels voor een andere wedstrijd worden ingezonden.
Tijdens de nationale kampioenschappen zijn de vogels veel langer van huis en staan vaak intensiever in het licht dan thuis, hetgeen effect op de zang van de vogels kan hebben en de vogels eenmaal terug bij de kweker veel langer van deze wedstrijd moeten bijkomen om weer voor een andere wedstrijd te kunnen worden ingezonden.
Verder zijn wedstrijden van speciaalclubs, naast het competitieve element, zeker ook ontmoetingsmomenten waar kwekers de gelegenheid hebben gezamenlijk naar vogels te luisteren en ervaringen met elkaar te delen. Dit sociale element ontbreekt bij de nationale kampioenschappen vrijwel volledig.
Oftewel, zangkanariekwekers lieten tot dusver de nationale kampioenschappen aan zich voorbijgaan, omdat de wedstrijd te lang duurt, de vogels te lang in te veel licht gehuisvest zijn en de sfeer van het ‘onder elkaar zijn’ ontbreekt.


Foto. 21 december 2018. Keuringsdag 34e clubkampioenschappen. Chinees buffet. Vlnr. Max Gerhards, Hans Bakhuizen, Ton Diepenhorst, Jan de Bruine en Joop Aelbrecht.

Heroriëntatie en nieuwe opzet
Ik weet dat voornoemd artikel in ons clubblad binnen de NBvV niet onopgemerkt is gebleven. In welke mate het heeft aangezet tot een heroriëntatie op de NK voor zangkanaries is mij onbekend, maar in de loop van vorig jaar bereikten mij signalen dat het bondsbestuur niet onverkort vasthield aan de tot dan toe gebruikelijke opzet van de NK, maar open stond voor een geheel eigen wedstrijd voor zangkanaries. Opmerkelijk is dat daarbij vooral werd gekeken naar de  redenen waarom de wedstrijden van de speciaalclubs populairder waren dan de NBvV kampioenschappen in, aanvankelijk, Apeldoorn en, tegenwoordig, Zwolle. Het uiteindelijke resultaat is dat de wedstrijd voor zangkanaries weliswaar is ondergebracht bij het NK in Zwolle, maar een geheel eigen opzet en programmering kent.
De zangkanaries worden, gelijktijdig met de andere vogels, op zondag ingekooid en op maandag gekeurd. Dan houden de overeenkomsten wel op. 
Op dinsdag, dus ruim voordat het NK voor publiek wordt geopend,  is er voor de zangkanariekwekers, buiten de hal waar de overige vogels zijn gehuisvest, gelegenheid elkaar te ontmoeten en mogelijk kunnen er ook vogels afgeluisterd worden. Als dit niet dit jaar het geval kan zijn, dan is het zeker de bedoeling om volgend jaar afluistersessies te programmeren. Aan het eind van die dag kunnen de inzenders hun vogels weer mee naar huis nemen. Vanwege de bijzondere programmering van Vogel 2020, dinsdag is oudejaarsdag, zullen de zangkanaries eerder dan gebruikelijk uitgekooid worden, nl. ca. 15.00 u. Vogels die op dinsdag niet worden afgehaald kunnen tijdens de openingstijden van de tentoonstelling gebruikt worden voor afluistersessies voor geïnteresseerd publiek. In onderling overleg zal dit met de hiertoe bereidwillige inzenders worden besproken. Het spreekt vanzelf dat de wedstrijdresultaten van de zangkanaries worden opgenomen in de catalogus van de NK. De wedstrijd voor de zangkanaries zal worden georganiseerd in een afzonderlijke, speciaal voor dit doel gehuurde, ruimte in de IJsselhallen.

Overstag?
Vriend en vijand zullen moeten toegeven dat de NBvV goed heeft geluisterd naar de kritiek vanuit de kring van zangkanariekwekers en vrijwel volledig aan de wensen van de kwekers is tegemoet gekomen. In de nieuwe opzet onderscheid de NK in Zwolle zich nauwelijks van een wedstrijd van een speciaalclub, met dit verschil dat in Zwolle een Nederlands kampioenschap te behalen valt. Argumenten die tot dusver werden geuit om niet naar ‘Apeldoorn’ of ‘Zwolle’ te gaan, zoals, het duurt te lang, de vogels zitten te licht, we zijn niet onder elkaar, enz., kunnen nu allemaal afgevinkt worden. Sterker, naar mijn mening lijkt de voorgenomen opzet voor de zangkanaries en de zangkanariekwekers zelfs beter dan de gang van zaken in het onder zangkanariekwekers van de voormalige ANBV onvolprezen ‘Zutphen’.
Of de zangkanariekwekers, nu aan al hun openlijk geuite kritiek gehoor is gegeven, overstag zijn en in grote getale vogels voor de NK zullen inschrijven zal de toekomst moeten uitwijzen. Ook met de nieuwe opzet zullen, indachtig het uitgangspunt van Thomas ‘Eerst zien en dan geloven’, kwekers wellicht de kat uit de boom willen kijken alvorens ze zullen deelnemen. Dat de voorgenomen opzet een enorme verbetering is en de NK nieuwe stijl de potentie heeft naar een grote wedstrijd voor zangkanaries uit te groeien staat buiten kijf.
Als …….   

Waar een wil is, is een weg
In voornoemd artikel werd eveneens geconstateerd dat door zangkanariekwekers openlijk geuite kritiek niet altijd de werkelijke reden hoeft te zijn om geen vogels voor een wedstrijd in te schrijven. Zo heb ik in het verleden wel eens bij een NZHU lid geïnformeerd waarom hij geen vogels inschreef voor de clubkampioenschappen. Als reden noemde hij dat ‘Katwijk’ te ver was. De naam van dezelfde kweker kwam ik later tegen op de inzenderslijst van wedstrijden die veel verder van zijn woonplaats verwijderd waren dan Katwijk of op nagenoeg dezelfde afstand. Kortom, de reistijd was niet de werkelijke reden voor zijn absentie. Zijn de door zangkanariekwekers geuite argumenten om niet naar het NK te gaan reëel, of verbloemen ze de werkelijke reden(en), bijvoorbeeld dat men er gewoonweg ‘geen trek’ in heeft?  Bestaat er onder zangkanariekwekers uit de voormalige ANBV nog zoveel antipathie jegens de NBvV dat ‘Zwolle’ nooit ‘Zutphen’ kan vervangen? Oftewel, uiteindelijk bepalen vooral emotionele motieven het gedrag van zangkanariekwekers en niet de rationele. Waar emotionele motieven prevaleren kan het, voor de ‘sportwereld’, merkwaardige verschijnsel optreden waarmee dit artikel begon: Zangkanariekwekers behalen liever een kampioenschap van Katwijk, Rijssen of Urk, dan een Nederlandse titel. We zullen in januari 2020 hieromtrent veel wijzer zijn geworden. Kunnen we na de NK concluderen dat de Nederlandse zangkanariekwekers zich hebben geschaard in de kring van de echte ‘sporters’, of zal het bestuur van de NBvV verzuchten: ‘Rare jongens, die zangkanariekwekers!’? 

-0-

In memoriam Jaap Verboon

door Jaap Plokker

Begin mei ontving ik een mailtje van de dochter van Jaap Verboon waarin zij mij schreef dat Jaap op 15 april 2019 is overleden. De mailbox van Jaap doornemende kwam ze mailverkeer tegen dat Jaap en ik in januari jl. hadden gehad omtrent de gezondheidssituatie van Jaap. Duidelijk was toen wel dat Jaap hard achteruit ging. Volgens zijn dochter heeft uiteindelijk z’n hart het begeven en is hem een lijdensweg met veel pijn bespaard gebleven.
Vele actieve leden die trouw de studiedag bezoeken zullen zich Jaap nog herinneren. In december 2017 had hij vanwege z’n ziekte alle vogels al weg moeten doen en had z’n lidmaatschap m.i.v. 1 januari 2018 beëindigd. Hoewel geen lid meer was er vanuit de leden nog altijd wel belangstelling hoe het met Jaap ging en vandaar dat het mij gepast leek in ons clubblad bij het overlijden van Jaap stil te staan.
Jaap Verboon is in 2009 lid geworden van de NZHU. De eerste jaren kwamen Jaap en Jan Breider altijd samen. Jaap vertrok uit Den Helder richting Hoorn en gezamenlijk reden ze dan naar Katwijk. Toen Jan om gezondheidsredenen de hobby moest beëindigen kwam Jaap alleen, of met een kennis. Hij sloeg geen wedstrijd over. Op de studiedag was hij altijd present om vogels af te luisteren en gezellig met elkaar over de waterslagerkweek en de- zang te kletsen. In de kop van Noord-Holland waren nauwelijks tot geen andere waterslagerkwekers, dus gelegenheden om gezellig over zijn specifieke de hobby met anderen te kunnen praten waren maar klein in getal. Met het bestuur hadden Jaap en Jan de stilzwijgende afspraak dat zij wat eerder hun vogels kregen, zodat zij niet zo lang in het donker naar huis hoefden te rijden. In december 2016 vertelde Jaap ons dat er longkanker bij hem was geconstateerd en achteraf was dit het begin van het ziekteproces dat  uiteindelijk zou eindigen met zijn overlijden op 15 april 2019. In december 2017 was hij nog wel op de studiedag, maar had hij alle vogels al weggedaan en had hij inzetkooitjes, etc. meegenomen zodat de club er anderen een plezier mee kon doen. Hij gaf toen ook aan dat een verder lidmaatschap van de club voor hem geen zin meer had. Het was toen ook de laatste keer dat ik met een handdruk van Jaap afscheid heb kunnen nemen. In december 2018 was Jaap te ziek om naar de studiedag te komen. Ik heb daarna in januari nog wel met Jaap via de email contact gehad. Het laatst dat hij me schreef was: ‘Ik denk dat je me niet meer ziet op de bijeenkomsten. Doe een ieder de groeten en veel kweek plezier.’
We wensen degenen die Jaap heeft achtergelaten en hem dierbaar waren heel veel sterkte in het verwerken van het verlies en het gemis.


Foto. 23 december 2017. Studiedag 33e clubkampioenschappen. Piet Drop, rechts, bespreekt de keurlijsten van zijn vogels met Jaap Verboon, midden.
 

-0-
 

Van kermis naar vogeltentoonstelling

door Jaap Plokker

Deel I – Van kunst naar vogels

Deelnemen aan vogeltentoonstellingen/wedstrijden is een belangrijk onderdeel van onze hobby, althans volgens Albert Zomer in zijn artikel ‘Heeft deelnemen aan COM of andere shows zin?’, dat in de editie van ‘Onze Vogels’ van augustus jongstleden werd gepubliceerd. In twee delen wil Jaap Plokker ons meenemen naar de oorsprong van het fenomeen tentoonstelling en de eerste vogeltentoonstellingen. Voor een goed begrip van het concept van onze vogeltentoonstellingen en hoe dat is ontstaan moeten we ver terug in de geschiedenis.  We zullen de ontwikkelingen in ons land afzetten tegen wat er in internationaal verband plaats vond. In dit eerste deel reizen we in de tijd vanaf middeleeuws Italië via het West Europa in de 18e eeuw en het ontstaan van de moderne tentoonstelling als maatschappelijk verschijnsel, tot medio de 19e eeuw toen in Nederland de eerste zang- en kamervogels op tentoonstellingen verschenen.

Inleiding
Wie op zoek gaat naar de oorsprong van de zangkanarierassen waterslager en harzer en hoe het lied van deze  rassen zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld ontkomt, mijn inziens, niet aan de conclusie dat verenigingen en wedstrijden voor zangkanaries in dit proces een cruciale rol hebben gespeeld. Tot dusver ben ik echter nog geen historische studie tegen het lijf gelopen die ons enig inzicht verschaft in het ontstaan van verenigingen en tentoonstellingen/wedstrijden voor vogels in het algemeen en zangkanaries in het bijzonder. Zelf in een gedegen werk als dat van H.K. van der Wal, die meer dan gebruikelijk op de geschiedenis van de kanariekweek ingaat, vinden we geen letter over het ontstaan van de verenigingen voor kooivogelkwekers, noch in Nederland, noch in de ons omringende landen.1 
Omdat het een omissie zou zij wanneer we de geschiedenis van de zangkanariekweek zouden onderzoeken zonder de oorsprong van de vogelverenigingen en de door hen georganiseerde wedstrijden daarbij te betrekken is gepoogd in voornoemde leemte enigszins te voorzien. Omdat de tijd voor een gedegen studie mij ontbrak is voor onderstaande volstaan met het voornamelijk raadplegen van digitale krantenarchieven, Wikipedia en wat Googlen op Internet en daarom is de hier beschreven geschiedenis van het ontstaan van vogelverenigingen en vogeltentoonstellingen niet meer dan een uitgangspunt voor verder onderzoek.

Van kermis naar tentoonstellingen / van status naar educatie
Het idee achter het concept ‘tentoonstelling’ is ons vanouds bekend van de kermis. Daar was het immers mogelijk, tegen betaling, iets exceptioneels te kunnen bekijken. Kermissen ontstonden in de Middeleeuwen als onderdeel van de festiviteiten die rond de jaarmarkten en de dag van de lokale patroonheilige werden georganiseerd. Gebruikelijke kermisattracties waren het tegen betaling kunnen aanschouwen van in een tent of herberg tentoongesteld bijzonder dier, curieus object of opgevoerde act, al dan niet met dieren.2  Eerder schreef ik in ons clubblad over gedresseerde kanaries, die op de kermis in een tent hun kunstjes vertoonden en waarnaar men, uiteraard niet voor niets, kon komen kijken.3


Foto. Een allegorisch tafereel geschilderd in het decor van een ‘schilderijenkabinet’. Schilderij van een onbekende Vlaamse meester uit de tweede helft van de 17e eeuw. (Bron: Internet)

Schilderijenkabinetten
Het bezoeken van een tentoonstelling associëren we in het algemeen eerder met het kijken naar kunst dan naar dansende beren of marcherende kanaries. Voor de oorsprong van de vogeltentoonstellingen moeten we ons dan ook eerst richten op de geschiedenis van het exposeren van kunst.
Het verzamelen van kunst in de moderne betekenis van het woord is ‘uitgevonden’ in het middeleeuws Italië. Op het eind van de Middeleeuwen werden hier de voortbrengselen van de klassieke Griekse en Romeinse cultuur  herontdekt hetgeen bij de adel en aristocraten uitmondde in het verzamelen van beeldhouwwerken en munten uit de oudheid. Van meet af aan werd niet alleen verzameld om de individuele bezitting
sdrang te bevredigen, maar werd een kunstverzameling vooral opgebouwd om hiermee aanzien, status en superioriteit te verwerven. Het waren vooral deze motieven die Paus Sixtus IV in 1471 er toe bewoog om klassieke beeldhouwwerken, die in het bezit van de Rooms Katholieke kerk waren en in de krochten van het Vaticaan lagen opgeslagen, beschikbaar te stellen om ze in een publieke ruimte te tonen. Deze beslissing van Paus Sixtus IV was echter, onbedoeld, ook het begin van een tot in onze tijd bestaand gebruik om op tentoonstellingen en in musea het kijken naar kunst niet voor te behouden aan een uiterst exclusief gezelschap, maar te kunnen delen met iedereen die daarvoor interesse heeft. Een belangrijke stap in deze ontwikkeling was de opening van het Uffizi in Florence in 1584, waar de door de schatrijke familie De’ Medici verworven kunstschatten ten toon werden gesteld. Het Uffizi wordt wel beschouwd als het oudste moderne museum van Europa. De meeste verzamelingen van de Italiaanse elite  waren niet voor het publiek te bezichtigen, maar waren in hun ‘paleizen’ ondergebracht in special daarvoor ingerichte ruimtes, ‘studiolo’s’ waar de eigenaar van de door hem aangeschafte kunstobjecten niet alleen kon genieten, maar er ook mee kon pronken als er gasten op bezoek waren.4
Het gedachtegoed van de Renaissance en de gevolgen hiervan voor de kunst, waaronder het verzamelen van kunst door de elite, verspreidde zich vanuit Italië over Europa. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw begonnen in de Lage Landen welgestelde burgers, zoals rijke kooplieden, ook een kunstcollectie op
te bouwen. De schilderijen werden naast en boven elkaar opgehangen, soms wandvullend tot aan het plafond, in een daarvoor bestemde pronkkamer: het ‘schilderijenkabinet’. Bij grote collecties werden zelfs meerdere kamers door de schilderijen in beslag genomen. Met een ‘schilderijenkabinet’, bestaande uit werken van bekende, nog levende of inmiddels overleden, meesters, kon de verzamelaar niet alleen pronken met zijn rijkdom, maar ook zijn status verhogen. Een schilderijenkabinet was dus niet alleen bedoeld om zelf naar te kijken, maar zeker ook om door anderen bewonderd te worden. Aanvankelijk bleef dat beperkt tot degenen die in het huis van de verzamelaar te gast waren.
Het opzetten en uitbouwen van een ‘schilderijenkabinet’ was in onze streken een bezigheid van de welgestelde burgerij die tot diep in de 18e eeuw populair bleef.
 


Het ‘Johanneum’, het voormalige ‘Stallgebäude’, aan de Jüdenhof /Neumarkt in Dresden tijdens het bezoek van de auteur aan de stad op 18 september 2019.

August III (1696-1763) koning van Polen en keurvorst van Saksen was in de 18 eeuw een van de belangrijkste kunstverzamelaars. Zijn collectie was over heel Europa vermaard.  Ca. 1735 verhuisde hij zijn schilderijen van zijn woonpaleis, het ‘Rezidenzschloss’ , naar het nabijgelegen ‘Stallgebäude’ en richtte hij de bovenverdiepingen van deze keurvorstelijke stal en koetshuis in als ‘Gemäldegalerie’ voor zijn indrukwekkende schilderijenverzameling. In 1741 hingen en lagen hier in totaal 4708 schilderijen aan de wanden of in depot. In 1745 besloot de keurvorst het ’Stallgebäude‘ grondig te verbouwen en in z’n geheel te bestemmen voor zijn steeds maar uitdijende schilderijenverzameling. Vanaf 1747  was de collectie, op verzoek en tegen betaling,  voor publiek te bezichtigen. In groepjes werd men onder begeleiding, die ook informatie over de schilderijen verstrekte, door de tentoonstellingsruimtes rondgeleid. De ‘Gemäldegalerie’  van de keurvorst in Dresden was daardoor in de jaren ’40 van de 18e eeuw nog niet echt een museum, maar had er al veel van weg. Met het onderbrengen van zijn schilderijencollectie in een apart gebouw, dat voor  publiek toegankelijk was, had August  III goed geluisterd naar de Franse kunstcritici en was hij de overige vorsten in Europa ver vooruit. 82 Tegenwoordig is het ‘Johanneum’ een verkeersmuseum.

De tentoonstelling doet z’n intrede
Ondanks de puissante rijkdom van sommige kooplieden in de Lage Landen behoorden de Europese vorstenhuizen tot de belangrijkste kunstverzamelaars. Voor de meesten van hen betekend het aanleggen van een indrukwekkende kunstverzameling een middel om prestige te verwerven. In de loop van de 17e en met name in de 18e eeuw was vrijwel elke monarch, via speciaal daarvoor aangetrokken agenten, actief op de kunstmarkt en probeerde met de aankoop van belangwekkende stukken anderen de loef af te steken. Grote verzamelaars waren o.m. Catharina de Grote (1729-1796), tsarina van Rusland, de Saksische keurvorsten Frederik August I (1670-1733), tevens, als August de Sterke, koning van Polen, en met name diens zoon Frederik August II (1696-1763), die als August III ook tot koning van Polen werd gekozen. Genoemden Saksische keurvorsten kochten niet alleen een indrukwekkende kunstcollectie bij elkaar, maar toverden bovendien Dresden om tot het ‘Florence aan de Elbe’, dat echter op 13 en 14 februari 1945, na een van meet af aan omstreden geallieerd bombardement, letterlijk in één grote puinhoop veranderde. Zelfs monarchen die geen enkele interesse voor kunst hadden begonnen een kunstcollectie op te bouwen om in aanzien niet bij de andere vorsten achter te blijven. In de 18e eeuw hoorde je er in de Europese hoge adel pas echt bij wanneer je je gasten een indrukwekkende kunstverzameling kon laten zien.
Niet alleen lieten ook de koningen van Frankrijk zich bij het verzamelen van kunst niet onbetuigd, maar Frankrijk ontpopte in de 17e en met name 18e eeuw zich ook als de toonaangevende Europese natie op gebied van de toenmalige goede smaak van, gedachten over en omgang met kunst. Een belangrijke rol hierbij was weggelegd voor koning Lodewijk XIV (1638-1715).  Tijdens zijn regeringsperiode werd het een streven van de overheid om het artistiek niveau van de Franse kunstenaars te verhogen. Met dit doel werd in 1648 de ‘Académie Royale de Peinture et de Sculpture’5 opgericht. Leden van de ‘Académie’ waren kunstenaars die hun vakmanschap hadden aangetoond en, eenmaal toegetreden, konden rekenen op opdrachten van het hof en de elite.  Door de ‘Académie’ bekroonde werken waren vanaf 1667 regelmatig in paleis het ‘Louvre’, in Parijs, te bezichtigen. Vanaf 1725 werd de ‘Salon Carré’ in het ‘Louvre’ de vaste locatie voor de ‘L’ Exposition’6 van de Académie. Naar de locatie waar de tentoonstelling plaatsvond werd deze steeds meer bekend als de ‘Salon’. De ‘Salon’ was vanaf 1737 toegankelijk voor publiek.
Naast het tonen van de door de ‘Académie’ bekroonde kunst aan
belangstellend publiek ontstond in de eerste decennia van de 18e eeuw in Parijs ook steeds meer de gewoonte dat particuliere verzamelaars in kunst geïnteresseerden in de gelegenheid stelden hun collectie te  bewonderen. Er werden in Parijs zelfs gidsen uitgegeven waarin de 18e eeuwse, in de regel uit de elite afkomstige, ‘toerist’, kon lezen welke verzamelingen door hem, op verzoek,  bezichtigd konden worden. Zo opende Filips II, hertog van Orléans (1674-1723) de deuren van zijn Palais-Royal voor geïnteresseerd publiek om zijn vermaarde ‘Orléans collectie’ te kunnen bekijken en ontwikkelde het ‘Hôtel de Crozat’, waar de alom geprezen verzameling van bankier Pierre Crozat (1665-1740) te bewonderen was, zich tot een  ontmoetings- en discussieplek van toenmalige kunstkenners uit binnen- en buitenland. Deze ‘democratisering’ van de kunstbeleving vloeide voort uit de in Frankrijk steeds populairder wordende opvatting dat kijken naar en het waarderen van kunst leidde tot een verhoging van het beschavingspeil van de bevolking en daarom iedere in kunst geïnteresseerde in de gelegenheid moest zijn belangwekkende kunst met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Kunst werd dus veel minder beschouwd als het exclusieve domein van vorsten en aristocraten.
Door veranderingen in het veilingsysteem werd in het begin van de 18e eeuw het steeds gebruikelijker om vooraf aan de veiling de te verkopen kunstwerken ten toon te stellen. De duur van deze veilingtentoonstellingen varieerde van enkele dagen tot anderhalve week en
was voor belangstellenden een buitenkansje om kunst te bekijken, die normaliter voor hun ogen verborgen bleef.
Als gevolg van o.m. desinteresse bij zowel het bestuur als de daarbij aangesloten kunstenaars bleek voornoemde koninklijke ‘Académie’ soms jarenlang niet in staat een tentoonstelling te organiseren. Als reactie hierop ontstond in Parijs in het begin van de 18e eeuw spontaan een openlucht schilderijententoonstelling op Place Dauphine, op Île de la Cité, vlak bij Pont Neuf, in het hartje van Parijs. Deze ‘Exposition de la Jeunesse’ vond plaats rondom Sacramentsdag, de tweede donderdag na Pinksteren. Op den duur toonden zowel bij de ‘Académie’ aangesloten gevestigde kunstenaars als aanstormend talent op deze tentoonstelling de meest recente creaties. De ‘Exposition de la Jeunesse’ kreeg daardoor de functie die daarvoor alleen aan de  tentoonstelling van de ‘Academie’ in het Louvre  was voorbehouden, namelijk een plaats voor kunstenaars niet alleen om hun werken met elkaar te vergelijken, maar ook om hun schilderijen aan de man te brengen. Voor het kennerspubliek was dit jaarlijkse evenement een gelegenheid om te discussiëren over het niveau van de kunst en om nieuw talent te ontdekken. Het grote verschil met de ‘L’ Exposition’ van de ‘Académie’ was dat aan de ‘Exposition de la Jeunesse’ iedere kunstenaar kon deelnemen en, vanwege de locatie op straat, iedereen van de kunst kennis kon nemen. O.m. het succes van de ‘Exposition de la Jeunesse’ leidde bij de ‘Academie’ tot een bezinning over haar functioneren met als gevolg dat ook de ‘Academie’ veel regelmatiger tentoonstellingen ging organiseren en vanaf 1737 de tentoonstelling  in de ‘Salon Carré’ in het Louvre ook gratis toegankelijk werd voor publiek.7
Was het verzamelen en kijken naar kunst aanvankelijk het domein van de vorstenhuizen en aristocratie, vanaf medio de 17e eeuw werd het ook voor de minder vermogenden mogelijk naar kunst te kijken. De ontwikkelingen in Frankrijk speelden hierin een belangrijke rol. De oprichting van de ‘Académie Royale de Peinture et de Sculpture’ medio de 17e eeuw leidde tot de eerste kunsttentoonstellingen in West Europa en met name vanaf het begin van de 18e eeuw ontwikkelde zich in Frankrijk een kunstcultuur waarin belangrijke particuliere verzamelaars hun collectie toegankelijk maakten voor geïnteresseerd publiek, schilderijententoonstellingen zelfs op straat werden gehouden en het kijken, bediscussiëren en kopen van kunst voor een steeds groter publiek toegankelijk werd.
De kunsttentoonstellingen die in de eerste helft van de 18e eeuw in Frankrijk werden georganiseerd voorzagen in diverse behoeftes waardoor aan een 18e eeuwse kunsttentoonstelling verschillende aspecten verbonden waren. Zo vormden de tentoonstellingen een uitgangspunt voor discussies over de  kwaliteit van de kunst en beoogden ze ook het niveau van de kunst te verhogen. De tentoonstellingen vormden een platvorm voor de kunstenaars om zich aan het publiek te tonen waardoor de verkoopmogelijkheden en markt
-waarde van hun kunstwerken aanzienlijk toenamen, zeker wanneer aan de kunstenaar een prijs of eervolle vermelding was toegekend, zoals op de tentoonstellingen van de koninklijke ‘Académie’ het geval was.
Vervang in bovenstaande ‘kunst’ door ‘vogels’ en ‘kunstenaar’ door ‘vogelkweker’ en
de verwantschap  in de opzet tussen de eerste kunsttentoonstellingen, in het bijzonder die van de  ‘Académie’, en onze hedendaagse vogeltentoonstellingen lijkt me evident.


Foto. 22 december 2018. Studiedag 34e clubkampioenschappen. Harzerkwekers aan de bar. Vlnr. Ageeth Onderwater, André Schrama, Max Gerhards, Ton Gerritsen, Jacques de Beer en Theo Kramp.

Van tentoonstelling naar museum
In bovenbeschreven ontwikkelingen in Frankrijk speelde de koninklijke kunstverzameling tot dusver nauwelijks een rol van betekenis. Waar in Parijs particuliere verzamelaars vanaf het begin van de 18e eeuw geneigd waren hun collectie aan geïnteresseerd publiek te tonen bleef het bekijken van kunst uit de koninklijke collectie vanwege de vele barrières uitermate moeizaam.
De door de Franse vorsten verzamelde kunst werd vaak gebruikt voor de inrichting van de koninklijke paleizen en kastelen. Met name Lodewijk XIV, de Zonnekoning, breidde de koninklijke kunstcollectie in de tweede helft van de 17e eeuw enorm uit. Veel kunstwerken verhuisden naar z’n, nieuwe, imposante paleis in Versailles, dat hij in 1682 in gebruik nam.
Een opmerkelijk kenmerk van het Franse hofleven ten tijde van Lodewijk XIV was de openheid. Het paleis van Versailles was open voor publiek, dat zich niet alleen kon vergapen aan de kunst waarmee het paleis was ingericht, maar ook, bijvoorbeeld, present kon zijn in de vertrekken op het moment dat de koning daar de maaltijd nuttigde. Uiteraard moeten we bij ‘publiek’ hierbij wel aantekenen dat het uitsluitend de bovenklasse van de maatschappij betrof.
Tot aan het moment dat koning Lodewijk XIV zijn residentie naar het paleis van Versailles verplaatste was het Louvre in Parijs het belangrijkste paleis van het Franse hof.  Door de verhuizing naar Versailles raakte het Louvre aan het eind van de 17e eeuw in onbruik. Desondanks bleef er na de verhuizing naar Versailles nog veel kunst over dat min of meer in depot in het Louvre en andere overheidsgebouwen lag, hing of stond. Een belangrijk deel van de ‘opgeslagen’ kunst bevond zich in de residentie van de toezichthouder op de koninklijke gebouwen, in het ‘Hôtel de la Surintendance des B
âtiments du Roi, in Versailles. Met toestemming van de toezichthouder was het voor geïnteresseerd publiek mogelijk de hier opgeslagen, soms letterlijke opgestapelde, schilderijen te bekijken of, door schilders, te kopiëren. De kunst was echter zo ongeordend weggezet en de toestemming om binnen te komen had zoveel voeten in de aarde dat van de mogelijkheid om de, bijvoorbeeld, in  het ‘Hôtel de la Surintendance’ en in het ‘Louvre’ aanwezige kunst te bekijken in de praktijk nauwelijks gebruik werd gemaakt.
In 1747 klaagde de toenmalige invloedrijke Franse kunstcriticus Etienne La Font de Saint-Yenne over het niet kunnen bekijken van de werken van de overleden meesters uit de schilderijencollectie van de koning. In een kritische publicatie naar aanleiding van de in 1746 georganiseerde tentoonstelling in de ‘Salon’ pleitte hij o.m. voor de oprichting van een voor iedereen toegankelijk permanente tentoonstelling, een museum dus.  Het ‘Louvre’ leek hem een daarvoor een uitermate geschikte locatie. De kritiek van La Font vond bijval aan het hof, want vanaf 1750 was in Parijs, op woensdag en zaterdag,  het ‘Palais du Luxembourg’ drie uur, gratis, voor het publiek geopend om geselec
teerde werken uit de koninklijke collectie te kunnen bezichtigen. Van deze mogelijkheid werd massaal gebruik gemaakt. In 1779 besloot koning Lodewijk XVI  om aan het publiek bezoek van de in het ‘Palais du Luxembourg’ tentoongestelde werken een eind te maken, omdat hij het gebouw als verblijf voor zijn broer en toekomstige koning Lodewijk XVIII had bestemd.
In aansluiting op het pleidooi van Etienne La Font en mogelijk mede naar aanleiding van publicaties van o.m. de bekende Franse filosoof Diderot namen de achtereenvolgende directeurs-generaal van de koninklijke gebouwen, markies de Marigny en met name graaf d’Angiviller, in de jaren ’70 van de 18e eeuw initiatieven een permanent koninklijk museum te stichten. Hun plannen werden heel actueel nadat in 1779 de tentoonstelling in het ‘Palais du Luxembourg’ was gesloten en de koninkijke kunstcollectie zich dus weer achter slot en grendel bevond. In de plannen van d’Angiviller was het ‘Louvre’, zoals ook La Font de Saint-Yenne in 1747 al had bepleit, een geschikte locatie als permanent museum voor de koninklijke kunstcollectie. Met de verhuizing van het hof naar Versailles had het ‘Louvre’ immers haar functie van paleis verloren en werden ruimtes, behalve voor kunstopslag, toch al voor andere (kunst)doeleinden benut. Hiervoor zagen we dat de ‘Académie Royale de Peinture et de Sculpture’ vanaf 1725 in het gedeelte van het
Louvre dat bekend staat als de ‘Salon’ schilderijen van de leden exposeerde.
Als gevolg van de Franse Revolutie verdwenen de voornemens voor een nationaal museum in de ijskast, maar d’Angiviller bleef de nieuwe machthebbers achtervolgen met zijn plan en in 1791 besloot de Wetgevende Vergadering tot de vestiging van een permanent museum in het ‘Louvre’. Op 10 augustus 1793 werd het ‘Muséum Central des Art de la Republique’ geopend. Tijdens het bewind van Napoleon Bonaparte werd de naam gewijzigd in ‘Musée Napoléon’. Na diens val kreeg het museum de naam ‘Musée Royal du Louvre’, naar het voormalig koninklijk paleis waarin het gevestigd was. Aanvankelijk was het museum op doordeweekse dagen uitsluitend voor kunstenaars toegankelijk.
Zij konden dan in alle rust de werken bestuderen en schildersvaardigheid opdoen met het kopiëren. Het gewone publiek kon alleen op zondag naar binnen. Pas ten tijde van Napoleon III (1808-1873) werd het voor het publiek mogelijk ook op de andere dagen dan zondag de museumcollectie te bekijken.8

Ondertussen in de Republiek
De verzamelwoede van de Europese vorsten in de 18e eeuw ging aan de Republiek niet voorbij. Hoewel de Republiek, in tegenstelling tot vrijwel alle Europese staten, geen monarchie was eigenden de stadhouders van het huis van Oranje zich graag een vorstelijke status toe. In 1747 werd daadwerkelijk een stap in deze richting gezet toen het stadhouderschap erfelijk werd verklaard. Ook stadhouder Willem V wilde bij de Europese vorsten niet achterblijven en begon een indrukwekkende collectie kunst te verzamelen, in het bijzonder schilderijen. In 1771 kocht Willem V in Den Haag twee belendende panden aan het Buitenhof met de bedoeling er een kabinet te realiseren voor zijn schilderijencollectie. Het ‘Stadhouderlijk Kabinet van Schilderijen’ werd in 1774 geopend en was voor iedereen toegankelijk. Waar ze voorheen alleen te zien waren geweest voor genodigden van de stadhouder stonden nu kunstenaars en geïnteresseerde burgers voor het eerst oog in oog met meesterwerken van de buitenlandse en Nederlandse schilderkunst. Voor zover bekend was dit ‘Stadhouderlijk Kabinet’ in Nederland het eerste kunstmuseum in de moderne betekenis van het woord.
Na de patriottische revolutie ontstond in 1795 de Bataafse Republiek en verdween stadhouder Willem V naar Engeland. De patriotten in Nederland werden sterk beïnvloed door het gedachtegoed van de filosofen van de Verlichting en wat zich in Frankrijk, o.m. op kunstgebied,  afspeelde.  Eén van de patriottische kopstukken was Alexander Gogel en hij nam het initiatief om, in navolging van wat in Parijs met het ‘Louvre’ was gebeurd, ook in de Bataafse Republiek een ‘Nationale Konst-Galerij’ te realiseren. Zijn oog was hiervoor gevallen op het paleis ‘Huis ten Bosch’ in Den Haag. Op 19 november 1798 werd Gogel hiertoe gemachtigd en op 31 maart 1800 werd het museum voor publiek geopend. De toegangsprijs was elf stuivers, een voor die tijd dusdanig groot bedrag, ca. een half dagloon van een ongeschoolde arbeider, dat hierdoor hoofddoelstellingen van het museum: het verhogen van het beschavingspeil en het kweken van een nationaal bewustzijn aan slechts een deel van de bevolking was besteed. Toen in 1805 raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck ‘Huis ten Bosch’ als residentie betrok moest het museum noodgedwongen verhuizen naar het Buitenhof. Nadat Koning Lodewijk Napoleon had besloten in het paleis op de Dam een nationaal museum te vestigen werden in de loop van 1808 de schilderijen van de ‘Konst Galerij’ van Den Haag naar Amsterdam overgebracht.
Dat het in de Lage Landen inmiddels ook gebruikelijk was geworden om kunstverkoop en tentoonstelling aan elkaar te koppelen blijkt wel uit een advertentie in de
Haagsche Courant van 10 mei 1805  waar onder de kop ‘Tentoonstelling van uitmuntende schilderyen’ het volgende was afgedrukt: ‘Gedurende deze week is ten huize van J. Barnsteen (…) te zien: Eene Verzameling van Kunstige en Plaisante Schilderyen van de  beste in- en uitlandsche Meesters. (…) De Entrée is voor ieder Persoon 6 stuivers. Ook zyn gemelde schilderstukken te koop’.10

Rariteitenkabinetten
De verzamelwoede van vorsten en de vermogende burgerij in de 16e t/m 18e eeuw beperkte zich niet tot kunst. Na de ontdekkingsreizen arriveerden vanaf de 16e eeuw in Europa uit exotische landen allerlei bijzondere voorwerpen, die de drang tot verzamelen stimuleerde. Tegelijkertijd ontwikkelde zich ook de wetenschap op diverse fronten, zoals op het gebied van flora en fauna, de menselijke en dierlijke anatomie en de natuur in al zijn facetten. Daarnaast was ook de belangstelling voor de antieke oudheid uit Italië naar de rest van Europa overgewaaid. Met name academisch geschoolden verzamelden behalve kunst ook objecten van een meer wetenschappelijk gehalte. Men zou kunnen zeggen dat alles wat curieus was zich in de interesse van een verzamelaar mocht verheugen. Uit de oudheid waren dat  munten en klassieke beelden; uit exotische oorden waren door mensen vervaardigde objecten, zoals bewerkt ivoor, Japans lakwerk, porselein uit China, populair. Ook in onze streken onbekende voortbrengselen van tropische flora en fauna zoals, gedroogde planten, opgezette dieren, schelpen, koraal, etc. vonden gretig aftrek. Iemand die zich interesseerde voor de natuurwetenschappen verzamelde mineralen, edelstenen, fossielen; de opkomende medische wetenschap stimuleerde het verzamelen van oorspronkelijk levende wezens op sterk water, zoals Siamese tweelingen; anderen legden zich weer toe op het verzamelen van wiskundige, natuurkundige, scheikundige en medische instrumenten. Een dergelijke collectie van allerlei curiosa werd een ‘rariteitenkabinet’ genoemd. Wie in 1710 het genoegen mocht smaken een kijkje te mogen nemen in het over diverse huizen verdeelde kunst- en rariteitenkabinet van de in Amsterdam woonach
-tige anatoom, zoöloog en botanicus Frederick Ruysch (1638-1731) trof daar o.m. 1000 dozen met vlinders, sprinkhanen, kevers en zeegewassen, 39 herbaria met tussen papier geplette en gedroogde planten, schuifladen met horentjes en schelpen, 180 flessen met zeldzame vogels, 1600 flessen met dieren en ongeveer 1300 flessen met preparaten, met als topstukken geprepareerde kinderlijkjes.  De scheidslijn tussen het bezoek aan een kunst- en rariteitenkabinet en een curieus object op de kermis was in de 17e en 18e eeuw dus soms heel dun; met dit verschil dat een kermisattractie voor iedereen, tegen betaling, te bekijken was, terwijl het bezoek aan een kunst- en rariteitenkabinet aan een select gezelschap was voorbehouden.

Van rariteitenkabinetten naar musea
Hoewel de burgerij in de Republiek zo vermogend was dat het aantal kunsten rariteitenkabinetten relatief hoog was beperkte de verzamelwoede in curiosa in de 16e tot en met de 18e eeuw zich niet tot de Nederlanden, maar was dit een Europees fenomeen. Een in dit verband belangrijke Engels verzamelaar was Elias Ashmole (1617-1692), naast oudheidkundige, politicus, legerofficier, astroloog, was hij een fervent verzamelaar van boeken over onderwerpen die zijn belangstelling hadden. Naast zijn indrukwekkende biblio-theek bezat hij ook een imposant ‘rariteitenkabinet’. Bij leven doneerde Elias Ahsmole zijn boeken en curiosa aan de universiteit van Oxford onder de voorwaarde ‘dat de rariteiten zullen worden tentoongesteld gedurende het hele jaar, behalve zondagen en feestdagen van 8 tot 11 uur in de morgen en van 14 tot 17 uur in de middag’. Om dit te kunnen realiseren liet de universiteit een pand bouwen, het ‘Musaeum Ashmolianum’, dat in 1683 in gebruik werd genomen. Vanaf dat moment kon iedereen, tegen betaling, naar de collectie van Elias Ashmole komen kijken. Algemeen wordt het ‘Ashmolian Museum’ als het oudste moderne museum van West Europa beschouwd.11
Ook een verwoede Britse verzamelaar was de Schotse arts en botanicus Hans Sloane (1660-1753).  Men
schat dat hij bij leven minstens £ 100.000,00 had uitgegeven om zijn verzameling op en uit te bouwen, waaronder door aankoop van Nederlandse collecties. In zijn testament schonk Hans Sloane zijn complete verzameling aan Koning George II onder de voorwaarden dat aan zijn erfgenamen £ 20.000,00 zou worden uitgekeerd en zijn collectie zou worden ondergebracht in een gebouw met de opdracht de verzameling ‘in stand te houden, niet alleen voor de bezichtiging door en het amusement van de ontwikkelden en nieuwsgierigen, maar ook voor algemeen gebruik en tot profijt van de gemeenschap’.12 Nog in het jaar van zijn overlijden werd op 7 juni 1753 de ‘British Museum Act’ van kracht. De regering organiseerde een loterij en met de opbrengst daarvan werd een vrij toegankelijk openbaar museum voor o.m. Sloane’s verzameling gerealiseerd. Het ‘British Museum’ is het oudste museum ter wereld dat door een rijksoverheid is gesticht en wordt geëxploiteerd.


Foto. 22 december 2018. Studiedag 34e clubkampioenschappen. Pauzepraatje van waterslagerkwekers: Vlnr. Jan Zonderop, Boudewijn v/d Stelt, Joop Aelbrecht, Andries Gort, daarachter Chagas Pinheiro.

Eerste musea in de Republiek
Hiervoor zagen we dat de Republiek in de 17e en 18e eeuw tal van kooplieden, wetenschappers en vermogende burgers telde die verzamelden, hun collectie in een kunst- of rariteitenkabinet bewaarden en maar al te graag aan hun gasten toonden. Na het overlijden van de verzamelaar werden de collecties vaak geliquideerd en verdwenen regelmatig naar het buitenland; zo niet de verzameling van Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778). Pieter Teyler van der Hulst was een vermogend zijde- en lakenfabrikant en bankier te Haarlem. Hij had een grote belangstelling voor kunst en wetenschap en bouwde een omvangrijke verzameling op van munten, prenten, tekeningen, boeken, natuurkundige instrumenten, fossielen, mineralen, etc. Bij testament liet hij zijn vermogen en collectie na aan een op te richten stichting. De stichting kreeg tot doel kunst en wetenschappen te bevorderen. Op de dag van het overlijden van Pieter, op 8 april 1778, werd de Teyler stichting opgericht en kort daarna werd besloten de collectie van Pieter Teyler onder te brengen in een speciaal daarvoor te realiseren gebouw, dat in 1784 voor het publiek werd geopend. Naast het door stadhouder Willem V in 1774 gestichte, voor iedereen toegankelijke, ‘Stadhouderlijk Kabinet van Schilderijen’ was het Teylers Museum het eerste Nederlandse museum met een collectie die uit meer bestond dan schilderijen. Na o.m. het  Uffizi in Florence, het Ashmolian te Oxford en het British Museum in Londen, behoren deze twee Nederlandse tot de oudste, nog bestaande, musea van Europa.

Technologische vernieuwingen
Waren de ‘klassieke’ kunst- en rariteitenkabinetten vooral ingericht door verzamelaars met een bijzondere belangstelling voor het ‘exotische’, de interesse voor het ‘curieuze’ richtte zich na verloop van tijd ook op de natuurkundige en technologische ontwikkelingen’, die, met name,  zich in de loop van de 18e eeuw voltrokken. Een bijzonder nieuw fenomeen in de tweede helft van de 18e eeuw was de stoommachine, of ‘vuurmachine’ zoals deze toen ook werd genoemd. Stoommachines spraken mensen tot de verbeelding: voor het eerst in de geschiedenis was het mogelijk om handmatige arbeid te vervangen door mechanische, die niet afhankelijk was van de natuurlijke energiebronnen water en wind. Toen in februari 1794 bij Uithoorn aan de Amstel een stoommachine in gebruik werd gesteld om de ‘Meijdrechtse Poel’ droog te malen13 stelde de directie van de droogmakerij geïnteresseerd publiek in de gelegenheid tegen betaling van 5½ stuiver, ten behoeve van de armen, de in werking zijnde stoommachine te bezichtigen.14  De fascinatie van de mensen voor wat de techniek al niet vermag zou met de opkomende industrialisatie en het groeiend aantal technologische uitvindingen en vernieuwingen alleen maar groter worden en in de 19e eeuw een belangrijk drijfveer worden voor het organiseren van tentoonstellingen.

Slot
Tot slot van dit hoofdstuk keren we terug naar waar we begonnen: op de kermis. Tijdens de Amsterdamse kermis in september 1803 kon  je tegen een entree van één gulden in een ruimte boven het Naarder Veerhuis gekleurde tekeningen van beroemde, in het ‘Musée Napoleon’ tentoongestelde, schilderijen bezichtigen; een rondreizende tentoonstelling van door de uit Parijs afkomstige A. Liernur in het ‘Louvre’ getekende kopieën als kermisattractie.15
We zagen dat met name vanaf het begin van de 18e eeuw, mede gevoed door het gedachtegoed van de Verlichting, er een tendens door Europa trok, te beginnen in Frankrijk, waarin kunst- en rariteitenverzamelingen niet meer het exclusieve domein waren van de elite, die zich een dergelijke collectie financieel kon veroorloven, maar ook toegankelijk moest zijn voor de burgerij, opdat zij haar kennis- en beschavingspel kon verhogen. Voor ons vanzelf
-sprekende fenomenen als ‘tentoonstellingen’ en ‘musea’ deden hun intrede in de moderne West-Europese geschiedenis. Voorname verzamelaars stelden hun collectie ter beschikking voor de oprichting van een museum. Tentoonstellingen toonden niet alleen het artistieke niveau op dat moment, maar fungeerden ook als inspiratiebron en stelden kunstenaars tevens in de gelegenheid zich aan een groter publiek te presenteren, hun naam te vestigen en hun artisticiteit te verzilveren.


Foto. 22 december 2018. Studiedag 34e clubkampioenschappen. Afluisteren van waterslagers.

Tentoonstellingen in de eerste helft van de 19e eeuw
Vanaf ca. 1800 zien we dat tentoonstellingen niet alleen werden ingezet om  kunst en wetenschappen op te stuwen naar een hoger niveau, maar ook een instrument werden in het beleid van nationale overheden om technologische ontwikkelingen en de economie van het land te stimuleren. Ook voor deze ontwikkeling moeten we de oorsprong in Frankrijk zoeken.

Stimulering economische vooruitgang door tentoonstellingen
Koning Lodewijk Napoleon komt de eer toe, als eerste in Nederland, het nog vrij jonge fenomeen ‘tentoonstelling’ in te zetten om niet alleen de kunst en wetenschappen naar een  hoger niveau te stuwen,  maar ook om de Nederlandse economie te stimuleren.
In 1806 besloot Napoleon Bonaparte zijn jongere broer Lodewijk Napoleon als ‘stroman’ tot koning van Holland te ‘bombarderen’. Met frisse tegenzin aanvaardde de 27 jarige, reumatische, Corsicaan zijn lot en op 5 juni 1806 werd hij als koning geïnstalleerd. Na aanvankelijk in Den Haag en Utrecht gewoond te hebben besloot hij naar Amsterdam te verhuizen en intrek te nemen in het voormalige stadhuis op de Dam en dit te verbouwen tot een voor hem geschikt en waardig paleis. Aldus promoveerde Amsterdam
, als residentie van de vorst, tot hoofdstad van het koninkrijk, hetgeen tot op heden zo gebleven is.
Op 8 oktober 1807 werd door koning Lodewijk Napoleon, ‘steeds bedacht, om kunst, vlijt en nijverheid binnen deszelfs Rijk aan te kweeken’,16  een decreet uitgevaardigd waarin de tweejaarlijkse organisatie van een ‘algemeene openbare tentoonstelling van de Voortbrengselen der Volksvlijt’ werd afgekondigd. Voor deze tentoonstelling zouden   moeten worden ingezonden ‘alle de voortbrengselen van Vaderlandsche Vlijt of de Stalen of Monsters van dezelve, de Kunstwerken, de in dit Koningrijk uitgevondene of verbeterde Werktuigen, de over het algemeen weinig bekende, doch echter in dit land gemaakte Werktuigen, of de Modellen van deze onderscheidene Werktuigen’.17  De tentoonstelling beoogde de ‘aanmoediging en opwekking der Volksvlijt’ en ‘den bloei der fabrijken’.18  Door de overheid werd aan het organiserend comité niet alleen een subsidie toegekend voor de organisatie, maar ook om prijzen uit te reiken aan de door een jury toegekende prijswinnaars. Met het uitreiken van prijzen en eervolle vermeldingen probeerde men technologische ontwikkelingen en innoverend ondernemerschap te stimuleren. De bedoeling was om de tentoonstelling af te sluiten met een markt, die tien dagen zou duren en waarop een stand was gereserveerd voor de  ‘Kooplieden, Fabrijkanten en Kunstenaars, welke eenige Goederen op de publieke tentoonstelling hebben gebragt’.19
Ongetwijfeld was Lodewijk Napoleon voor voornoemd decreet geïnspireerd door het concept van de Franse ‘Exposition des Produit de l’Industrie Française’. De eerste ‘Exposition’ werd in 1798 georganiseerd in Parijs, ten tijde van het ‘Directoire’ (1795-1799). Tijdens het bewind van Lodewijk Napoleon’s oudere broer, Napoleon Bonaparte, werden in 1801, 1802 en 1806 nog eens drie tentoonstellingen georganiseerd waarop technische innovaties en opmerkelijke producten van de Franse nijverheid te bezichtigen waren.20  Het idee achter deze nijverheidstentoonstellingen was ongetwijfeld mede ontleend aan het aloude concept van de door de ‘Académie Royale de Peinture et de Sculpture’ georganiseerde kunsttentoonstellingen in de ‘Salon’ in het ‘Louvre’.
In Nederland werd de eerste openbare tentoonstelling van de voortbrengselen der Volksvlijt gehouden in Utrecht in het ‘Stads-Erfhuis’ aan de Maria Plaats, in de Raadkamer van het Stadhuis en in het Auditorium van de universiteit en op 19 april 1808 geopend.21  De keuze voor de ‘Domstad’ hield ongetwijfeld verband met het feit dat koning Lodewijk Napoleon vanwege zijn reumatische aandoeningen besloten had van Den Haag naar Utrecht te verhuizen en in het voorjaar van 1808 Utrecht dus de hoofdstad van het Koninkrijk Holland was. In de edities van de Koninklijke Courant van 14, 15, 16  en 18 juli 1808 werd uitgebreid verslag gedaan van de inzendingen en de door de jury aangewezen eervolle vermeldingen. Deze waren voor een belangrijk deel toegewezen aan voortbrengselen van de textielnijverheid. Ook door de papier-, glas- en aardewerknijverheid geproduceerde goederen ontvingen lovende kritieken.
22
Hoewel, naar we aannemen, koning Lodewijk Napoleon de nijverheidstentoonstelling vooral beschouwde als een instrument om de Nederlandse economie een impuls te geven, had van meet af aan de tentoonstelling tevens het karakter van een wedstrijd en was het voor de deelnemers een podium om zich aan en breder publiek te presenteren en hiermee de naamsbekendheid en omzet te vergroten, zoals ook het geval was met de kunsttentoonstellingen van de Franse ‘Académie’. Het competitieve aspect en het commerciële belang was door de koning in diverse bepalingen in het decreet van 8 oktober 1807 vastgelegd, zoals het toekennen van medailles en eervolle vermelding-en door een deskundige jury en de organisatie van een markt. Dat ondernemers de tentoonstelling ook zagen als een reclame instrument blijkt wel uit advertenties die in kranten verschenen en waarin de adverteerder verwees naar door desbetreffend bedrijf op de tentoonstelling geëxposeerde objecten en behaalde eervolle vermeldingen.23  Hierdoor hadden de in Nederland georganiseerde tentoonstellingen waarop het bedrijfsleven zich etaleerde van meet af aan ook deels het karakter van wat we tegenwoordig een ‘beurs’ zouden noemen.
Hoewel Koning Lodewijk Napoleon had bevolen om de twee jaar een dergelijke tentoonstelling te organiseren vond de tweede al  in 1809 plaats. Ditmaal was het ‘koninklijk
magazijn, op de scheepstimmerwerf der marine, op Kattenburg’ te Amsterdam de locatie waar de geëxposeerde objecten bezichtigd konden worden. Middels een oproep in de krant riepen plaatselijke bestuurders lokale kunstenaars en ondernemers op om aan deze tentoonstelling deel te nemen. De bedoeling was immers dat  ‘kunstenaars en fabrijkeurs, uit alle oorden des rijks, zich beijveren, voor het oog van hunne landgenooten, proeven over te leggen van de uitgebreidheid en voortreffelijkheid hunner vlijt in onderscheiden vakken en om daar door de natie bekend te maken met voortbrengselen, welke men naauwelijks dacht  dat binnen dit rijk vervaardigd werden’.24
Op 1 juli 1810 besloot keizer Napoleon Bonaparte, ontevreden over het, naar zijn oordeel, te eigenzinnig en te weinig volgzaam functioneren van zijn broer, Lodewijk Napoleon als koning van Holland af te zetten en op 9 juli 1810 werd Nederland bij het Franse keizerrijk ingelijfd. Als gevolg van de politieke en militaire situatie stopte Napoleon Bonaparte met het organiseren van nationale ‘Expositions’ ter stimulering van de Franse industrie. Er werden in het keizerrijk nog wel regionale nijverheidstentoonstellingen georganiseerd, zoals die in de Normandische stad Caen in de zomer van 1811, die zich in de belangstelling mocht verheugen van ‘H.M. de Keizerin-Koningin’ Marie Louise.25 Dergelijke regionale initiatieven ontbraken in Nederland. De tweede nationale nijverheidstentoonstelling in 1809 was vooralsnog de laatste in Nederland. Koning Lodewijk Napoleon had, tot groeiende ergernis van zijn broer Napoleon Bonaparte, zich steeds meer ontpopt als een onafhankelijk opererend vorst, bij wie de belangen en de inwoners van ‘zijn’ koninkrijk nader aan het hart lagen dan die van Frankrijk. Met zijn vertrek verdween ook de drijvende kracht achter de organisatie van nijverheidstentoonstellingen ter stimulering van de Nederlandse  economie.

Stimulering kunst en wetenschap door tentoonstellingen
In de 18e eeuw werden er in de Republiek verschillende genootschappen opgericht die tot doel hadden de wetenschap te bevorderen. Zo werd op 21 mei 1752 de ‘Hollandsche Maatschappye der  Weetenschappen’ opgericht, een genootschap dat onder de naam ‘Koninklijke Hollandsche Maatschappij der  Wetenschappen’ nog steeds bestaat. Hiervoor zagen we dat Pieter Teyler van der Hulst bij testament zijn vermogen en collectie had nagelaten aan een stichting die tot doel had de wetenschap te bevorderen met als resultaat de stichting van het Teyler Museum in Haarlem. Waren het in de 18e eeuw in de Republiek vooral particulieren die, vanuit hun persoonlijke belangstelling en betrokkenheid, naar instrumenten zochten om het niveau van kunst en wetenschap te bevorderen, koning Lodewijk Napoleon, opgevoed in de traditie van een actieve nationale overheid op dit gebied,  zag het stimuleren van kunst en wetenschappen van meet af aan ook als een opdracht voor hem als de vorst van het Koninkrijk Holland.

Koning Lodewijk Napoleon als initiatiefnemer
Kort na zijn installatie op 5 juni 1806, in november 1806, nam Lodewijk Napoleon het initiatief tot de installatie van een commissie die hem moest adviseren op welke manier in het ‘Koningrijk Holland’ de kunst en wetenschap naar een hoger niveau gebracht konden worden. Lodewijk Napoleon benoemde niet alleen een  ‘directeur-generaal van wetenschappen en kunsten’ om leiding te geven aan het wetenschaps- en kunstbeleid, maar droeg hem o.m. ook op dat ‘evenals in de overige rijken van Europa’ ook in Nederland ‘van tijd tot tijd eene openbare tentoonstelling van inlandsche kunstwerken zou plaats grijpen’.26  Als onderdeel van zijn kunst- en wetenschapsbeleid besloot Lodewijk Napoleon in 1808 tot de stichting van een ‘Koninglyk Museum’ en de oprichting van het Koninklijk Instituut voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten’. 27 Het instituut was opgedeeld in diverse ‘Klassen’, waarvan de vierde Klasse, zich toelegde op de ‘schoone kunsten’.
Naast voornoemde, in april 1808 gehouden, nijverheidstentoonstelling werd, op initiatief van de directeur-generaal van wetenschappen en kunsten, in het najaar van 1808 in het ‘Koninglyk Paleis’ te Amsterdam ook een tentoonstelling georganiseerd waaraan uitsluitend door levende kunstenaars, i.c. kunstschilders, graveurs, beeldhouwers en architecten, werd deelgenomen. Aan deze tentoonstelling verleende koning Lodewijk Napoleon alle mogelijke ondersteuning door twee zalen in het paleis op de Dam ter beschikking te stellen. De commissie ‘schoone kunsten’ van voornoemd  ‘Koninklijk Instituut’ kreeg opdracht de tentoonstelling mede te organiseren en de ingezonden werken te beoordelen.28
Naast de keuze om er in het vervolg te gaan wonen werd het paleis op de Dam door Lodewijk Napoleon ook aangewezen als de locatie van het door hem gewenste ‘Koninglyk Museum’. In 1808 werd hiervoor de bovenverdieping van paleis ingericht en o.m. schilderijen van de in  Den Haag gevestigde ‘Konst-Gallerij’ naar Amsterdam overgebracht. Deze collectie, die hoofdzakelijk bestond uit schilderijen uit de verzameling van de voormalige stadhouders van Oranje-Nassau, werd o.m. uitgebreid met door Lodewijk Napoleon uit eigen vermogen aangekochte schilderijen. Vanaf 15 september 1809 was het ‘Koninglyk Museum’ in het paleis op de Dam geopend voor publiek.
Wie in het najaar van 1808 de eerste nationale kunsttentoonstelling in het paleis op de Dam
ging bekijken kon dus  niet alleen kennis nemen van werken van nog actieve kunstenaars  maar ook ‘uit het zich  nog in Den Haag bevindende museum, de beste voortbrengselen van het penceel onzer oude meesters, (…) met het, door Uwe Majesteit zelve, slechts even te voren aangekochte, naar Amsterdam te doen overbrengen, en in de grootse dier zalen te doen ophangen, waarbij die hoofdstad uit hare verschillende openbare gebouwen, nog eenige meesterwerken toevoegde’29 De schrijver doelde hiermee o.a. op Rembrandt’s schilderij ‘De compagnie van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren’ ons beter bekend als ‘De Nachtwacht’. Op deze wijze werden de oude meesters en nog levende kunstenaars in een tentoonstelling onder één dak verenigd. De naar het paleis op de Dam overgebrachte werken van oude meesters vormden de ruggengraat van de collectie van de in het paleis gevestigde ‘Koninglyk Museum’, dat na het vertrek van Lodewijk Napoleon zou blijven bestaan als het ‘Groot Hollandsch Museum’ en uiteindelijk, na ook een periode in het ‘Trippenhuis’ te Amsterdam gevestigd te zijn geweest, in 1885, een definitief onderdak zou krijgen in hét ‘Rijksmuseum’.
In de Koninklijke Courant van 2 mei 1810 werd door de directeur-generaal der wetenschappen en kunsten de in september 1810 te Amsterdam te organiseren tweede ‘openbare ten-toonstelling der verschillende voortbrengselen der kunst’ aangekondigd. Dit maal was het ‘Ouden Mannenhuis’ de tentoonstellingslocatie, dat op 27 september 1810 voor publiek werd geopend.30
Had het afzetten van koning Lodewijk Napoleon en de inlijving bij het Franse keizerrijk in 1810 tot gevolg dat er geen nationale nijverheidstentoonstellingen meer werden georganiseerd, dit gold niet voor de nationale kunsttentoonstellingen. De reden hiervoor was waarschijnlijk dat het initiatief niet meer uitging van de overkoepelende overheid, maar van plaatselijke bestuurders, in dit geval het gemeentebestuur van Amsterdam. De praktische organisatie werd steeds meer gedelegeerd naar een commissie uit het in 1808 door koning Lodewijk Napoleon opgerichte Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Ook nadat Koning Willem I het gezag over de Nederlanden van het Franse bestuur had overgenomen continueerde men in Amsterdam de traditie van de jaarlijkse
kunsttentoonstelling.31  In 1814 werd hier een qua opzet identieke, door de ‘Haagsche Teekenakademie’ georganiseerde tentoonstelling aan toegevoegd. Op het eind van de jaren ’20 werd de organisatie hiervan overgenomen door het stadsbestuur van Den Haag.32  In de loop van de 19e eeuw begonnen ook andere zichzelf respecterende steden, zoals Rotterdam, kunsttentoonstellingen te organiseren.33 Gedurende de eerste decennia van de 19e eeuw zien we dus dat de organisatie van kunsttentoonstellingen van een nationale onderneming steeds meer ook op stedelijk niveau plaats vond. Dit proces van geografische schaalverkleining zette zich door in het verdere verloop van de 19e eeuw; op allerlei fronten.

Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij en de bijzondere planten tentoonstellingen
Hiervoor zagen we dat in de 18e eeuw verschillende genootschappen werden opgericht die tot doel hadden de wetenschap te bevorderen. Uit de op 21 mei 1752 opgerichte ‘Hollandsche Maatschappye der  Weetenschappen’ ontstond in 1777 de ‘Oeconomische Tak van de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen’ dat in 1797 als zelfstandige organisatie verder ging als ‘Nationale Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij’. In 1807 werd de naam door Lodewijk Napoleon gewijzigd in ‘Hollandsche Huishoudelijke Maatschappye’ en onder koning Willem I herdoopt in ‘Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij’. De ‘Huishoudelijke Maatschappij’ was opgesplitst in een aantal regionale ‘departementen’.34 
De activiteiten van het genootschap bestonden o.m. uit het uitschrijven van prijsvragen, een in die tijd vaak gehanteerd instrument om innovaties te bevorderen. Op deze wijze werd men uitgedaagd voor een technisch, industrieel en agrarisch probleem een oplossing te bedenken of te ontwikkelen. Op de Algemene Vergadering te Haarlem op 13 juni 1811 werden niet alleen prijzen uitgereikt, maar ook nieuwe prijsvragen uitgezet. Medailles en geldprijzen in de vorm van gouden dukaten werden, bijvoorbeeld, uitgeloofd voor de ontdekkers van een theesurrogaat dat nauwelijks onderdeed voor de veel gebruikte Chinese thee, een middel om linnen te kunnen bedrukken, een handmachine om gierst te pellen, etc. 35
Geïnspireerd door de in 1808 opgerichte ‘Societé d’Agriculture et Botanique de Gand’36, die in 1816 al haar 15e tentoonstelling in Gent had gehouden37 , besloot de ‘Huishoudelijke Maatschappij’, naast de gebruikelijke prijsvragen, te Haarlem tevens een grote tentoonstelling voor ‘Planten en Gewassen’ te organiseren. De bedoeling van de tentoonstelling was om ‘de cultuur, de invoering en het vertier van meestal uitlandsche planten en gewassen aan te moedigen’. 38 De eerste tentoonstelling stond gepland van 8 t/m 11 juni 1818.  ‘Aankwekers van Planten, Bloemisten en Handelaars in Bloemen binnen dit Koningrijk’ werden uitgenodigd deel te nemen door ‘zoodanig Planten en Gewassen als door zeldzaamheid uitstekend geacht worden of door de kweeking tot eene buitengewone volkomenheid gebragt’ in te zenden. Een ‘Zilveren Medaille’ werd in het vooruitzicht gesteld aan de door een deskundige jury aan te wijzen twee zeldzaamste en twee best gekweekte inzendingen. Verder werden de inzenders o.m. gewezen op de mogelijkheid dat ‘met hunne ingezonden Planten en Gewassen gehandeld worde’. 39  Uiteindelijk werden voor de tentoonstelling en wedstrijd 264 planten ingezonden.40  De in 1818 te Haarlem georganiseerde ‘Tentoonstelling voor Planten en Gewassen’
zou een jaarlijks terugkerende gebeurtenis worden. Bovendien werden de banden met het zustergenootschap in Gent strak aangehaald door bijzondere planten op elkaars tentoonstelling in te zenden.41 Het succes van de tentoonstelling te Gent leidde er toe dat ook de steden Brussel, Luik, Doornik, Brugge en Kortrijk een vergelijkbare tentoonstelling gingen organiseren. De populariteit van het evenement te Haarlem was voor het ‘departement’ Utrecht van de ‘Huishoudelijke Maatschappij’ aanleiding om in de Domstad met ingang van 1824 eveneens een jaarlijkse tentoonstelling voor  ‘Planten en Gewassen’ te houden, zodat in de nabijheid van Utrecht woonachtige  geïnteresseerden niet de ‘verre’ reis naar Haarlem hoefden te ondernemen.42
Het te Haarlem gevestigde departement besloot in 1829 naast de tentoonstel
-ling in juni ook in de winter een tentoonstelling te organiseren, in het bijzonder om ‘de cultuur en vertier van inlandsche planten en bolgewassen te bevorderen’. In 1830 werd geen, maar in 1831 weer wel een ‘winter-tentoonstelling; georganiseerd.43 
De vanuit de ‘Huishoudelijke Maatschappij
georganiseerde tentoonstellingen voor ‘Planten en Gewassen’ waren de eerste in Nederland waarop levend materiaal en kweekproducten niet alleen werden tentoongesteld, maar ook onderdeel waren van een wedstrijd.

Nijverheidstentoonstellingen 2.0
Met het vertrek van Koning Lodewijk Napoleon in 1808 verdween de drijvende kracht achter de organisatie van tentoonstellingen om de Nederlandse economie, in het bijzonder de nijverheid, te stimuleren. Op 1 augustus 1819, tien jaar na de onder koning Lodewijk Napoleon gehouden tweede nijverheidstentoonstelling, kondigde koning Willem I af dat in de zomer van 1820 in Gent weer een nationale tentoonstelling zou worden georganiseerd om, ‘door het opwekken van een loffelijken naijver onder de verdienstelijke fabrijkanten van Ons Koninkrijk, de ontwikkeling der Nederlandsche kunstvlijt (te) bevorderen’.44
De tentoonstelling te Gent beantwoordde zodanig aan het doel, ‘eenen sterken prikkel te geven aan de nationale nijverheid’45, dat Koning Willem I besloot in 1825 een vervolg in Haarlem te laten plaatsvinden. 46  Gekoppeld aan dit evenement werd in Haarlem ook een tentoonstelling van ‘voorwerpen van schilder- en beeldhouwkunst’ van ‘nog in leven zijnde Nederlandsche Meesters’ georganiseerd.47
De derde ‘Algemene Tentoonstelling van voorwerpen der Nationale Nijverheid’ werd in juli 1830 in Brussel gehouden.48   In de kranten werd uitgebreid verslag gedaan welke producten uit zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden op deze grote tentoonstelling werden getoond. 49  Opmerkelijk is dat op deze, op de stimulering van de Nederlandse economie gerichte, tentoonstelling wel inzendingen te zien waren van voor de landbouw bestemde ambachtelijk vervaardigde gereedschappen en werktuigen, maar de agrarische sector zelf, toch voor de Nederlandse economie niet onbelangrijk, met landbouwproducten en levende have ontbrak.50 
Geïnspireerd door de grote nationale ontstonden er in de jaren ’30 in Nederland ook regionale nijverheidstentoonstellingen. In 1831 werd in Noord-Brabant het initiatief genomen tot de organisatie van ‘eene openlijke tentoonstelling van voortbrengselen van fabrijken, kunstvlijt en liefhebberij’.51  Of de voornemens daadwerkelijk tot een tentoonstelling hebben geleid kon niet achterhaald worden. In ieder geval lukte het, bijvoorbeeld, wel om in de jaren ’30 in Groningen52, Overijssel53 en in 1849 te Delft voor de provincies Zuid- en Noord Holland5tentoonstellingen ter stimulering van de regionale economie te organiseren. In de loop van de 19e eeuw en met name vanaf de jaren ’40 vonden in vrijwel elke Nederlandse regio nijverheidstentoonstellingen plaats, zich bovendien ook opsplitsend in tentoonstellingen voor afzonderlijke bedrijfstakken en beroepsgroepen.
Zoals hiervoor al aangehaald waren deze aanvankelijk nationale, later ook regionale, Nederlandse tentoonstellingen ter stimulering van de bedrijvigheid gebaseerd op het concept van de eerste Franse ‘Exposition des Produit de l’Industrie Française’ in 1798 en de tijdens het bewind van Napoleon Bonaparte in Frankrijk georganiseerde nijverheidstentoonstellingen. Na de Napoleontische periode pakte men in Frankrijk in 1819 deze draad weer op en vonden de tentoonstellingen, waarop industriële producten en nieuw uitvindingen werden gepresenteerd, internationale navolging. In de jaren ’20 en ‘30 was er geen Europese hoofdstad te vinden waar periodiek geen nationale nijverheidstentoonstelling werd georganiseerd. Het heeft er alle schijn van dat ook Koning Willem I zich door de zuiderburen heeft laten inspireren om de tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon in Nederland georganiseerde nationale nijverheidstentoonstelling weer uit de mottenballen te halen, want zijn Koninklijk Besluit betreffende de expositie in Gent werd enkele dagen voor de opening van de vijfde ‘Exposition’ in Parijs in de Staatscourant gepubliceerd.55

Tentoonstellingen met een agrarisch karakter
Opmerkelijk is dat gedurende de eerste decennia van de 19e eeuw wel ambachtelijk vervaardigde landbouwwerktuigen op Nederlandse nijverheidstentoonstellingen te bezichtigen waren, maar de agrarische sector zelf niet vertegenwoordigd was.56 Weliswaar was in 1776 de  ‘Maatschappy ter bevordering van den Landbouw te Amsterdam’ opgericht, maar zij beperkte haar activiteiten om de landbouw te stimuleren tot prijsvragen; zoals we eerder zagen een in die tijd veel toegepaste en beproefde methode.57  Hiervoor zagen
we dat de ‘Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij’, vanaf 1836 ‘Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid’ geheten, vanaf 1818 tentoonstellingen organiseerden voor houders en kwekers van bijzondere planten, maar de belangstelling van dit genootschap voor de reguliere agrarische sector beperkte zich eveneens tot prijsvragen.
Hoewel in het buitenland het niet ongebruikelijk was dat op tentoonstellingen, met als doel ‘s lands economie te stimuleren, ook de agrarische sector met producten vertegenwoordigd was, zoals die te Wenen in de jaren ’305
8 en te New York in oktober 183959, moesten we in Nederland tot de jaren ’40 wachten totdat landbouwproducten en levende have op tentoonstellingen te bewonderen waren.
Geïnspireerd door de activiteiten van gelijksoortige organisaties in het buitenland werd in 1841 het ‘Genootschap voor Landbouw en Kruidkunde te Utrecht’ opgericht.
60 Deze organisatie, die pretendeerde de eerste in haar soort in Nederland te zijn, stelde zich  tot doel ‘land en tuinbouw te bevorderen, en den lust tot de kruidkunde aan te wakkeren’. Om dat te bereiken koos men niet voor het instrument van de prijsvraag, dat men een achterhaalde formule vond, maar voor de tentoonstelling.61 
De eerste tentoonstelling werd van 28 maart t/m 2 april 1842 gehouden.6
2 
De tweede tentoonstelling werd in juli 1842 georganiseerd en in de tentoonstellingsaccommodatie kon men o.m. een ‘handploeg’, ‘ijzeren tuinwerktuigen’ en een ‘stroo-snijmachine’ bewonderen.
63 Hoewel de activiteiten eerder voor dan door boeren werden georganiseerd waren de tentoonstellingen van het ‘Genootschap’ in Utrecht de eerste in Nederland waar de agrarische sector centraal stond.


Foto. 22 december 2018. Ringencontrole van de prijswinnaars. Jacques de Beer, links, en Krien Onderwater.

Zeeuws initiatief
Hiervoor zagen we dat tot 1840 in Nederland de ‘Huishoudelijke Maatschappij tentoonstellingen organiseerde voor de verzorgers en kwekers van bijzondere, meest exotische, planten. De tentoonstelling had daarom een agrarisch tintje, maar er was geen enkele inbreng vanuit het dagelijkse boerenbedrijf. De tentoonstellingen van de het ‘Genootschap voor Landbouw en Kruidkunde te Utrecht’ waren weliswaar meer expliciet gericht op de land- en tuinbouw, maar ook hiervoor gold dat de tentoonstellingen aanvankelijk eerder voor dan door de boeren werden georganiseerd. Dat gedurende de eerste decennia van de 19e eeuw geen tentoonstellingen werden georganiseerd waarop de agrarische sector de boventoon voerde betekende niet dat de landbouw onder het koningschap van Willem I marginale aandacht ontving. In juni 1818 werden bij Koninklijk Besluit provinciale Commissies voor Landbouw ingesteld, die hem moesten adviseren inzake de agrarische sector.64  Niet alle commissies waren even actief. Dat gold niet voor de Zeeuwen. In 1842 vaardigde de ‘Commissie voor Landbouw in Zeeland’ twee leden af naar Bristol om een kijkje te gaan nemen op de jaarlijkse door de ‘Royal Agricultural Society’ georganiseerde landelijke  tentoonstelling. De Zeeuwen waren niet alleen onder de indruk van de  tentoongestelde landbouwwerktuigen, ook de paarden, runderen en schapen leverden ‘eene zoo duidelijk blijkbare voortreffelijkheid op, dat men zich daarvan geen denkbeeld kan vormen’. Lopend over de tentoonstelling moeten de afgevaardigden uit Zeeland de conclusie hebben getrokken dat er een verband moest zijn tussen de door de ‘scociety’ georganiseerde tentoonstellingen en de kwaliteit van de Britse agrarische sector in het algemeen en dat van het Britse vee in het bijzonder.65  Het kan namelijk nauwelijks toeval zijn dat in augustus 1843, vanuit de ‘Commissie voor Landbouw in Zeeland’, de ‘Maatschappij tot bevordering en aanmoediging van den landbouw en de veeteelt in de provincie Zeeland’ werd opgericht.66  De Maatschappij kende een twaalftal geografisch over Zeeland verspreide afdelingen en één van de doelen was om jaarlijks, per toerbeurt, in Zeeland een agrarische tentoonstelling te organiseren. Het heeft er alle schijn van dat men in Zeeland het concept van de Britse ‘Royal Agricultural Society’ kopieerde. Zoals gebruikelijk was er aan de tentoonstelling ook een wedstrijd verbonden. Een jury van ‘drie onpartijdige scheidsmannen’ beoordeelde de inzendingen, waaronder landbouwwerktuigen, zaden, ‘kunstmest-speciën’ en vee,  en de maatschappij stelde geldprijzen beschikbaar voor, bijvoorbeeld, de beste melkkoe, de beste stier, de beste beer, de beste zeug, enz. Pluimvee als wedstrijdcategorie werd in de statuten niet vermeld. Naast het vee konden ook boeren vanwege een bijzondere verdienste een premie verdienen. Jaarlijks konden de afdelingsbesturen binnen hun regio een geldbedrag toekennen aan o.m. de beste ploeger, de beste ‘slooten en greppendelver’, etc.; er werd zelfs een premie toegekend aan ‘den arbeider, die het grootste huisgezin, zonder eenige ondersteuning uit eenig fonds van weldadigheid, gedurende een jaar heeft onderhouden’.67  De eerste tentoonstelling werd, gecombineerd met de algemene vergadering, georganiseerd op 19 juni 1844 te Middelburg. Niet leden moesten 25 ct. toegangsprijs betalen om de tentoonstelling te kunnen bezoeken.68 
Berichtgeving over de tentoonstelling in Middelburg in over heel Nederland verspreid verschijnende kranten mistte zijn uitwerking niet. Tijdens de tweede tentoonstelling in Goes in 1845 kon men melden dat inmiddels in Drenthe een soortgelijke maatschappij was opgericht en in Overijssel er ook over werd gedacht.69 In ieder geval werd in 1846 in Gelderland ook een maatschappij naar Zeeuws model opgericht. Nadat men in Holland de kat uit de boom had gekeken en had moeten constateren dat de maatschappijen in Zeeland, Utrechts en Gelderland al zichtbare resultaten hadden geboekt werd daar in 1847 de Hollandsche Maatschappij van Landbouw opgericht.70 
Ook op de tentoonstellingen van het ‘Genootschap voor Landbouw en Kruidkunde te Utrecht’ werd in de loop van de jaren ’40 de inbreng vanuit de agrarische sector steeds belangrijker: Zo kwamen naast de wedstrijden voor tuinbouw, bloementeelt en exotische gewassen er ook voor de mooiste schoven van uiteenlopende graansoorten, ploegwedstrijden en vanaf 1849 was het mogelijk om viervoetig vee voor de tentoonstelling in te zenden.
71  De door en voor de agrarische sector georganiseerde tentoonstellingen gingen dus naarmate de jaren ’40 vorderden inhoudelijk steeds meer op elkaar lijken.
Het aantal agrarische tentoonstellingen breidde zich niet alleen uit op provinciaal niveau, ook regionaal niveau begon men dergelijke evenementen te organiseren. Zo werden in Zeeland, naast de provinciale, tussentijds, door de afdelingen van de Zeeuwse landbouwmaatschappij ook onderlinge tentoonstellingen georganiseerd.7
2  Ook binnen het ‘Genootschap voor Landbouw en Kruidkunde te Utrecht’ ontstonden allerlei onderafdelingen in de provincie Utrecht.73
In de loop van de jaren ’40 schoten dus de organisaties die landbouwtentoon-stellingen organiseerden als paddenstoelen uit de grond. Op het eind van de jaren ’40 organiseerde ieder zichzelf respecterende regio wel een tentoonstelling waarop niet alleen zaden, vee en werktuigen, maar inmiddels ook andere producten als bloemen, boter, kaas en allerlei soorten gewassen niet alleen te zien waren, maar ook meedongen naar de prijzen.74  De door mij gevonden oudste vermelding van tentoongesteld pluimvee betreft de door de ‘Afdeeling Rotterdam en omstreeken der Hollandsche Maatschappij van Landbouw’ in oktober 1848 georganiseerde tentoonstelling.75  Meer expliciete informatie verschaft  het ‘vraagprogramma’ van de in 1849 te Leiden georganiseerde tentoonstelling van de ‘Hollandsche Maatschappij’. De groep ‘Pluimgedierte’ is gesplitst in de klassen ‘Toomen kippen van één Haan en minstens acht hennen’, (…) Toomen Kalkoenen van één Haan en minstens vier Hennen, (…) Toomen Boerenganzen van één gent en minstens vier ganzen, (…)  Toomen eenden van één woerd en minstens zes eenden, (…)  Zes paren Duiven (…) Hier wordt meer gedoeld op Duiven voor wezenlijk gebruik dan voor weelde (..) Vreemd Gevogelte. Voor het koppe hier te lande weinig bekend of ongewoon Pluimgedierte, waarvan het meer algemeen gebruik voor de landbouw nuttig geoordeeld wordt’. Verder vinden we in het vraagprogramma o.m. ook bijenwas en -honing, div. soorten kaas en boter. In elke klasse werden drie prijzen uitgereikt, die varieerden van gouden, zilveren en bronzen medailles en getuigschriften. De winnaar van het mooiste toom kippen mocht zich trouwens verheugen in een door Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden beschikbaar gestelde zilveren medaille.76  Op de in 1850 te Alkmaar gehouden landbouwtentoonstelling konden ook postduiven ingezonden worden, mits ‘bewijzen van de door hen afgelegde reizen’ overlegd konden worden.77   Voor de tentoonstelling van de maatschappij voor landbouw in Gelderland in Zutphen in 1850 waren behalve de vertrouwde hengsten, stieren, melkkoeien, varkens, bokken, geiten, trekezels, schapen, enz, ook ‘8 toomen Hoenders; 9 Hanen, 1 paar Kalkoenen, 13 Karnhonden en 7 Katten’ ingezonden.78  Op de in juni 1854 te Assen georganiseerde land-bouwtentoonstelling werden o.m. de volgende prijzen toegekend: ‘Voor de konijnen de eerste prijs ad ƒ 12,00, voor 3 Engelse, en de 2e prijs ad ƒ 8,00, voor 2 Belgische konijnen van J. Post c.s. te Groningen. – Voor de honden de prijs ad ƒ 10,00, voor een staande hond van Mr L.W. de Blécourt te Veendam’.79  De door mij oudst gevonden vermelding van de aanwezigheid van kamervogels tussen o.m. de paarden, koeien, varkens, schapen, pluimvee, landbouwwerktuigen, enz. op een landbouwtentoonstelling, betrof een verslag van een in augustus 1868 georganiseerde tentoonstelling te Bolsward. De heer D. Molenaar uit Tjerkwerd ontving een premie van ƒ  2,50 voor de hem ter opluistering ingezonden kanaries.80
Kijken we naar de hoogte van de prijzen dan waren die uitermate lucratief als men bedenkt dat in die tijd een ongeschoold arbeider  moest werken voor een dagloon van ƒ 1,00. Een half maandsalaris van een arbeider voor een eerste prijs bij de konijnen is dus verre van misselijk.
Op grond van bovenstaande zouden we de conclusie kunnen trekken dat de wortels van onze hedendaagse
hengsten- en koeienkeuringen; honden-, katten-, kleindieren-, pluimvee- en sier- en zangvogeltentoonstellingen gezocht moeten worden in de landbouwtentoonstellingen die voor het eerst medio de 19e eeuw in Nederland werden georganiseerd.

Slot
Op de sinds het eerste decennium van de 19e eeuw in Nederland georganiseerde tentoonstellingen ter stimulering van de economie was de aandacht volledig geconcentreerd op het ambachtelijke en de nijverheid. Producten uit de agrarische sector schitterden door afwezigheid. De aandacht voor verbetering van de agrarische sector ging uit van door de overheid ingestelde provinciale adviescommissies en particuliere organisaties, waar vnl. niet-boeren de dienst uitmaakten. Zij beperkten zich tot prijsvragen en mochten er tentoonstellingen georganiseerd worden met een ‘agrarische’ inslag dan concentreerde men zich eerder op het ‘wetenschappelijke’ en het exclusieve, zoals exotische planten, dan op de uit de reguliere sector afkomstige producten. Op de tot 1840 georganiseerde tentoonstellingen was een scala aan beroepsgroepen vertegenwoordigd, maar de boer ontbrak. Aandacht en bemoeienis vanuit de samenleving voor de agrarische sector had vooralsnog een elitair karakter. Het was vooral ‘voor de boeren,  zonder de boeren’. Dit veranderde in de jaren ’40. Het initiatief ging uit van de ‘Zeeuwse Commissie voor Landbouw’. Na een bezoek aan Engeland in 1843, werd, naar Engels model, een maatschappij opgericht  met o.m. als doel tentoonstellingen te organiseren voor de agrarische sector met niet alleen aandacht voor gereedschap en werktuigen, zoals tot dan gebruikelijk was op de nijverheidstentoonstellingen, maar ook voor de  producten van landbouw en veeteelt en de dagelijkse werkzaamheden van de boer. Het voorbeeld van Zeeland vond in verbazingwekkend korte tijd overal navolging, zodat medio de 19e eeuw door heel Nederland op provinciaal en regionaal niveau louter op de agrarische sector gerichte tentoonstellingen werden georganiseerd. Ging de aandacht aanvankelijk vooral uit naar landbouwwerktuigen, bemesting, landbouwproducten en viervoetig vee, al snel breidde het assortiment aan agrarische producten op de tentoonstellingen steeds verder uit, zoals boter, kaas en honing. Op het eind van de jaren ’40 verscheen voor het eerst ook pluimvee op de landbouwtentoonstellingen en dongen kippen, ganzen, eenden,  kalkoenen, duiven en ‘vreemd gevogelte’ mee naar de uit te reiken prijzen en eervolle vermeldingen.  Alras werd dit uitgebreid met honden en katten en vanaf de jaren ’60 ook met sier- en kamervogels.

Tussenbalans
Inmiddels zijn we in ons historisch overzicht in het midden van de 19e eeuw beland. Tijd om een tussenbalans op te maken. In voorafgaande zagen we hoe, in navolging van wat zich in Italië, Engeland en met name in Frankrijk had voltrokken, vanaf medio de 18e eeuw de moderne versies van de fenomenen ‘museum’ en ‘tentoonstelling’ in de Nederlandse samenleving werden geïntroduceerd. Met name na de Franse Tijd was er in Nederland een toe-name van het aantal en assortiment aan tentoonstellingen. In hoofdzaak concentreerden die zich op de bevordering van het niveau en de belangstelling voor  kunst en wetenschappen.
Koning Lodewijk Napoleon introduceerde de tentoonstelling als instrument om ’s lands economie, in het bijzonder de nijverheid, te stimuleren. Tot ca. 1840 waren de door private organisaties en landelijke overheid geïnitieerde tentoonstellingen
dus gericht op bevordering van kunst en wetenschappen en de nijverheid in Nederland en de overzeese gebiedsdelen.
In de jaren ’40 ontstonden daarnaast ook tentoonstellingen van en voor de agrarische sector. Voor het eerst was er op tentoonstellingen in Nederland ook levende have te bewonderen. Aanvankelijk beperkte dit zich tot de in de landbouw vertrouwde viervoeters als paarden, koeien, schapen geiten en varkens, maar alras werd dit uitgebreid met honden, katten en pluimvee, zoals kippen, kalkoenen, fazanten, duiven en ‘waterwild’. Tussen het pluimvee verschenen in de loop van de jaren ’60 ook de eerste siervogels, zoals kanaries. Aanvankelijk alleen ter opsiering, later ook als wedstrijdvogels.
Vanaf de introductie van het fenomeen in de Europese samenlevingen in de 18e eeuw kunnen we aan een tentoonstelling drie aspecten onderscheiden: Tentoonstellingen waren bedoeld als evenementen waarop vakmanschap getoond en informatie en nieuwe ideeën/technologieën uitgewisseld konden worden. Verder was aan een tentoonstellingen in de regel een wedstrijd verbonden. Tenslotte, was deelname aan een tentoonstelling, en in het bijzonder wanneer een prijs werd behaald of een eervolle vermelding werd verkregen, een podium voor naamsbekendheid, die daarna in klinkende munt kon worden omgezet. Deze aspecten zouden ook in de loop van de 19e eeuw niet verdwijnen, sterker, tot op de dag vandaag zijn deze elementen, nog onlosmakelijk aan, bijvoorbeeld, een vogeltentoonstelling verbonden. Met de kennis van het voorafgaande is het interessant het door Albert Zomer geschreven artikel ‘Heeft deelnemen aan COM of andere shows zin?  in de editie van ‘Onze Vogels’ van jongstleden augustus nog eens te herlezen. Wanneer we in de teneur van het artikel ‘vogels’ vervangen door ‘kunst’, zou het in de 18e eeuw geschreven kunnen zijn. Wat betreft het concept van onze vogeltentoonstellingen is er dus weinig nieuws onder de zon.
81

Noten
1.    Wal, H.K. van der, Kanaries, Handboek voor het houden en kweken van zang-, keur en postuurkanaries. Baarn, 1997.
2.    Sierman, Barbara, ‘Ten profyte van het gemeen’: kermis in de achttiende eeuw. In: Literatuur, Jaargang 7 (1990), pp. 134-140; Internet: https://www.dbnl.org/tekst/_lit003199001_01/_lit003199001_01_0023.php )
3.    Plokker, Jaap, Geschiedenis naar de oorsprong van de waterslager-deel 1: Gedragsmanipulatie-‘Konstige Kanarie-Vogels’. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, mei 2016, 32e jrg. Nr. 2, pp. 19-31.
4.    Spenlé, Virginie, Die Dresdner Gemälde Galerie und Frankreich, der ‘bon goût ‘ im Sachsen im 18. Jahrhundert, Beucha, Sax-Verlag, 2008, p. 20-21. Internet:     https://www.academia.edu/2504293/Die_Dresdner_Gemäldegalerie_und_Frankreich._Der_bon_goût_in_Sachsen_Beucha_Sax-Verlag_2008_ISBN_978-3-86729-028-9_
5.
    ’Académie Royale de Peinture et de Sculpture’, vert. ‘Koninklijke Academie voor Schilder- en Beeldhouwkunst’.
6.    ‘Exposition’, vert. ‘tentoonstelling’.
7.    Bovenstaande is voor een belangrijk deel gebaseerd op de volgende studie: Spenlé, Virginie, Die Dresdner Gemälde Galerie und Frankreich, o.c.,
pp. 20-25, 205-230.
8.    Bovenstaande is voor een belangrijk deel gebaseerd op de volgende studie: Spenlé, Virginie, Die Dresdner Gemälde Galerie und Frankreich, o.c., pp. 26-30, 205-230.
9.    Postma, Jan, De Nationale Konstgallerij, de Bataafse voorloper van het Rijksmuseum. Internet: https://historiek.net/nationale-konst-gallerij-huist-ten-bosch/91593/ 
10.
  Zie ook: Opregte Haarlemsche Courant, 29 oktober 1808, 18 augustus 1814.
11. 
Jaarsma, Thomas, Het eerste museum ter wereld, Internet: https://www.nemokennislink.nl/publicaties/het-eerste-museum-ter-wereld/
12. https://nl.wikipedia.org/wiki/British_Museum

13. Opregte Haerlemsche Courant, 15 februari 1794.
14. Rotterdamsche Courant, 22 februari 1794.
15.  Amsterdamsche Courant, 3 september 1803.
16.
Utrechtsche Courant, 7 mei 1810.
17. Koninklijke Courant, 14 oktober 1807.
18. Koninklijke Courant, 14 en 18 juli 1808.
19. Koninklijke Courant, 14 oktober 1807.
20. Wikipedia: Exposition des produits de l’industrie Française, Internet: https://en.wikipedia.org/wiki/Exposition_des_produits_de_l%27industrie_fran%C3%A7aise
21.  Koninklijke Courant, 18 april 1808.
22. Koninklijke Courant, 14, 15, 16 en 18 juli 1808.
23.  Advertentie Koninglyke Amstels Porcelein-Fabriek, Amsterdamsche Courant,  23 juli 1808; advertentie Jan Adriaanse Augustyn, Potten-Fabrijkant te Bergen-op-Zoom, Opregte Haarlemsche Courant, 15 september 1808 .
24.  
Opregte Haarlemsche Courant, 19 september 1809. Zie ook: Koninklijke courant, 26 april 1809, 24 augustus 1809,  2 en 25 september 1809.
25.  Courier van Amsterdam, 7 juni 1811.
26.  Koninklijke Courant, 5 januari 1809.
27.  We mogen dit instituut beschouwen als de voorloper van de huidige Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).
28.  Haagsche Courant, 14 september 1808; Opregte Haarlemsche Courant, 29 oktober 1808; Koninklijke Courant, 5 januari 1809.
29.  Koninklijke Courant, 5 januari 1809.
30. Amsterdamse Courant, 14 augustus 1810,  Courier van Amsterdam, 27-09-1810.
31. Advertentiën, aankondigingen en verschillende berigten van Amsterdam, 14 augustus 1813; Rotterdamsche Courant, 18 augustus 1814; Leydsche Courant, 3 juni 1816; Nederlandsche Staatscourant, 24 mei 1816; 14 april 1828; Groninger Courant, 11 mei 1830.
32.  ’s Gravenhaagsche Courant, 5 augustus 1814; Dagblad van ’s Gravenhage, 1 juni 1827, 11 september 1829, 27 januari 1830, Nederlandsche Staatscourant, 28 januari 1830.
33. 
Rotterdamsche Courant, 25 en 30 augustus 1832.
34.  Het grootste deel van de 19e eeuw ging deze maatschappij door het leven als Nederlandsche Maatschappij der bevordering van Nijverheid, 1836-1902.
35. 
Courier van Amsterdam, 25 juli 1811; Zie ook: Dagblad van het Departement Vriesland, 18 juli 1812; Staatkundig Dagblad van het departement der Zuiderzee, 15 juli 1813; Nederlandsche Staatscourant, 26 juli 1814.
36.  In de eerste helft van de negentiende eeuw kende Gent een lucratieve bloementeelt van aanvankelijk vooral camelia’s, maar later ook azalea’s, begonia’s en orchideeën. De passie voor inlandse en exotische bloemen leidde op 10 oktober 1808 tot de oprichting van genoemde ‘Societé’. De maatschappij speelde een essentiële rol in de naamsbekendheid en verspreiding van Gentse producten, waaronder exotische planten. Dit deed ze vanaf 1809 onder meer door het organiseren van grote tentoonstellingen. Na de samenvoeging van de Zuidelijke met de Noordelijke Nederlanden tot het Koninkrijk der Nederlanden mocht de ‘Societé’ zich koninklijk noemen, dus ‘Koninklijk Genootschap van Landbouw- en Kruidkunde te Gent’.
     https://www.bestor.be/wiki_nl/index.php/Soci%C3%A9t%C3%A9_royale_d%27agriculture_et_de_botanique_de_Gand
37. 
(Nederlandse Staatscourant, 10 juli 1816; Zie verder ook: Bredasche Courant, 5 juli 1817; Nederlandsche Staatscourant, 3 maart 1820.
38.  Nederlandsche Staatscourant, 25 november 1830.
39.  Arnhemsche Courant, 5 februari 1818; Nederlandsche Staatscourant, 15 juni 1818.
40.  Nederlandsche Staatscourant, 17 juni 1818; zie ook: Nederlandsche Staatscourant, 31juli 1818.
41. Nederlandsche Staatscourant, 3 maart 1820, 5 april 1820, 9 juni 1820, 16 juni 1820.
42. Nederlandsche Staatscourant, 8 april 1824; Groninger Courant, 9 april 1824, ’s Gravenhaagsche Courant, 2 juli 1824; Nederlandsche Staatscourant, 29 april 1829.
43.  Nederlandsche Staatscourant, 25 november 1830. Info over andere toegekende prijzen door de Huishoudelijke Maatschappij: Nederlandsche Staatscourant, 26 augustus 1819; 10 augustus 1820; Rotterdamsche Courant, 5 augustus 1820.
44. Nederlandsche Staatscourant, 20 augustus 1819.
45. Nederlandsche Staatscourant, 23 juli 1820.
46.  Nederlandsche Staatscourant, 8 juli 1824; 26 februari 1825.
47. Groninger Courant, 4 februari 1825, Opregte Haarlemsche Courant, 7 juni 1825.
48. Nederlandsche Staatscourant, 2 juli 1828; Dagblad van ’s Gravenhage, 19 juli 1830.
49.  Het zou het laatste grote evenement in het gezamenlijke koninkrijk van de beide Nederlanden zijn. Vanaf juli 1830 trok een golf van opstanden en revoluties door Europa. Op 25 augustus 1830 begonnen in Brussel de relletjes die uiteindelijk zouden leiden tot de splitsing van het in 1815 gestichte Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in de koninkrijken van België en Nederland.
50. Algemeen Handelsblad, 16  artikelen geplaatst in de kranten van 21 juli t/m 21 augustus 1830, i.h.b. die van 31 juli 1830.
51.  Bredasche Courant, 16 en 20 juli 1831.
52. 1e: 1838; Groninger Courant, 23 mei 1837.
53. 1e: 1840; Overijsselsche Courant, 3 maart 1840; 28 juli 1840.
54.  Nederlandsche Staatscourant, 2 februari 1849,  Dagblad van ’s Gravenhage, 9 juli 1849.
5
5. Na de tentoonstelling van 1819 werden in Parijs nog  zes ‘Expositions’ georga-niseerd: in 1823, 1827, 1834, 1839, 1844 en  1849. De tentoonstelling van 1849 was de opmaat tot de eerste wereldtentoonstelling, die in 1851 in London werd       gehouden. Frankrijk: Wikipedia: Exposition des produits de l’industrie Française; Javasche Courant, 24 januari 1828; Rotterdamsche Courant 7 augustus 1827. Wurtemberg: Tentoonstelling te Stuttgart: Nederlandsche Staatscourant, 5 oktober 1826 en 29 maart 1827; Spanje: Tentoonstelling te Madrid, Opregte Haarlemsche Courant, 3 juli 1827;  Frankrijk: Tentoonstelling te Parijs, Rotterdamsche Courant 7 augustus 1827; .Rusland: Arnhemsche Courant, 23 maart 1839; Algemeen: Bredasche Courant, 17 februari 1835.
5
6. Algemeen Handelsblad, 31 juli 1830.
5
7.  In 1847 werd de maatschappij opgeheven en vervangen door  de eveneens in 1847 opgerichte ‘Hollandsche Maatschappij van Landbouw’, die opgesplitst was in regionale afdelingen.
58. Opregte Haarlemsche Courant, 19 mei 1836.
59. Leydsche Courant, 30 september 1839.
60. Later ging deze organisatie over in het Utrechts Landbouw Genootschap.
6
1. Aanspraak van den voorzitter  C.A. Bergsma gehouden in den Algemeene Jaarlijkse Vergadering op den 26. Maart 1842, Utrecht, 1842. Internet:
    
https://books.google.nl/books?id=6KP8EoF4qV0C&pg=PA5&lpg=PA5&dq=genootschap+voor+landbouw+en+kruidkunde&source=bl&ots=KqZDUhWiPR&sig=ACfU3U0vaBOQmsWqjCYAQVZVgiKJjD5msg&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwjqwKvfsv3jAhWQDuwKHScTBto4ChDoATAAegQICRAB#v=onepage&q=genootschap%20voor%20landbouw%20en%20kruidkunde&f=false . Zie ook  archief Utrechts landbouwgenootschap, Internet:  https://hetutrechtsarchief.nl/onderzoek/resultaten/archieven?mivast=39&mizig=210&miadt=39&miaet=1&micode=640&minr=1101872&miview=inv2
62. Dagblad van ’s Gravenhage, 23 maart 1842.
63.  Utrechtsche provinciale en stadscourant, 20 juli 1842.
64.  Koninklijk Besluit 28 juni 1818,  Nederlandsche Staatscourant, 20 juli 1818.
65. Middelburgsche Courant, 20 augustus 1842.
66. Bredasche Courant, 5 september 1843.
67. Middelburgsche Courant, 17 november 1843.
6
8. Middelburgsche Courant, 28 maart 1844 en 8 juni 1844; Algemeen Handelsblad, 3 april 1844.
69. Nederlandsche Staatscourant, 3 mei 1845; Bredasche Courant, 19 juni 1845.
70. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 6 november 1847, 9 februari 1848. Bredasche Courant, 7 mei 1846. Tentoonstelling in Drenthe: Drentsche Courant, 8 september 1846; Gelderland, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 22 februari 1847.
71. Granenwedstrijd: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 7 septembetr 1847; ploegwedstrijd: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 16 september 1848;  exotische planten: De Tijd, 3 oktober 10-1848;  tuinbouw en bloementeelt: Utrechtse provinciale en stadscourant, 16 maart1 849;  eerste tentoonstelling voor vee in 1849, uitsluitend viervoeters, geen pluimvee: De Nederlander, Nieuwe Utrechts Courant, 23 mei 1849, Utrechtsche provinciale en stadscourant, 20 juli 1842.
72. Algemeen Handelsblad 28 oktober 1845.
7
3. Utrechts stedelijk en provinciaal dagblad, 4 augustus 1852, 1 augustus 1853, 8 september 1866,  3 november 1869.
74. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 24 april 1848.
75. Rotterdamsche Courant, 24 oktober 1848.
76. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 1 juni 1849.
77. Nederlandsche Staatscourant, 24 mei 1850.
78. Arnhemsche Courant, 19 en 22 juni 1850.
79. Provinciale Drentsche en Asser Courant, 1 juli 1854.
80. Leeuwarder Courant, 7 en 14 augustus 1868.
81. Zomer, Albert, Heeft deelnemen aan COM of andere shows zin? In: Onze Vogels, jaargang 2019, nr. 8 (augustus), p. 34.
82. De bij de foto toelichtende tekst werd ontleend aan:
Spenlé, Virginie, Die Dresdner Gemälde Galerie und Frankreich, o.c., pp. 238-253.

-0-

Mededelingen

Contributie 2020
De contributie voor 2020 bedraagt onveranderd € 20,00. Penningmeester Paul Schilte vraagt om de contributie voor 2020 vóór 1 januari 2020 over te maken  op bankrekeningnr. NL94 INGB 0009279191 t.n.v. Speciaalclub Zang NZHU te ‘s Gravenhage.  Een vlotte afwikkeling van de contributie bespaart de penningmeester veel tijd en ook Paul besteedt zijn vrije tijd liever niet aan het achter de broek zitten van trage contributiebetalers. Dat begrijpt natuurlijk iedereen. Wees dus hem ter wille en betaal op tijd.

Clubkampioenschappen 2019
De wedstrijdlocatie voor onze 35e clubkampioenschappen is weer gereserveerd. Ze staan gepland voor 19 t/m 21 december 2019 wederom in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, Oude ’s Gravendijckseweg 2a, 2221 DB te Katwijk. Op donderdag 19 december zullen de vogels worden ingekooid, op vrijdag 20 december vindt de keuring plaats en op zaterdag 21 december 2019 hopen we met elkaar weer een uiterst gezellige en onderhoudende studiedag te beleven. Vergeet genoemde data niet in de agenda of op de kalender te noteren!


TOP